Aanwezig in afwezigheid

Ik wil een boek schrijven. Ter voorbereiding haalde ik stapels boeken uit de bieb over rouwen en de dood. Geen gezellig onderwerp en erover lezen doet me veel. Zo word ik er onder andere heel kwaad van. Maar ik weet nog niet precies waarom. Ben ik kwaad op de dood? Op hoe mensen reageren? Op het feit dat mijn kinderen hiermee moeten leven terwijl ik ze zo graag alle leed bespaar? Op mijn lege armen en lege buik? Op God?

Het speelt allemaal een rol, denk ik. Het lezen van deze boeken haalt heel wat naar boven. Dus waarom doe ik het eigenlijk? Nou, ik word er niet alleen boos om, ik kom er ook achter waar ik het zelf over wil hebben en ik vind herkenning. Het is erg prettig om dingen te lezen die woorden geven aan wat er sluimert onder de oppervlakte. Zoals het gevoel dat Amanda er is in afwezigheid.

Marinus van de Berg gebruikt in zijn boek: Verdriet dat niet verdwijnt de term ‘levenslooplang’. Hij zegt: “Ik wil ermee aangeven dat je de dood van een kind – of van kinderen – de rest van je leven met je meedraagt als een niet te vergeten gebeurtenis. Philip Freriks heeft in zijn boek Jantje geschreven over zijn broer die aan het eind van de oorlog werd doodgeschoten. Wie zoals hij heel jong een broer heeft verloren, heeft bij het ouder-worden steeds meer momenten waarop die broer er had kunnen zijn, maar er niet is. Hij is er in de afwezigheid: levenslooplang. Dat beïnvloedt je leven meer dan je denkt.”

Ik schold inwendig toen ik dit las. Dit is wat ik zie bij mijn levende kinderen. De dood van hun zusje beïnvloedt hen meer dan ik denk en vooral: dan hun omgeving denkt. In elke ontwikkelingsfase duiken nieuwe gedachten, vragen en emoties op. Moeten ze als het ware opnieuw leren leven met het gemis. Ze zijn er niet voortdurend mee bezig, maar het maakt wel deel uit van hun leven en hun ontwikkeling. Dat komt op sommige momenten indringend naar voren en ik vind het moeilijk om mijn kind zo te zien, zeker omdat het iets is waar ik helemaal niets aan kan veranderen.

Een van de eerste dingen die ik dacht toen we erachter kwamen dat onze dochter was overleden, was: ‘Hoe vertel ik het mijn kinderen?’ ‘Hoe moeten zij daar mee leven?!’ Woest was ik. Dat ik zoiets mee moest maken was nog tot daar aan toe. Maar mijn kinderen? Nee! Ik wil mijn kinderen koste wat kost beschermen tegen leed, verdriet, ellende. En dat kon ik dus niet. Het was niet terug te draaien. Nog steeds kan ik er niets aan veranderen. Ze moeten er mee leren leven dat hun zusje er is in haar afwezigheid.

Hoe ik ze kan helpen om dat te doen, daar hoop ik wijzer in te worden en dus ben ik blij dat er boeken over geschreven zijn. Naarmate mijn kinderen ouder worden, realiseren ze zich steeds meer wat ze missen. Ze vragen zich af hoe het zou zijn geweest met haar erbij. Dus ook al is Amanda er niet, toch is ze er op een bepaalde manier. Het is fijn om dat nu te kunnen benoemen: zij is er in haar afwezigheid.

Het tweede jaar door komen

‘Eerst moet je het eerste jaar door zien te komen’, zeiden ze, en dat deden we. ‘Daarna het tweede…’ kwam er direct achteraan. Ik kon er destijds niet over uit dat je hier niet overheen zou kunnen komen. Dat je het niet gewoon kon doorleven en dan achter je laten. Het maakte me kwaad, opstandig en zeer vastberaden om te laten zien dat dat heus wel kan. Maar het verlies van een kind gaat dieper dan ik dacht. Verdriet kruipt waar het niet gaan kan.

Het is weer lente. Het is heerlijk weer en er zijn weer andere geuren en kleuren buiten. ‘Kijk mam, er zijn alweer narcissen.’ zegt mijn dochter blij. Ik hum dat ik ze ook zie. Het was me al eerder opgevallen deze week en het geeft me een beklemmend gevoel. Narcissen doen me direct aan Amanda denken. Ze groeiden overal toen ik zwanger van haar was.

Vandaag twee jaar geleden gingen we naar het ziekenhuis voor een tweede twintigwekenecho. Ik weet het nog zo goed. Na jaren wachten was ik eindelijk zwanger en zó dankbaar dat God ons nog een kindje toevertrouwde én bezorgd omdat een ander dierbaar kleintje het jaar daarvoor bij de twintigwekenecho ernstige afwijkingen had. Ons kindje bleek bij de eerste twintigwekenecho helemaal gezond en de tranen liepen over mijn wangen toen we hoorden dat ze een meisje was.

Toch moesten we naar het ziekenhuis voor een tweede echo. Want helemaal goed was het niet. Ons meisje was te klein. We hielden het nog even voor ons, vierden verjaardagen en probeerden niet bezorgd te zijn. Eerst de tweede echo afwachten. Die week wandelde ik regelmatig door de geuren en de kleuren van de lente, voelde mijn toch best dikke buik, bad, sprak leven en gezondheid, en probeerde niet bezorgd te zijn.

23 februari 2017: Onze dochter groeit inderdaad niet goed. Ik zit in een voorstadium van zwangerschapsvergiftiging en moet aspirine gaan slikken, hoewel dat waarschijnlijk geen zin meer heeft. Verder is er weinig aan te doen. Behalve bidden natuurlijk. We schrijven een mail aan iedereen die dicht bij ons staat met uitleg en gebedsvraag. Ik maak maaltijden om in te vriezen, regel oppasadressen en lees alles wat ik kan vinden over couveusekinderen. Want met 24 weken mag ik weer langs komen voor een groei-echo. Zolang ze blijft groeien, kom ik wekelijks op controle. Als ze niet meer groeit, word ik opgenomen en moet ze waarschijnlijk snel geboren worden. Met alle risico’s vandien.

Ik neem rust ook al zeiden ze dat het geen zin heeft. Ik doe alleen nog het allerbelangrijkste in huis en met de kinderen en verder niets. Ik wil geen spijt krijgen dat ik er niet alles aan heb gedaan om mijn kindje te laten groeien. Ik snuif de geur van de lente, de belofte van nieuw leven. Ik maak elke beweging van mijn kleine meisje zo bewust mogelijk mee. Achteraf is het haar laatste levensmaand.

En nu, twee jaar later, loop en fiets ik weer door lentegeuren. Gisteren nog met mijn hele, niet hele gezin. We gaan gezellig samen eten bij Happietaria en hebben echt plezier. De kinderen zijn blij met een week vakantie en wij zijn blij dat we weer wat ondernemen na een slopend weekje griep.

Daar zit ik dan, met man en vier kinderen. Pijn vlamt op. Ik moet alle zeilen bij zetten om er niet aan te denken, maar voel nog eens extra aan het armbandje met haar naam om mijn pols. Ik voel me kinderachtig en vermaan mezelf: ‘Kom op zeg. Je bent rijk. Je hebt vier grote kinderen om je heen, die met elkaar lachen en stoeien en gekheid uithalen. Die met elkaar omgaan en van elkaar houden, zelfs als een van hen juist nu duidelijke beperkingen laat zien.’

Het lukt aardig. Maar steeds komt er weer een golf van pijn opzetten, terwijl ik lach met mijn dochter die zo duidelijk ouder is geworden en zich al bijna student voelt, net als het vrijwillige personeel dat ons bedient. Ik ben trots op mijn viertal en echt blij met hen. Ik realiseer me dat dit de onomkeerbaarheid is waarmee ik moet leven. Ik kom altijd een kind tekort. Hoe vol mijn tafel ook is. Hoe vol mijn hart ook is met liefde voor deze vier. Ik mis tegelijk mijn vijfde verschrikkelijk en de pijn is net zo hevig als de blijdschap en de dankbaarheid. Het is een ingewikkelde cocktail van emoties. Maar we moeten en komen ook deze laatste maand van het tweede jaar door.

Terug bij af

We zijn weer terug bij af. Zo voelt het tenminste. Maar het is niet zo.
Maar toch voelt het zo.

We zijn weer terug bij af. Twee jaar geleden waren we vol blijde verwachting. En we vroegen ons af waar het kleintje moest slapen. Wat de andere kinderen nodig hadden. Kind voor kind bespraken we. En we kwamen op een plan dat waarschijnlijk voor alle vijf het beste was. Er kwam een aparte babykamer. Twee kinderen kwamen bij elkaar op de kamer. En de andere twee kregen elk een eigen kamer op zolder. We begonnen na de kerstdagen al met de verhuizing, zodat we in de meivakantie, mocht het zo niet blijken te werken, de boel nog konden veranderen.

Twee maanden later werd ze ineens al geboren. Veel te vroeg. In maart. Terwijl ze al in de volgende wereld was, kwam ze in deze wereld. Wat een geluk bij een ongeluk dat we er al zo vroeg bij waren geweest en de kamers al omgegooid waren. Dat er een babykamer was waar de wieg kon staan, waar we haar op konden baren, bekijken, vasthouden.

Na de begrafenis werd dit kamertje een plek om bij haar stil te staan. Om even te huilen. Even het gevoel te hebben dat we dicht bij haar konden zijn. Het was fijn om zo’n plek te hebben en ieder van ons ging er zo nu en dan even naartoe.

Maar als je vier levende kinderen hebt en vier slaapkamers te verdelen, is het op een gegeven moment tijd om elk kind weer een eigen kamer te geven, vonden wij. En dus ruimden we een jaar geleden in de tijd tussen kerst en oud en nieuw de kamer van Amanda op.

En het was goed. Het is fijn dat elk van onze kinderen hier een eigen plek heeft en Amanda heeft geen eigen kamer nodig. En wij hadden die kamer ook niet perse nodig al was het moeilijk om er afstand van te doen omdat het voelde alsof we opnieuw afstand van haar deden.

Afgelopen jaar bleek het nodig om de kamers nogmaals opnieuw in te delen en afgelopen dagen, opnieuw na kerst, hebben we dat gedaan. Nu is het weer bijna hetzelfde als voordat Amanda er was. En vandaag, nu het meeste werk gedaan is, besef ik pas hoeveel verdriet me het eigenlijk doet. Naast dat het ook gewoon oudejaarsdag is, we de kerstdagen hebben gehad en het gewoon zo incompleet blijft voelen om ‘gezellig met z’n allen’ kerst en oud en nieuw te vieren.

We zijn weer terug bij af. Ons huis is weer zo’n beetje zoals het was voordat Amanda kwam. Elk kind heeft een eigen kamer. Een plek die bij hem of haar past. Waar het zich kan ontwikkelen, terug kan trekken, op kan laden. En het is goed en het is niet goed. Het is goed omdat het hopelijk de kinderen ten goede komt. Maar ik voel me zo gebroken en verdrietig. Eigenlijk nam ik op de een of andere manier weer een beetje meer afscheid van dat kleine meisje dat we zo verschrikkelijk missen.

Als ik Amanda zo mis, dan ga ik meestal maar weer bidden. Omdat God weet hoe het met haar gaat. Omdat hij dichtbij haar is. En omdat ik niet meer voor haar kan bidden zoals ik dat voor mijn andere kinderen doe (ze heeft per slot van rekening ook dat niet meer nodig), zei ik: “dank U wel dat ze het fijner heeft dan waar ook ter wereld. Dat het zo ontzettend goed met haar gaat”. En ik bedenk me nu pas: “dat zij haar eigen kamer eigenlijk ook al heeft”.

Hmm. Misschien zijn we toch niet zo terug bij af als het voelt. We zijn natuurlijk sowieso verder gegaan en niet teruggegaan, maar dit gaat dieper al vind ik het moeilijk te accepteren: Misschien zijn we nu wel ieder precies waar we zijn moeten, op dit moment in time and space.

Het is oudejaarsdag vandaag. Vanavond gaan we weer danken voor het afgelopen jaar en bidden voor het nieuwe. Ieder van ons heeft dingen opgeschreven en vanavond gaan we het met elkaar doornemen, herinneringen ophalen en het nieuwe jaar en onszelf in Gods handen leggen. Daarna steken we weer vuurwerk af en wensen we elkaar gelukkig nieuwjaar. Ik vond het vorig jaar vreselijk moeilijk en vandaag zie ik er eigenlijk ook heel erg tegenop. Omdat zij er weer niet bij is en ik niet met een peuter op mijn arm voor het raam zal staan kijken dit jaar.

Vorig jaar bedacht ik me tijdens het kijken naar het vuurwerk: zou ze het kunnen zien? Is dat iets waar we allebei van zullen genieten? Ik weet het niet en ik verzucht: Heer, doet U Amanda alstublieft de groeten. Ik hou van haar en ik mis haar. En doordat zij hier geweest is, zijn we in elk geval niet terug bij af. Maar we gaan gewoon maar weer verder. Ieder op zijn eigen plek.

De stilte doorbreken

‘Hoe oud zijn je kinderen?’ vroeg een vriendelijke vrouw die ik nog niet kende op een verjaardag. Ik slikte, dacht even na, en besloot de waarheid te vertellen: ‘15, 13, 11, 9 en de jongste is overleden.’ Het was even stil. Toen vroeg ze: ‘Joh, hoe oud zou die geweest zijn?’ Opgelucht en dankbaar antwoordde ik: ‘Anderhalf’. ‘Sjonge, wat erg’, zei ze. Ik zei: ‘ja he. Inderdaad.’ Het was weer even stil. We wisten allebei niet zo goed wat we nog meer moesten zeggen. En vervolgens praatten we verder over andere dingen.

Soms reageren mensen zo fijn op wat zo vreselijk is. Soms mag het verdriet en je kind er gewoon zijn. Kun je het er gewoon over hebben als je dat zou willen. Want het is nou eenmaal zo. Haar niet benoemen neemt de realiteit van haar afwezigheid niet weg. Het verdriet, haar plek in ons gezin, het feit dat we nu een anderhalf jaar oude peuter bij ons hadden gehad als ze wel was blijven leven, dat allemaal: het ís er gewoon. Als je dat niet erkent, of verzwijgt ‘omdat je niet weet wat je moet zeggen’ (dat weet ik ook niet!) dan negeer je een wezenlijk deel van wie wij nu zijn.

Benoemen
Ik heb gemerkt dat het een wereld van verschil maakt of Amanda genoemd wordt of niet. Als ze genoemd wordt, erkend wordt dat ook zij bij ons hoort, dan kunnen we behoorlijk ontspannen ergens zijn. Dan kunnen we ook lachen en genieten, want we kunnen eventueel ook huilen. Maar het tegenovergestelde is helaas ook het geval. Het is net alsof je, als je het gevoel hebt dat je haar niet mag noemen en niet eventueel mag huilen, dat je dan ook niet kunt lachen. Je moet dan eigenlijk alle gevoelens onderdrukken, want stel dat je toch moet huilen. En dit heeft tot gevolg dat ik er op sommige verjaardagen of bijeenkomsten wat apathisch bij zit, als ik het al kan opbrengen om te komen.

Hoeveel kinderen heb je?
Noem je je kindje of niet? Het is een vraag die regelmatig door rouwende moeders wordt gesteld. En we worden vindingrijk in hoe we recht doen aan het bestaan van onze overleden kindje(s) zonder het het achterste van onze tong te laten zien. Zo zeg ik bijvoorbeeld: ‘ik heb vier kinderen in huis rondlopen’. Voorlopig werkt dat, want mijn kinderen wonen allemaal nog thuis. Of: ‘ik heb hier vier kinderen’. Ik denk niet dat ik ooit kan zeggen: ik heb vier kinderen. Want dat is niet zo. Ik heb er vijf. Ik kan mijn nu-weer-jongste ook niet als mijn jongste zien en noem hem ook niet zo. Want dat is hij niet. Hij is misschien mijn jongste hier, maar mijn jongste is niet meer hier.

Verzwijgen
Soms zeggen mensen tegen ons dat we het maar beter niet moeten zeggen: dat we een kindje zijn verloren, want dat geeft anderen zo’n ongemakkelijk gevoel. Ik heb soms begrijpend ‘ja’ geknikt. Want ik, die altijd en overal teveel rekening probeer te houden met iedereen, dacht: ja, daar zit wat in. Totdat ik besefte dat het aan me bleef knagen. Want wacht eens even, het geeft de ánder een ongemakkelijk gevoel? Voor hoe lang eigenlijk? Een paar minuten? Misschien een dag? Is dat eigenlijk zo erg? Het ís toch ook gewoon hoogst ongemakkelijk? En jij hebt daar maar even last van. Wij moeten er elke dag mee leven.

Als ik haar verzwijg, dan doe ik meer dan de ander sparen. Ik negeer een deel van wie ik ben. Ik negeer dat ik moeder ben van vijf kinderen en dat ik zo vaak aan haar denk en haar zo mis. Het voelt als verraad tegenover haar, en ook tegenover mijn kinderen en mijn man. Want zij hebben nog een zusje. Hij heeft drie dochters. En we zijn zo trots op haar. Zo blij dat ze hier geweest is. Daarom zijn we ook zo verdrietig.

Stil verdriet
Bovendien sterven er heel veel baby’s rondom de geboorte en is er veel stil verdriet om stille baby’s. Als ik mijn kleine Amanda benoem, hoor ik vaak een verhaal terug over andere vrouwen die ook hun kindje verloren. Veel oudere vrouwen rouwen in stilte om hun dode kinderen. Maar door het te verzwijgen, werd hun verdriet niet minder. En ik merk dat door te vertellen over mijn kleine meisje, er ruimte komt voor anderen om te vertellen over hun kleine kinderen.

Daarom denk ik dat je beter iets dan niets kunt zeggen als je weet dat iemand nog een kindje heeft dat niet meer leeft. Misschien kun je zelfs wel helpen door mensen te laten praten, te laten huilen, zodat het meer en meer verweven wordt in hun leven en ze júist kunnen lachen, omdat ze ook mogen huilen.

Ga er niet vanuit dat wij er zelf over beginnen. Misschien hebben we wel het gevoel dat dat niet mag. Maar vraag naar onze kinderen. Noem hun namen. Erken hun bestaan. En laten we vooral samen huilen én lachen.

beeld van zeven

Oktober is pregnancy and infant loss awareness month las ik op Facebook. Tijdens het schrijven van deze blog, realiseerde ik me dat deze blog daar eigenlijk heel goed bij past. Wil je meer weten over hoe je er kunt zijn voor rouwende moeders in jouw omgeving, ook als ze al veel ouder zijn, of worstel je zelf met verlies van een kindje, kijk dan eens op: www.stillelevens.nl.
En natuurlijk mag je mij ook persoonlijk benaderen.

Welkom heten

‘Eerst moet je welkom heten. Want als je niet welkom heet, kun je geen afscheid nemen.’ Deze wijze en geruststellende woorden hoorden we vandaag anderhalf jaar geleden, toen we voor het eerst van ons leven een uitvaartverzorgster op bezoek kregen. Iemand die gespecialiseerd was in baby-uitvaarten nog wel.

Het was de Stille Tussendag. De dag na de Dag van Afschuw, toen we ontdekten dat onze dochter was overleden en we dat nieuws aan onze kinderen en ouders moesten gaan brengen terwijl we zelf niet eens konden bevatten wat dit betekende. En de dag voor de Dag van Verwondering, waarop we haar voor het eerst en bijna ook meteen voor het laatst ontmoetten en ontdekten dat je in zo verschrikkelijk veel verdriet ook zo dankbaar en blij kon zijn.

Op deze Stille Tussendag zaten we ons met een misselijk gevoel af te vragen hoe dat zou zijn, een dode baby baren. Gelukkig wist de uitvaartbegeleider waar ze het over had. Ze was zelf bevallen van een overleden kindje en, hoewel het ons allemaal nogal luguber voorkwam, wist ze ons in duidelijke taal voor te bereiden op wat er zou komen. Ze vertelde ons hoe het lichaampje eruit zou kunnen zien, waar we op moesten letten en hoe we voor haar lichaam konden zorgen.

Dat we voor haar lichaam konden zorgen. Wat een geruststelling was dat eigenlijk. Er viel toch nog iets te doen behalve bevallen. We konden haar welkom heten en we konden haar lichaam met zorg behandelen. Ik vond het nog steeds doodeng en ik voelde me zenuwachtig. Het idee dat ik een wandelend graf was, bleef maar in mijn gedachten komen. En dat ik geen leven ga schenken aan een kind, maar toch moet gaan bevallen. Maar ook daar kwam de uitvaartbegeleider over te spreken: ‘Je kunt haar niet meer het leven geven’, zei ze, ‘maar je kunt haar nog wel op de wereld zetten’.

Deze woorden gaven me perspectief. En moederkracht: Welkom heten. Lichaam verzorgen. Op de wereld zetten. Dat klinkt beter dan: Een dode baby baren. Voor niets pijn lijden. Een begrafenis voorbereiden. Wat zijn woorden toch krachtig. Wat zijn woorden belangrijk. Een goed gekozen woord kan zoveel goede dingen uitwerken, zoveel hoop geven en zelfs kracht als alles uitzichtloos lijkt. En slecht gekozen woorden (met goede bedoelingen, daar ben ik van overtuigd), die we helaas ook nogal eens hebben moeten incasseren, kunnen zoveel stuk maken, je op jezelf terugwerpen en laten verzinken in eenzaamheid.

De nachten tussen de Dag van Afschuw en de Dag van Verwondering heb ik nauwelijks geslapen. Hoe mooi en duidelijk de woorden ook waren, ik voelde me ondertussen wél een wandelend graf. Het kind in mij leefde niet meer. En ik moest nog steeds wél een dode baby baren. Het kindje moest geboren worden en ik zag er meer dan tegenop. Ik wilde er onderuit komen. En ik bad om kracht, om vrede, om alles om te kunnen doen wat ze zei: heet haar eerst maar welkom. Het afscheid nemen komt daarna al snel genoeg.

En we hebben het gedaan. Moeten doen. Morgen anderhalf jaar geleden werd ze geboren. Onze derde dochter, ons vijfde kind. Susan Amanda Marsman. Kleine gewenste lelie. Ze was al overleden. Maar toch heetten we haar welkom. Lieten we haar aan onze kinderen, ouders, zusjes en beste vriendinnen zien. Dit is ze. Onze dochter. We kregen kraambezoek, we waren vader en moeder geworden. Het was een week waarvan ik me bijna iedere minuut herinner. We beleefden, doorleefden, overdachten alles zo intens. En steeds zaten we weer bij haar wiegje, namen haar in onze handen, bekeken haar, verwelkomden haar en gaven haar in gebed terug aan God.

Het welkom heten helde al snel over naar afscheid nemen. Het was duidelijk dat we haar niet hier konden houden. En na vijf dagen kwam het definitieve moment, deden we de deksel van haar mandje dicht en gingen we het moeilijkste doen wat we ooit hebben gedaan.

Ik wou soms dat ik in een Oosters land was opgegroeid, waar je mag jammeren en jammeren tot het irritant wordt en dan nog steeds mag doorjammeren. Nu stonden we daar, (redelijk) nuchtere Hollanders met stille tranen over onze wangen en zachtjes snotterend, roerloos maar te staan. Bij het graf van ons kind. Toen welkom heten, definitief afscheid nemen geworden was. En wij voorgoed veranderd verder moesten leven nadat we haar, nu anderhalf jaar geleden, voor een kort moment welkom geheten hadden.

DSCF7750

Foto gemaakt door Ruth van den IJssel, van Ima Afscheidszorg

Weer naar school 2

Ineens staat het weer levensgroot voor me. Ik kan er niet omheen, maar probeer uit alle macht te doen alsof er niets aan de hand is. Ik zie moeders met baby’s en peuters. Ze zijn samen met mij op het schoolplein om grote broer en/of zus naar school te brengen. Ik voel pijn opvlammen en kijk snel de andere kant op terwijl ik de school binnenloop. En hoe schattig het dreumesje ook is dat ik daarna op de trap tegenkom, hoe dol ik ook ben op kinderen, op dit moment kan ik het niet opbrengen dit kindje wat aandacht te geven.

Ik loop langs moeder en kind de trap op zonder naar ze te kijken en richt me alleen op mijn eigen kind. Als ik mijn kinderen weggebracht heb, loop ik in mijn eentje naar huis en voel me leeg en meer alleen dan eerst. Ik loop daar zonder dreumes aan de hand of in de buggy. De eerste paar dagen lukt het me nog om dit gevoel snel weg te duwen. Er waren nog middelbare scholieren in mijn huis toen ik thuis kwam. Maar na een paar dagen moest ik hen ook uitzwaaien. Zonder kind op mijn arm.

Ik had er niet op gerekend dat ik me opnieuw zo zou voelen. Dat het gemis weer zo pijnlijk op de voorgrond zou komen. Ik weet er niet zo goed raad mee en ga maar snel aan het werk. Er is genoeg te doen. Ik heb allerlei nieuwe taken op me genomen waar ik graag aan werk en die ik niet was gaan doen als Amanda wel was blijven leven. Sommige dingen doe ik zelfs juist omdat ik haar verloor, zoals helpen bij een groep met lotgenoten. En bloggen.

Maar wat voelt dit allemaal leeg. En wat knaagt die leegte eigenlijk voortdurend, al is het meestal op de achtergrond. Ik realiseer me dat ik eigenlijk intens naar haar verlang. En dat het dus zo is dat ze er niet is. Dat ik een kindje heb gekregen, maar dat ik niets voor haar en niets met haar kan doen. Ze is hier echt niet meer. En dat besef is elke keer en nu opnieuw zo pijnlijk. En omdat het zo’n pijn doet en ik er gewoon helemaal niets mee kan, ga ik maar weer aan de slag.

Ik loop naar huis en kom opnieuw iemand tegen, met een peuter op zijn nek. Ik voel een steek van jaloezie en tranen branden achter mijn ogen. In mij schreeuwt: ik had je tegemoet moeten lopen met míjn peutertje, maar ik loop hier alleen. Zonder kind op de arm, zonder kind in de buggy en ook zonder kindje in mijn buik, want ik ben tot ons verdriet nog niet opnieuw zwanger geworden.

Dus hier zit ik dan weer. In ons lege huis. De tranen stromen eindelijk weer eens vrij over mijn wangen en ik besef opnieuw dat mensen ertoe doen. Hoe groot of hoe klein ze ook waren. Sommigen van ons moeten het verlies in zich opnemen van een geliefde die hier rond de negentig jaar mocht zijn. Anderen, zoals ik, hebben niet eens de kans gehad hun kind echt te leren kennen.

Maar al deze mensen, hoe oud of hoe jong ook, hebben betekenis omdat wij ze hebben liefgehad. Rouw is liefde die je niet kwijt kunt en al heb ik nieuwe dingen gevonden om mijn tijd en aandacht aan te schenken, al blijven er nog steeds vier kinderen die mijn aandacht nodig hebben, toch is daar nog steeds ook die diepe liefde voor dit ene specifieke kleine prachtige meisje dat enkel leefde in mijn buik. En ik mis haar. Mijn God, wat mis ik haar. Ik bid steeds vaker of God haar de groeten wil doen. En ben opnieuw verrast dat ik zulke dingen doe sinds haar overlijden. Het helpt een beetje.

Nu de kinderen weer naar school zijn, moet ik opnieuw wennen aan het lege huis, ook al is alles precies hetzelfde als voordat de zomervakantie begon. Ik moet opnieuw wennen aan een leven met enkel grote kinderen die naar school zijn en werk dat op me ligt te wachten. Ze zou nu zo ongeveer hebben kunnen lopen. We zouden samen de kinderen naar school hebben gebracht en weer rustig naar huis zijn gewandeld terwijl zij oog zou hebben gehad voor elk detail op de stoep, en ik haar stap voor stap zou leren functioneren op deze wereld.

Maar ik liep alleen naar huis en werd overvallen door een diep gemis, een intense pijn. Ik ga ermee naar God toe en het stelt me gerust dat het nu zo goed met haar gaat en op de beste plek is. Maar het gemis blijft wel bestaan, doet pijn, en ik moet er nog steeds mee leren leven. Ik weet eigenlijk nog steeds niet precies hoe dat moet. Dus ga maar weer aan het werk.

Volmaakte weg

gebroken hart beeld

Gisteren speelde en zong ik in de kerk. Ik vind dat heerlijk om te doen, maar met sommige liedjes heb ik het moeilijk. Zoals ‘Good, good Father’ dat we deze keer zongen. Ik vind dat een mooi, maar pijnlijk lied, zeker sinds Amanda overleden is.

You are perfect in all of Your ways.
You are perfect in all of your ways.
You are perfect in all of your ways to us.

Ik stond ’s ochtends op tijd op om tijd met God te hebben. Dat doe ik op de meeste ochtenden: ik sta vroeg op en ga naar beneden. Terwijl de kinderen nog slapen of op hun kamer lezen/spelen, zet ik koffie en ga zitten om de bijbel te lezen, erover na te denken en te bidden. Een tijdlang kostte me dit enorm veel moeite, maar inmiddels is het de fijnste tijd van de dag, hoewel het vaak ook pijnlijk confronterend is.

Ik heb net Job twee keer helemaal gelezen, met heel andere ogen. Vroeger las ik het als een verhaal over iemand die net als ik heel ziek was. Het grommen van de pijn klinkt er duidelijk in door en ik herkende dat. Maar nu zie ik ineens de vader die rouwt om zijn kinderen. Ik voel en zie de pijn die ik nu ook ken. De diepe pijn van het verlies van een kind. Een pijn die nog steeds met geen pen te beschrijven is.

Inmiddels ben ik bij de Psalmen aangekomen en ik ben zo dankbaar dat daarin, net als in Job, zoveel uitroepen van wanhoop te vinden zijn. Dat mag dus: je pijn, je rauwe aanklachten: “God! Waar bent U?!”, al je ellende voor de voeten gooien van je Schepper. Hij kan het aan. Hij voelt zich niet bedreigd of beledigd door mijn emoties.

Ik begon er ooit een liedje over:

Bij U ben ik thuis, kan ik rustig ademhalen.
Bij U ben ik veilig, U kent me door en door.
Bij U ben ik thuis, kan ik rustig ademhalen, gewoon mezelf zijn.
U bent vertrouwd met al mijn wegen.
Er is niets dat U verbaast, niets dat U verrast.

Verder dan dit geschrijf kwam ik destijds niet, maar het melodietje kwam weer in mijn hoofd toen ik de Psalmen las. Misschien komt dat lied er nog wel een keer. Want hoe belangrijk is dit eigenlijk wel niet! Dat je weet dat je met al je pijn, boosheid, bitterheid, ellende, naar God toe kan gaan. Ik ben er dankbaar voor. De boosheid zit zo diep in mijn hart. Ik ben eigenlijk zo onwijs boos om wat er is gebeurd. Eerst jaren wachten voordat ik eindelijk zwanger ben. Dan ontdekken dat het niet goed gaat met mijn kindje en vervolgens ontdekken dat ze overleden is. Gaandeweg heeft een deel van mij er vrede mee gekregen. Want het gaat goed met Amanda en dat is wat ik wil. Maar daarnaast is er ook iets afgescheurd, schijnbaar onherstelbaar beschadigd in mijn hart.

De tijd heelt alle wonden, zeggen ze. Maar ik merk er nog niets van. Nog steeds lijkt mijn verdriet eerder groter dan kleiner te worden en een beetje wanhopig vroeg ik een lieve vrouw uit mijn kerk, die tien jaar geleden haar pasgeboren zoontje moest begraven: “Wordt het ooit minder? Die diepe scherpe pijn?” En ik wijs naar een plek in de buurt van mijn hart en zij wijst naar precies dezelfde plek op haar lichaam en zegt: “Nee. Het doet nog steeds zóveel pijn. Misschien neemt God de pijn ook wel niet weg, maar Hij gaat er wel zijn weg mee.”

Ik had het er met mijn man over op een dag dat ik ineens weer heel veel moest huilen -wat ik gelukkig niet meer dagelijks doe. Ik zei: “ik dacht eigenlijk dat het zoiets was als het breken van je arm. Dat doet onwijs zeer en dan, nadat het is gezet en het gips eromheen zit, zeurt dat nog een aantal dagen flink, maar na verloop van tijd geneest het en is vaak het bot sterker dan voorheen. Zo voelt het helemaal niet. Ik mis haar eigenlijk altijd. Ze is meestal niet op de voorgrond, maar juist op de achtergrond zo afwezig aanwezig.”

“Ja,” zegt mijn man. “Je moet het ook niet vergelijken met het breken van je arm maar met amputatie.”

Nu heb ik lichamelijke amputatie zelf niet meegemaakt, dus ik wil voorzichtig zijn. Als jij dit wel meemaakte: reageer alsjeblieft als ik de plank missla. Ik stel me voor dat als je arm is afgezet, je zeker verder kunt leven, maar ook dagelijks meermalen tegen je gemis aanloopt. Je kunt functioneren, bent creatief, vindt manieren om te compenseren voor je ontbrekende arm, maar je voelt ook het gemis, ziet bij anderen twee functionerende armen, wat je soms jaloers maakt en je zou willen dat je weer gewoon piano, gitaar, fluit of whatever kon spelen, kon koken, kon tennissen, of wat je anderen ook maar met twee armen ziet doen. En soms, bij veranderende weersomstandigheden, bepaalde herinneringen of een botsing met een ander persoon of een keukenkastje, steekt ook lichamelijk die pijn weer de kop op. Net zo heftig als in het begin.

Als dit ongeveer klopt, dan voelt het verlies van ons kleine meisje inderdaad als amputatie. Ik leer ermee leven. Ik kan functioneren. Ik geniet op sommige momenten bewust intenser omdat ik weet hoe kwetsbaar het leven is. Maar die diepe scherpe pijn is niet verdwenen, steekt op ongewenste momenten de kop op. En ik denk dat ik dan maar gewoon moet doen wat de mensen deden die de Psalmen schreven: het uitschreeuwen naar God. Eerlijk zijn over wat ik voel en ondertussen proclameren wat ik diep in mijn hart wel weet, ook al doe ik het nu nog mopperend en moet ik er een drempel van tegenzin voor over: You are perfect in all of Your ways.

Of, zoals ik laatst bij een bruiloft moest zingen, omdat het bruidspaar dat lied had uitgekozen: Heer ik wil Uw liefde loven, al begrijpt mijn ziel U niet. Zalig hij, die durft geloven, ook wanneer het oog niet ziet. Schijnen mij uw wegen duister, zie ik vraag U niet: waarom? Eenmaal zie ik al uw luister, als ik in Uw hemel kom! Met daarbij de kanttekening dat ik dus wél vraag waarom, omdat ik lees dat Job dat doet en David dat doet, en omdat die vraag nou eenmaal in mijn hart leeft en ik eerlijk wil blijven. Toch is dat toevertrouwen aan God, ook al begrijp je er niets van, alleen mogelijk als ik geloof dat Zijn weg uiteindelijk de beste is.

Het leven mag dan verre van perfect zijn en mijn leven gebutst, gebroken en krom. Als Zijn wegen perfect zijn, dan leiden ze ergens heen. En dan is het echt waar: bij U ben ik veilig, kan ik rustig ademhalen. Dus lees ik nog maar een Psalm en voel de pijn en de vreugde en ontdek dat dit is wat mij mens maakt. Broken but real. En met een anker in de God die volmaakt is in Zijn weg met mij, ook al voelt dat helemaal niet zo.

Op de foto bovenaan deze blog zie je een beeld van de artiest Albert György. Het beeld staat in Zwitserland, bij Lake Geneva. De foto werd de afgelopen weken op diverse Facebookpagina’s geplaatst in het kader van ‘bereaved parents month’ en het beeld raakte me enorm.