20 weken

For English click here

20 weken geleden. We gingen met verontruste gedachten en gevoelens naar het ziekenhuis voor een controle-echo. We wisten dat de baby een groei-achterstand had en dat dat waarschijnlijk kwam door een niet goed werkende placenta. Ik was aspirine gaan slikken, ben heel rustig aan gaan doen en heb bewust genoten van elke beweging die ik voelde. Vrijdags had ik haar nog krachtig gevoeld, toen ik pianoles had.

Zaterdags hadden we een begrafenis. Een lieve vriend van vroeger was overleden en ik voelde me onbestemd. Ik kwam er andere oude vrienden tegen en vertelde vol trots dat ik zwanger was. Een vriendin zei nog: dood en nieuw leven. En zo voelde het ook. Ik was blij met nieuw leven in mij en zo verdrietig om de dood van deze lieve vader van jonge kinderen. En toch was ik er niet gerust op. Ik had de week ervoor een vreemde drang gekregen om alles klaar te maken. Ik had al prematuurkleertjes gekocht en gezorgd dat de wieg klaar stond en de bekleding weer tevoorschijn was gehaald.

En toen kwam die maandag, nu precies 20 weken geleden. Ik had bijna niet geslapen omdat ik zo zenuwachtig was. We hadden zoveel gebeden dat ze zou groeien, dat ze veilig kon blijven zitten in mijn buik tot ze groot genoeg was om geboren te worden. Mijn man was ook ontzettend nerveus. Ik voel me alsof ik een heel belangrijk examen moet doen, zei hij. Ik vond het fijn om er zo samen in te zitten, maar ik voelde me er ook nog nerveuzer door.

En toen de echo. Doodse stilte. Letterlijk. Schrik om mijn hart. Ongeloof en zeker weten tegelijk. Nee! God, nee! Heer, dit kan toch niet? En tegelijk weten dat het echt zo is. Heer, help, wat nu? Hoe vertel ik dit aan mijn kinderen? Kan ons huwelijk dit aan? We hebben al zo vreselijk veel meegemaakt en wonderlijk overwonnen. Zullen wij het redden? En hoe moet ik ooit bevallen van een dode baby? Wat staat ons allemaal te wachten?

En nu zijn we 20 weken verder. We moesten hier doorheen, of we nu wilden of niet. We maakten keuzes. We zouden de ander laten rouwen op hun manier, ruimte geven om te praten of te zwijgen, te huilen of juist niet. We zouden onszelf zijn en eerlijk zijn en nee, God voelde niet dichtbij. We hebben geen idee hoe dit kon gebeuren en weten niet precies hoe we verder moeten. Nog steeds reageren we soms op manieren die we niet kennen van onszelf of van de ander. Nog steeds worden we soms overspoeld door een golf van verdriet en zelden tegelijkertijd.

En toch, als ik nu terugkijk en zie hoe elke week anders was, andere gevoelens bij mij boven bracht en hoe ik worstelde met God en Zijn beloften die niet leken te gelden voor Amanda, toch kan ik nu zeggen dat Hij mij geen seconde alleen gelaten heeft. Ik voelde Hem niet. Mijn verdriet was te groot. Maar ik ging er niet aan onderdoor. Ik ben er nog. Ik loop nog, al val ik onderweg regelmatig. Ik stond weer op en besloot terug te denken aan de momenten dat ik het wél zeker wist. Ik heb steeds weer gebeden: God, laat me zien dat U er bent. U kent mij toch. U weet dat ik U wil vinden, maar het lukt me niet, ik vind de rust niet om gewoon te zitten en te wachten.

En Hij heeft het gedaan! Op talloze manieren. Door een appje van iemand, een kaart, een mailtje, een lied, een bijbeltekst, een gedachte, een herinnering, iets wat ik ergens ineens las of hoorde. Al die dingen samen geven me nu een besef dat ik niet allen gelaten ben. Hij heeft mij niet losgelaten. Ik hoorde vorige week een lied van de band Lev en nu kan ik het meezingen:

Als er niets meer klopt, klopt het hart van God. God die overwint, Hij is met ons. Dus laat de hoop niet los. Los van wat er komt, komt er redding, want God is met ons.

 

Eeuwig leven

For English click here

Vandaag was ik weer even bij het grafje van mijn dochtertje. Op de fiets naar de begraafplaats drong weer even die bizarre werkelijkheid tot mij door dat ze echt mijn kindje is, mijn baby. En dat ze daar ligt, onder de grond.

Van de week stuurde iemand me een foto van haar baby’tje, een leeftijdgenootje van mijn dochter. Ineens werd het verlies veel concreter. Eerst leefde ik naar de uitgerekende datum toe, de tijd waarin ze geboren had moeten worden. Nu weet ik niet waar ik naartoe moet leven; kan ik niet meer zeggen: als die datum nou maar voorbij is, dan…

Eerst was het het gemis van de baby in mijn buik, nu is het het gemis van de baby die in mijn armen had moeten liggen, in de armen van mijn man, mijn grotere kinderen. Bij haar opa’s en oma’s en tantes en ooms en neefjes en nichtjes.
Dit is een nieuwe soort pijn en ik weet er nog niet zo goed raad mee. Ook hier moet ik mijn weg in vinden, moet ik mee leren leven.

‘Begraafplaats sluit om 17:00’ staat er op het bord bij de ingang. Ik denk terug aan die keer dat ik naar haar grafje wilde en de begraafplaats dicht was en ik paniek voelde opkomen. Ik kan niet bij mijn dochter komen. Hoe bestaat het dat je niet bij je eigen kind mag zijn, dacht ik en terwijl ik terug naar huis fietste corrigeerde ik mijn gedachtegang. Het is alleen haar lichaam dat daar ligt. Amanda zelf is er niet meer. Niet meer hier.

Ik kniel neer bij het graf, haal onkruid weg, maak het weer netjes. Ik laat mijn tranen even de vrije loop en besef dat het inderdaad een nieuwe laag is. Op deze manier huilde ik nog niet eerder. Ik bid zachtjes tot mijn God. Help me alstublieft, help me dit verlies te dragen en er echt doorheen te gaan. En laat me zien dat er een eind komt aan dit diepe dal vol schaduw van de dood.

De zon breekt door en warmt mijn rug. Het voelt als een knipoog. En de woorden in mijn hoofd zijn die van een geliefd lied uit mijn jeugd dat ik toevallig van de week weer hoorde: ‘de dood is tenietgedaan, Jezus is opgestaan, Jezus, de leeuw van Juda overwon de dood.’
En ik herinner me de woorden die iemand mij vanmorgen appte: God is je Heer! Hij zal niet loslaten of toestaan dat je hier aan onderdoor gaat. Met Hem kom je er doorheen en je zult samen met Hem en Amanda eeuwig leven!!!!

Ik kan weer even verder

Verblijd u

For English, click here

Deze week las ik elke dag een andere psalm (met behulp van het boekje over Psalmen van Derek Prince). Het viel me op dat deze psalmen steeds beginnen met: ‘Loof de Heer’. En dat er vaak opgeroepen wordt om blijde liederen te zingen. Ik vind het moeilijk. Loof de Heer? Blij zijn? Ik worstel met verdriet en boosheid. Mijn kind is dood! En tegelijk voelt het vertrouwd en logisch. Als God God is, is Hij toch onze lof waard?

En nu lees ik Filippenzen 4:4-9, omdat het over die tekst gaat in ‘Our Daily Bread’, het bijbels dagboekje dat ik altijd gebruik. “Verblijd u altijd in de Heere; ik zeg het opnieuw: Verblijd u.” Weer is mijn eerste reactie protest. Verblijden? Ik wil helemaal niet blij zijn en me al helemaal niet verblijden, geen blijde gedachten toelaten.

Het is onze trouwtekst, Filippenzen 4:4-9. Toen we trouwden, waren er dingen waar we niet blij mee waren. Ik was chronisch ziek zonder zicht op verbetering. Ik kon amper lopen, steeds minder met mijn handen doen en had altijd pijn. Het lukte maar moeizaam om mijn studie af te ronden. Psychisch zat ik best wel in de knoop. Maar toch vonden we dat er ook veel was om blij over te zijn. We hadden elkaar gevonden en zagen een toekomst samen zitten. We kenden God al bleek dat we Hem nog veel beter zouden leren kennen in de loop van de jaren. We waren dankbaar en wilden dankbaar blijven, wat er ook gebeurt.

En vandaag, precies vier maanden na de geboorte van onze levenloze dochter, ons vijfde kindje, lees ik opnieuw deze tekst. Verblijd u. En: wees in geen ding bezorgd, maar laat uw verlangens in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God en de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaken in Christus Jezus.

En het ís zo, weet je. Daar word ik de laatste weken steeds opnieuw bij bepaald. Het is zo dat er een vrede is die alle begrip te boven gaat. Ik heb die vrede ervaren toen ik dat ongelofelijk moeilijke moest doen: een dood kindje baren. Ik heb die vrede ervaren toen ik met mijn kleine dochtertje in mijn handen zat en me verwonderde over hoe mooi ze was. Verdriet en verwondering en blijdschap en boosheid, maar in dat alles toch vrede.

Is dat misschien het verblijden waar het hier om gaat? Niet dat je blij bent met wat er gebeurt of staat te gebeuren. Maar door te kijken naar wat mooi en goed is, je te verheugen in een goede God? Toen ik mijn meisje zag, was ik een en al verwondering en trots. Ik kon zien dat ze zorgvuldig door God geschapen was, ook al was haar leven in mijn ogen veel en veel te kort. Ik was blij dat Hij zoveel aandacht aan haar besteed had, nageltjes, haartjes, oogjes, ribbetjes, voetjes, ze was zo compleet en perfect. Als ik daar aan denk, heb ik toch wat reden om blij te zijn. Of, ik moet het anders zeggen: Door daaraan te denken, verblijd ik mij.