Love with no place to go

You have to face it. At some point you need to cry hard, instead of running away from your emotions. I am so aware of this and at the same time so not capable of doing it. So here I am. I sit down, try to write, try to let you know how I feel so I can feel as well. I write in English this time since some of my dear friends do not understand Dutch at all and some of them are in as much pain as I am at this very moment.

Where I am right now really is a valley and it seems darker then it was before. I miss my baby girl like crazy. My body still longs to hold her, feed her, protect her, cherish her. It is a very soft and tender feeling and so very painful at the same time. I have this special love for my other children as well and I came to realize how wonderful it is to give it to them. But there also is this love towards Amanda and she isn’t here to receive it.

I’ve never been aware of this before she was born. I discovered that as a mother you need your child just as much as she needs you.
I mean, I was aware of a baby desperately needing his or her mum and dad. And when you have a child, you know you are happy to give yourself to him or her – most of the time. But when my baby was born still, I found out that I needed her just as much. At that very moment, new love was born and it was only hers to receive.

I remember that when I had my fourth child, I was so afraid that I couldn’t love him as much as I loved my other children. Who is capable of loving four children the same with deep and sacrificial love? I found out however when giving birth to that precious boy that my heart grew larger, and new love was born, especially for him. Apparently you can love four children with real parental love.

When I gave birth to my fifth child it happened again. Though we knew she had died before she was born, that moment that she came into the world, both our hearts flooded with love, compassion, a willingness to sacrifice, nourish, cherish and protect this precious child.

And then reality kicks in. You find yourself having this love and feelings, but no place, no soul to pour it into. She didn’t need it anymore. She didn’t need you.

The last few days words from a song came to my mind over and over again. I have listened to it a hundred times the last few months. It’s comforting to know that I am not the only one feeling this way right now:

There were photographs I wanted to take
Things I wanted to show you
Sing sweet lullabies,
wipe your teary eyes
Who could love you like this?

People say that I am brave but I’m not
Truth is I’m barely hanging on

But there’s a greater story
Written long before me
Because He loves you like this

So I will carry you
While your heart beats here
Long beyond the empty cradle
Through the coming years

I will carry you
All my life
And I will praise the One
Who’s chosen me
To carry you

Such a short time
Such a long road
All this madness
But I know
That the silence
Has brought me to His voice

And He says
I’ve shown her photographs of time beginning
Walked her through the parted seas
Angel lullabies,
no more teary eyes
Who could love her like this?

I will carry you
While your heart beats here
Long beyond the empty cradle
Through the coming years
I will carry you
All your life
And I will praise the One
Who’s chosen Me
To carry you

I will carry you from Selah)

Weer naar school

For English click here

De kinderen gaan weer naar school. Bij mij starten ze allemaal een groep of klas hoger. Wat worden ze gróót. Wat worden ze zelfstandig. Zoals ze ieder op hun eigen manier bezig zijn de wereld te begrijpen, grijpen, veroveren. Het ontroert me elk jaar opnieuw.

Ik fietste in mn eentje naar huis. Wat later zwaaide ik de oudsten in mn eentje uit. Hoe anders had ik me dat voorgesteld voor dit nieuwe schooljaar.

Ze zou met me mee in de bakfiets. Samen met mij haar grootste broer en zus uitzwaaien. Ik zou zeker niet alle tijd van de wereld hebben, zoals nu. Wat is de stilte dan stil en de leegte leeg.

Ga met je lege armen en je verdriet naar God toe, drukte iemand me op het hart. Waarom is dat toch steeds zo moeilijk? Omdat ik daarmee accepteer dat de zaken zijn zoals ze zijn en ik dat moeilijk vind, soms zelfs koppig weersta?

Ik zat vandaag flarden liedtekst over te schrijven in mijn ‘hookbook’ waarin ik bruikbare zinnen noteer om er misschien ooit een lied over te schrijven. Ik had heel wat kladblaadjes verzameld en vond dit refreintje:

Don’t want to go there
Don’t want to feel
Just want to run somewhere
But I know it’s time to heal.

Het raakte me.
Ik weet niet meer waarom ik het destijds opschreef, maar het beschrijft precies waar ik me nu bevind. Als ik naar God ga, kan ik genezing, troost, voor mijn ziel ontvangen. Maar het betekent ook dat ik moet voelen wat ik voel. Dat ik erken wat er zich in mij roert en de tranen huil die nog te huilen zijn. En het betekent loslaten, ruimte geven. Als ik mijn verdriet aan Hem geef, kan Hij er iets mee doen. En soms wil ik dat nog even niet. Wil ik vasthouden aan het verlangen naar Amanda in de box op de plek die ik had bedacht. Al weet ik dat dat niet meer gaat gebeuren.

Don’t want to go there
Don’t want to feel
Just want to run somewhere
But I know it’s time to heal

Verdriet of zelfmedelijden

For English click here

Geen maxi cosi nodig. Morgen gaan we naar een familieverjaardag toe. Plotseling realiseer ik me dat dit er ook bij hoort. Dat je dan naar een feestje gaat en je kindje niet mee kunt nemen.

Ik blijk zo mijn ideeën en verwachtingen te hebben gehad over hoe het zou zijn met haar erbij. En herinneringen aan hoe het was met mijn andere kinderen komen bovendrijven: Trotse opa en oma, ooms en tantes en nu zijn er ook een neefje en nichtjes, die waren er toen ik mijn andere baby’s kreeg nog niet. Het is zo leuk om te zien hoe kinderen omgaan met een kleine baby.

En gewoon, voeden, tutten, kroelen, knuffelen. Ik mis het zo. Ik mis haar zo.

Het ging een paar dagen lang zo goed met mij! Afgelopen zondag zei een spreker in de kerk tegen me dat ik God moet danken dat ze bij Hem is. Dat haar zoveel lijden bespaard blijft. Dat ze geen keuze hoefde te maken. Dat het heel goed met haar gaat. En ik deed het. Ik dankte God ervoor en ik meende het ook. Ik ging heel wat lichter uit die kerk weg.

Ik had een armbandje met haar naam gemaakt en droeg het elke dag, tot het vorige week stuk ging. Ik had de neiging om in huilen uit te barsten, vond mezelf kinderachtig, maar ging toch op zoek naar een zilveren naambandje op internet. Na zondag had ik die behoefte niet meer. Ik had rust gekregen en kon accepteren dat ze nu bij Hem is en dat ik voor het oog van de wereld vier kinderen heb en geen vijf.

Tot vandaag. Nu is die drang er weer, het verlangen naar iets tastbaars, iets wat zichtbaar is, iets waardoor ik niet het gevoel heb dat ik haar moet negeren of ontkennen. Iets wat mij helpt te accepteren dat ik vijf min één kinderen heb.

Is het zelfmedelijden of verdriet? Ik weet het niet precies. Zelfmedelijden ligt steeds op de loer en daar wil ik niet in zwelgen. Verdriet – rouw – is liefde die je niet kwijt kunt. Dat is normaal, goed, misschien zelfs mooi. Maar waar ligt de grens tussen die twee?

Ik ga maar weer eens op haar kamertje zitten en huil even flink. Nee, laat ik eerlijk zijn. Eerst appte ik mijn man, toen at ik chocola en daarna herinnerde ik me pas dat ik hiermee ook naar God toe zou kunnen gaan en zocht ik even de eenzaamheid op.

Ik laat mijn tranen toe en ga naar God toe met de verwarring, het verdriet en ook met mijn zelfmedelijden.

Ik realiseer me weer dat het ok is wat is voel, dat ik haar mis, dat ze gewenst was en kostbaar en uniek. En terwijl ik alles aan God vertel, merk ik dat ik nieuwe rust van Hem krijg. Al gaat de maxi cosi niet mee morgen.

Je huilt nooit alleen

For English, click here

Je huilt nooit alleen. De woorden sloegen in als een bom. ‘Ons gebroken hart breekt altijd Gods hart in tweeën. Je huilt nooit alleen.’[i] Zoals vaker met de berichten en boeken van Ann Voskamp, weten haar woorden diep tot me door te dringen.

Ik worstel met dingen die gebeuren, keer op keer op keer op keer: ‘Ze zijn uit elkaar’. ‘Hij is opgenomen en het gaat niet beter’. ‘De kanker is terug’. En, nog niet zo lang geleden: ‘Het spijt me heel erg, maar uw kindje is overleden’.

Koud om mijn hart. Misselijk. Totale apathie strijdt met totale wanhoop en omdat ik niet kan kiezen, schiet ik in ‘freeze’ zoals mijn kinderen zeggen als ze teveel ijs hebben doorgeslikt. Hoe kom ik hieruit. Wat is de oplossing. Vertel me wat ik moet doen. Maar er is niets wat iemand of ikzelf kan doen. Het is te groot. Dus zit ik maar, voel me verslagen. Ik zoek naar woorden, een oplossing, een strategie om ermee om te gaan.

Vroeger, als ik weer eens geopereerd moest worden, deed ik alsof ik ergens anders was totdat het beter ging. Ik schoot in een stand van: ik ben er even niet, zeg het me als je klaar bent en ik weer ‘normaal’ kan doen. En op een bepaald moment was het weer voorbij. Daarna was je beter, of niet, werd je nog een keer geopereerd, maar er zat een zekere vooruitgang in. Dat werkt niet altijd. Een scheiding is definitief. De dood is definitief. Sommige ziektes gaan niet over en sommige situaties gaan niet voorbij.

En dan moet je accepteren, rouwen, een nieuwe weg vinden. Maar je huilt nooit alleen. ‘Wie kan weten waarom God toestaat dat je hart breekt, maar toch moet het antwoord belangrijk genoeg zijn omdat God zijn hart ook liet breken.’[ii] Het is niet te bevatten en ik snap het ook nu nog steeds niet. Mensen hebben het al vaak tegen me gezegd de afgelopen maanden: God huilt met je mee. Ik denk daar vaak aan, maar op dit moment kan ik er nog niet zoveel mee.

En toch geloof ik ergens wel dat het waar is. Ik snap niet wat er gebeurt. Dat mensen door zulke vreselijke verliezen, behandelingen of jarenlange trajecten moeten gaan. Dat wij ons kindje zijn verloren. Maar ik huil niet alleen. Een aparte vorm van troost. Je zou willen dat de situatie gewoon veranderde. Dat de relatie herstelt, de ziekte of gedragsstoornis verdwijnt, het kindje levend wordt. Maar dat gebeurt vaak niet.

Misschien kwam Hij niet om ons leven gemakkelijker te maken. Misschien kwam Hij om met ons mee te leven, het ons te helpen dragen. Hij heeft zelf ook oneindig geleden. God verloor Zijn eigen kind aan de dood. Hij begrijpt ons. Hij kent ons. Ergens staat er in de bijbel dat Hij onze tranen opvangt. Dat er geen enkele traan onopgemerkt blijft. Dat troost me wel echt, moet ik zeggen. En in dat opzicht is het al waar: je huilt dus nooit alleen.

[i] Ann Voskamp: Gebroken leven. Franeker, 2016, p. 52      [ii] Id.

20 weken

For English click here

20 weken geleden. We gingen met verontruste gedachten en gevoelens naar het ziekenhuis voor een controle-echo. We wisten dat de baby een groei-achterstand had en dat dat waarschijnlijk kwam door een niet goed werkende placenta. Ik was aspirine gaan slikken, ben heel rustig aan gaan doen en heb bewust genoten van elke beweging die ik voelde. Vrijdags had ik haar nog krachtig gevoeld, toen ik pianoles had.

Zaterdags hadden we een begrafenis. Een lieve vriend van vroeger was overleden en ik voelde me onbestemd. Ik kwam er andere oude vrienden tegen en vertelde vol trots dat ik zwanger was. Een vriendin zei nog: dood en nieuw leven. En zo voelde het ook. Ik was blij met nieuw leven in mij en zo verdrietig om de dood van deze lieve vader van jonge kinderen. En toch was ik er niet gerust op. Ik had de week ervoor een vreemde drang gekregen om alles klaar te maken. Ik had al prematuurkleertjes gekocht en gezorgd dat de wieg klaar stond en de bekleding weer tevoorschijn was gehaald.

En toen kwam die maandag, nu precies 20 weken geleden. Ik had bijna niet geslapen omdat ik zo zenuwachtig was. We hadden zoveel gebeden dat ze zou groeien, dat ze veilig kon blijven zitten in mijn buik tot ze groot genoeg was om geboren te worden. Mijn man was ook ontzettend nerveus. Ik voel me alsof ik een heel belangrijk examen moet doen, zei hij. Ik vond het fijn om er zo samen in te zitten, maar ik voelde me er ook nog nerveuzer door.

En toen de echo. Doodse stilte. Letterlijk. Schrik om mijn hart. Ongeloof en zeker weten tegelijk. Nee! God, nee! Heer, dit kan toch niet? En tegelijk weten dat het echt zo is. Heer, help, wat nu? Hoe vertel ik dit aan mijn kinderen? Kan ons huwelijk dit aan? We hebben al zo vreselijk veel meegemaakt en wonderlijk overwonnen. Zullen wij het redden? En hoe moet ik ooit bevallen van een dode baby? Wat staat ons allemaal te wachten?

En nu zijn we 20 weken verder. We moesten hier doorheen, of we nu wilden of niet. We maakten keuzes. We zouden de ander laten rouwen op hun manier, ruimte geven om te praten of te zwijgen, te huilen of juist niet. We zouden onszelf zijn en eerlijk zijn en nee, God voelde niet dichtbij. We hebben geen idee hoe dit kon gebeuren en weten niet precies hoe we verder moeten. Nog steeds reageren we soms op manieren die we niet kennen van onszelf of van de ander. Nog steeds worden we soms overspoeld door een golf van verdriet en zelden tegelijkertijd.

En toch, als ik nu terugkijk en zie hoe elke week anders was, andere gevoelens bij mij boven bracht en hoe ik worstelde met God en Zijn beloften die niet leken te gelden voor Amanda, toch kan ik nu zeggen dat Hij mij geen seconde alleen gelaten heeft. Ik voelde Hem niet. Mijn verdriet was te groot. Maar ik ging er niet aan onderdoor. Ik ben er nog. Ik loop nog, al val ik onderweg regelmatig. Ik stond weer op en besloot terug te denken aan de momenten dat ik het wél zeker wist. Ik heb steeds weer gebeden: God, laat me zien dat U er bent. U kent mij toch. U weet dat ik U wil vinden, maar het lukt me niet, ik vind de rust niet om gewoon te zitten en te wachten.

En Hij heeft het gedaan! Op talloze manieren. Door een appje van iemand, een kaart, een mailtje, een lied, een bijbeltekst, een gedachte, een herinnering, iets wat ik ergens ineens las of hoorde. Al die dingen samen geven me nu een besef dat ik niet allen gelaten ben. Hij heeft mij niet losgelaten. Ik hoorde vorige week een lied van de band Lev en nu kan ik het meezingen:

Als er niets meer klopt, klopt het hart van God. God die overwint, Hij is met ons. Dus laat de hoop niet los. Los van wat er komt, komt er redding, want God is met ons.

 

Eeuwig leven

For English click here

Vandaag was ik weer even bij het grafje van mijn dochtertje. Op de fiets naar de begraafplaats drong weer even die bizarre werkelijkheid tot mij door dat ze echt mijn kindje is, mijn baby. En dat ze daar ligt, onder de grond.

Van de week stuurde iemand me een foto van haar baby’tje, een leeftijdgenootje van mijn dochter. Ineens werd het verlies veel concreter. Eerst leefde ik naar de uitgerekende datum toe, de tijd waarin ze geboren had moeten worden. Nu weet ik niet waar ik naartoe moet leven; kan ik niet meer zeggen: als die datum nou maar voorbij is, dan…

Eerst was het het gemis van de baby in mijn buik, nu is het het gemis van de baby die in mijn armen had moeten liggen, in de armen van mijn man, mijn grotere kinderen. Bij haar opa’s en oma’s en tantes en ooms en neefjes en nichtjes.
Dit is een nieuwe soort pijn en ik weet er nog niet zo goed raad mee. Ook hier moet ik mijn weg in vinden, moet ik mee leren leven.

‘Begraafplaats sluit om 17:00’ staat er op het bord bij de ingang. Ik denk terug aan die keer dat ik naar haar grafje wilde en de begraafplaats dicht was en ik paniek voelde opkomen. Ik kan niet bij mijn dochter komen. Hoe bestaat het dat je niet bij je eigen kind mag zijn, dacht ik en terwijl ik terug naar huis fietste corrigeerde ik mijn gedachtegang. Het is alleen haar lichaam dat daar ligt. Amanda zelf is er niet meer. Niet meer hier.

Ik kniel neer bij het graf, haal onkruid weg, maak het weer netjes. Ik laat mijn tranen even de vrije loop en besef dat het inderdaad een nieuwe laag is. Op deze manier huilde ik nog niet eerder. Ik bid zachtjes tot mijn God. Help me alstublieft, help me dit verlies te dragen en er echt doorheen te gaan. En laat me zien dat er een eind komt aan dit diepe dal vol schaduw van de dood.

De zon breekt door en warmt mijn rug. Het voelt als een knipoog. En de woorden in mijn hoofd zijn die van een geliefd lied uit mijn jeugd dat ik toevallig van de week weer hoorde: ‘de dood is tenietgedaan, Jezus is opgestaan, Jezus, de leeuw van Juda overwon de dood.’
En ik herinner me de woorden die iemand mij vanmorgen appte: God is je Heer! Hij zal niet loslaten of toestaan dat je hier aan onderdoor gaat. Met Hem kom je er doorheen en je zult samen met Hem en Amanda eeuwig leven!!!!

Ik kan weer even verder

Verblijd u

For English, click here

Deze week las ik elke dag een andere psalm (met behulp van het boekje over Psalmen van Derek Prince). Het viel me op dat deze psalmen steeds beginnen met: ‘Loof de Heer’. En dat er vaak opgeroepen wordt om blijde liederen te zingen. Ik vind het moeilijk. Loof de Heer? Blij zijn? Ik worstel met verdriet en boosheid. Mijn kind is dood! En tegelijk voelt het vertrouwd en logisch. Als God God is, is Hij toch onze lof waard?

En nu lees ik Filippenzen 4:4-9, omdat het over die tekst gaat in ‘Our Daily Bread’, het bijbels dagboekje dat ik altijd gebruik. “Verblijd u altijd in de Heere; ik zeg het opnieuw: Verblijd u.” Weer is mijn eerste reactie protest. Verblijden? Ik wil helemaal niet blij zijn en me al helemaal niet verblijden, geen blijde gedachten toelaten.

Het is onze trouwtekst, Filippenzen 4:4-9. Toen we trouwden, waren er dingen waar we niet blij mee waren. Ik was chronisch ziek zonder zicht op verbetering. Ik kon amper lopen, steeds minder met mijn handen doen en had altijd pijn. Het lukte maar moeizaam om mijn studie af te ronden. Psychisch zat ik best wel in de knoop. Maar toch vonden we dat er ook veel was om blij over te zijn. We hadden elkaar gevonden en zagen een toekomst samen zitten. We kenden God al bleek dat we Hem nog veel beter zouden leren kennen in de loop van de jaren. We waren dankbaar en wilden dankbaar blijven, wat er ook gebeurt.

En vandaag, precies vier maanden na de geboorte van onze levenloze dochter, ons vijfde kindje, lees ik opnieuw deze tekst. Verblijd u. En: wees in geen ding bezorgd, maar laat uw verlangens in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God en de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaken in Christus Jezus.

En het ís zo, weet je. Daar word ik de laatste weken steeds opnieuw bij bepaald. Het is zo dat er een vrede is die alle begrip te boven gaat. Ik heb die vrede ervaren toen ik dat ongelofelijk moeilijke moest doen: een dood kindje baren. Ik heb die vrede ervaren toen ik met mijn kleine dochtertje in mijn handen zat en me verwonderde over hoe mooi ze was. Verdriet en verwondering en blijdschap en boosheid, maar in dat alles toch vrede.

Is dat misschien het verblijden waar het hier om gaat? Niet dat je blij bent met wat er gebeurt of staat te gebeuren. Maar door te kijken naar wat mooi en goed is, je te verheugen in een goede God? Toen ik mijn meisje zag, was ik een en al verwondering en trots. Ik kon zien dat ze zorgvuldig door God geschapen was, ook al was haar leven in mijn ogen veel en veel te kort. Ik was blij dat Hij zoveel aandacht aan haar besteed had, nageltjes, haartjes, oogjes, ribbetjes, voetjes, ze was zo compleet en perfect. Als ik daar aan denk, heb ik toch wat reden om blij te zijn. Of, ik moet het anders zeggen: Door daaraan te denken, verblijd ik mij.