Kwijt

Een oude man, ouder dan mijn eigen ouders, geeft zichzelf. Op het podium van Carré. Voor de zeshonderdste keer, blijkt even later.

Mijn dochter had een intensieve, gedenkwaardige dag achter de rug en komt bij me zitten. Ze voelt zich wat verloren, vol en knuffelig. Ik zoek in de opnames van de tv en vind een uitzending van een optreden van Herman van Veen. Perfect om even samen bij na te genieten. Lief en Zoon ploffen erbij en in no time zijn we in de ban van een virtuoze, muzikale, poëtische oude man.

Na afloop rennen ze naar boven en ga ook ik over tot de orde van de avond. Maar vanmorgen, toen ik de dag begon, voelde ik het gewicht van zijn woorden weer. Woorden die zo intens mooi weergeven hoe ik me voelde acht jaar geleden. Hoe ik me soms voel nu, als ik ook mijn schoonmoeder mis:

Niets lijkt te helpen als je alleen maar verdriet voelt. ‘Niets helpt op dat moment. Geen troost, geen God, geen tijd.’ Troost is iets wat een klank is, een woord, een concept, een ding, mijlenver van jou verwijderd. Geen idee wat het is. Geen idee hoe je het zou kunnen grijpen. En ja, dat gold ook voor God voor mij in die tijd. Zoals zelfs C.S. Lewis zei toen hij rouwde om zijn vrouw:

‘Ondertussen, waar is God? Dat is een van de meest verontrustende symptomen […] Maar ga eens tot Hem als je Hem wanhopig nodig hebt, als alle andere hulp tevergeefs is. Wat vind je dan? Een deur, die voor je neus dichtgeslagen wordt en binnen het schuivende geluid van een grendel, een dubbele grendel. Daarna stilte. Je kan evengoed weggaan. Hoe langer je wacht, hoe dreigender de stilte wordt. Er is geen licht in de vensters. Het huis kan wel onbewoond zijn. Heeft er wel ooit iemand gewoond? Zo leek het soms ja.’ (C.S. Lewis, Verdriet, dood en geloof, Franeker, 1989, p.9)

Zo leek het soms inderdaad. Ook voor mij, toen. Hij zal er wel zijn. Maar als je in zo’n diep donker gat zit, kan je er niet bij. Klamp je je vast aan anderen die geloven, bidden, doorgaan met leven. Voor jou. Namens jou. Misschien. Totdat het jou weer lukt. Misschien.

Ooit.

Voor mij kwam dat moment weer. Ergens leek troost, God, tijd, weer aangenamer aanwezig. Al kan ik troost nog steeds moeilijk duiden. Wat dat is, hoe dat voelt, ik weet het niet precies.

Niets helpt op dat moment van desolaat verdriet. Geen troost, geen God, geen tijd. Er is enkel dat: desolaat verdriet.

Nu weet ik dat dat normaal is. En zeg ik als mensen zich angstig afvragen of de ander niet al te erg verdrietig is: laat ze toch. Heb toch wat meer geloof. Geloof in God, geloof in mensen. Als je iemand verliest van wie je zielsveel houdt, kun je niet zomaar troost aannemen, God ervaren, tijd besteden.

Je kunt alleen maar zijn.

In de tijd.

In Gods aanwezigheid.

Die er wel is en was en zal zijn.

Of je het nu voelt of niet.

Foto door Francesco Ungaro op Pexels.com

Het lied Kwijt is geschreven door: Hermannus J. Herman Van Veen, Edith Leerkes, Marnix Dorrestein. De opname die ik zag, vind je hier.

Ontdek meer van Ineke

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie