Gelovig Rouwen Leven Liefhebben
‘… bloedverdunners.’ Ik ving een flard van het gesprek op. Ik kwam er net bij zitten omdat we even zouden vergaderen. Ik wist dat wie het zei zwanger was en een extra controle kreeg. Maar ik was ineens ver weg. In de apotheek. Terug in de tijd.
‘Wilt u voor een week of voor drie maanden?’ vroeg de assistent. Er was geen bewijs dat het nog zin had. Je moest het in het begin van je zwangerschap gebruiken. Ik had altijd een extreem lage bloeddruk als ik zwanger was dus er was nooit reden om hiermee te beginnen. Ook nu was mijn bloeddruk niet hoog. Nog niet. Er waren wel andere symptomen van zwangerschapsvergiftiging en ons ongeboren dochtertje was te klein. Veel te klein,
Dus ben ik in de apotheek om bloedverdunnend spul op te halen. Ik kies drie maanden. Altijd hoop houden. Uitgaan van het beste scenario. Ik ga naar huis en slik de eerste dosis. Ik hoop en bid dat het iets uitricht. Baat het niet dan schaadt het niet.
Vanuit de verte hoor ik in het nu de aanstaande moeder zeggen hoe haar eerdere zwangerschap verliep. Ik houd me in. Een zwangere vrouw vertellen van mijn overleden baby vind ik geen goed idee. Zwak uitgedrukt.
Dan zegt ze dat het bij haar vriendin wel fout is gegaan. ‘Bij mij ook,’ flap ik uit en voel mijn keel dik en mijn wangen nat worden. Het diepe verdriet heeft een weg gevonden en staat onaangekondigd pontificaal in de vergaderruimte. Niet alleen ik, maar ook de mensen met wie ik bijeen ben kunnen er niet omheen.
Verdriet speelt een grote rol in dit gesprek. Dat was niet de bedoeling en heeft niets te maken met het doel van deze bijeenkomst. Toch is het er. Uitgesproken. Verwoord. Daardoor is het niet meer van alleen van mij, maar van de groep. Dat hadden we net geleerd.
Als je benoemt wat er zich onder de oppervlakte in mensen bevindt en er taal aan geeft, wordt het van iedereen. Dan is het belangrijk om wie het inbrengt niet alleen te laten staan. ‘Wie herkent dit?’ vraagt iemand daarom. Iedereen begint te knikken. Ze hebben gelukkig geen overleden kind, maar herkennen wel verdriet en pijn. Dat het leven kwetsbaar is, de angst en zorg en betrokkenheid.
Ik zie opnieuw wat mijn verlies bij anderen oproept en herinner me wat ik in verschillende bronnen las tijdens de research voor mijn boek. We vinden praten over de dood vaak ongemakkelijk want het confronteert ons met wat we het liefst negeren. Dat in een moment je leven totaal kan veranderen. Maar nu lag het onderwerp in de vorm van mijn verdriet op tafel. Groots en veelomvattend door dat ene woord.
Bloedverdunners.
Taal is machtig. Het kan hele werelden tevoorschijn roepen. Ook een sluimerende wereld die er toch altijd is, want mijn overleden kind is nooit ver weg. Realiseer ik me nu ook zelf, want soms voelt het alsof ze geen rol meer speelt.
Maar haar dna zit in mijn lijf. Mijn Lief verzorgt haar graf. In onze harten is haar afdruk aanwezig en regelmatig voelbaar. Mijn jongstlevende was vorige week jarig en hij is de jongste in huis, maar niet onze jongste. Hij is de vierde, zij de jongste. Haar plek in ons gezin blijft bestaan.
De aanstaande moeder vraagt: ‘heeft ze een naam?’ Ik juich haast: ‘Ja! Amanda.’ Ik wil haar bijna een knuffel geven. Zo dankbaar ben ik dat het er kon en mocht zijn. En dat zij er weer even was ondanks de tranen. Amanda.

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.