Foto’s

Ik ben de foto-albums aan het bijwerken. Deze week plakte ik voor de derde keer de foto in van toen ze hoorden dat ze een broertje of zusje kregen. De blijdschap en het enthousiasme spat ervan af naast bordjes met beschuit met muisjes. We krijgen een baby! Wetend hoe fout dit allemaal zou aflopen, schrijf ik erbij hoe het kind voor wie dit album is reageerde en vraag me af waarom ik dit ook alweer doe.

Ik voel woede groeien. Dit was dus niet waar we voor gingen. Kijk nou hoe enthousiast ze zijn. Ze krijgen andere kamers om ruimte te maken. Ze bereiden zich voor om dit kindje te verwelkomen. Wat keken we uit naar deze baby. Maar het is inmiddels drie jaar later. Ik weet al wat ons te wachten staat: een moeilijke vakantie in Duitsland waar de groeiachterstand van Zusje als het zwaard van Damocles boven ons hangt en kort daarna het vernietigende nieuws dat onze dochter stilletjes in mijn buik overleed.

2017 is gewoon een rotjaar. Het liefste sla ik dat jaar in alle albums over. We maakten minder foto’s in die tijd, maar op de foto’s die er zijn, lijkt rouw als een zware sluier over wat er zich afspeelt heen te liggen. Het voelt bijna nep om er leuke verhaaltjes bij te schrijven, maar ik weet dat het míjn woede, pijn en verdriet is, niet persé dat van hen. We probeerden er het beste van te maken en ze een fijne jeugd te geven terwijl we ondertussen ook wel weten wat de naam van deze website zegt: we zijn zo gebroken als wat en proberen echt te zijn. Kinderen voelen het haarfijn aan als er iets is dus je kunt maar beter eerlijk zijn.

Terwijl ik de foto’s inplak besef ik opnieuw dat dit níet was wat wij in gedachten hadden voor onze kinderen. In plaats van met een baby leren omgaan en later een eigenwijs peutertje, moesten we ze leren rouwen en leven met gemis. Dit maakt deel uit van ons gezinsleven, van hun jeugd. In mijn hoofd hoor ik Boudewijn de Groot over de zouteloze praatjes en besluit een liefdevol maar eerlijk verhaal te schrijven, hoeveel moeite het me ook kost. Dit hoort erbij.

Al heb ik in de loop van de tijd mijn ziel tot rust gebracht, zoals de bijbel dat zo mooi zegt en al zie ik wat voor moois ontstond uit alle ellende, toch sluimert nu toch die woede weer even en moet ik daar opnieuw een weg in vinden. Het is gewoon zo ontzettend stom om te moeten schrijven dat er een baby komt terwijl je weet dat die baby overleed en vervolgens foto’s inplakt van het strand waar de kinderen in het zand ‘Amanda’ hebben geschreven, omdat zij op dat moment thuis ligt opgebaard.

Vandaag is het voor de derde keer sinds die tijd Vaderdag. Ik schreef aan mijn Lief: ‘Wat ben ik trots op jou. Je bent een hele goede vader voor … (en schrijf de namen van onze levende kinderen) en van Amanda en een vaderlijke man voor zoveel anderen.’ Opnieuw borrelt de boosheid op die me deze weken overvalt. Je bént haar vader, maar je kunt geen vader voor haar zijn.

‘Ik ga even langs het graf’, zegt mijn Lief een paar uur later. Ik zat in de tuin wat te lezen. Ineens realiseer ik me dat hij hetzelfde voelt als ik en het voor mij tijd is om even te schrijven. Hij is voor altijd haar vader. Zij is voor altijd mijn dochter. Straks komen de oudste kinderen en gaan we barbecueën. Ik denk dat ik eerst maar eens even broken but real ga zijn bij de Vader van alle vaders. Want soms moet je eerst even stilstaan bij wat mist. Zodat je vervolgens kunt genieten van wat je hebt.

May the force be with you

Omdat ik vind dat mijn kinderen tenminste The Sound of Music, Forrest Gump en Dead Poets Society moeten hebben gezien in het kader van hun culturele opvoeding, en deze films niet perse het favoriete genre zijn van mijn Lief, opperde hij dat we dan nu ook wel eens Star Wars konden gaan kijken met zijn allen. Deze Coronatijd leent zich uitstekend voor lange filmavonden. Inmiddels hebben we zes episodes gezien. 

Waar mijn gezinsleden klaterend lachen om de vreemde wezens, moet ik vechten tegen walging terwijl ondertussen hun gelach als muziek in mijn oren klinkt. Toch vind ik deze films ook bijzonder interessant. Vanmorgen, toen we onze onlinekerkdienst aan het kijken waren (ik zou liever meebeleven willen zeggen, maar een onlinekerkdienst op de bank thuis is toch werkelijk wel arbeidsintensiever voor ouders dan ze in een gewone dienst samen met peers de dienst mee te laten doen), bedacht ik me dat ik nu begrijp waarom onze Starwarsfanvoorganger steeds zegt: ‘I am not going to say ‘may the force be with you’, but ‘may the Spirit guide and keep you’’ Waarmee hij dus steeds aan Star Wars refereert en de indruk wekt dat die films mij iets leren over de Heilige Geest.

Vandaag is het Pinksteren, het feest van de Heilige Geest. Ik denk dat je de Heilige Geest beter kunt vergelijken met Obi Wan Kenobi dan met the force en dat Yoda een paar diepe inzichten geeft over wat geloof is. Toch is zeggen ‘may the Spirit be with you’ met een knipoog naar de the force uit Star wars, helemaal zo gek nog niet, want net zoals Anakin, Obi Wan Kenobi, Yoda en Luke vechten met hun lichtzwaard en tappen uit the force, zo leren christenen de bijbel kennen als het zwaard van de Geest en proberen we te ‘leven uit de Geest’, wat betekent dat je leert luisteren naar de stem in je hart die je de weg wijst, net zoals Obi Wan Kenobi Luke op cruciale momenten de wijsheid en ideeën geeft die hij nodig heeft in zijn strijd tegen het kwaad.

Obi Wan Kenobi staat Luke bij, coacht en helpt hem om de juiste dingen te zien en te doen. Ik geloof niet dat het oké is om geesten op te roepen. Maar ik zie wel in hoe deze geest van Obi Wan Kenobi in beeld  wordt gebracht, een parallel met hoe de Heilige Geest in mijn geloof werkt. Hij leidt, troost, brengt je op ideeën, waarschuwt, vertelt soms iets over de toekomst. Heel persoonlijk. Niet als een force, een kracht, maar als een persoon, heel dichtbij.

Waar Obi Wan Kenobi en the force iets laten zien van het werk van de Heilige Geest in het leven van een christen, is Yoda een soort modelchristen. Er is een scene waarin Luke met behulp van de force zijn ruimteschip weer uit het water moet tillen. Hij gelooft dat het onmogelijk is, dus het gebeurt niet. Yoda doet uiteindelijk vaderlijk zuchtend en liefdevol voor hoe het moet en leert, net als de bijbel, dat er niets onmogelijk is voor wie gelooft. Ik vind het een confronterende scene. Want het is waar. Als ik zonder twijfel bid en me laat leiden door de Heilige Geest en spreek in geloof, gebeuren er onmogelijke dingen. Ik heb koorts zien verdwijnen, oren zien genezen, mensen zien kalmeren en vredig slapen, mensen die bang waren voor de dood, rustig zien sterven en nu ik erover nadenk en probeer wat dingen op te noemen, zie ik hoeveel de Heilige Geest eigenlijk in mijn leven doet.

Maar er gaan ook mensen dood. Er gaan ook dingen mis. De relaxte kijk van Yoda op die ‘casualties’ vond ik ook frappant. Hij zegt dat de dood bij het leven hoort en het niet altijd het belangrijkste om te voorkomen dat iemand sterft, maar wel dat iemand zijn ‘destiny’ vindt. Ik geloof dat je die vindt in Jezus volgen en je laten leiden door de Heilige Geest. Yoda is daar verder vaag over en als hij zelf sterft, gaat hij eeuwig slapen. Dat is niet hoe ik het zie. Als ik sterf, zal ik juist leven.   

Natuurlijk is een film gewoon een film, maar toch ben ik na het zien van deze Star Wars films vandaag weer met een frisse blik Pinksteren aan het vieren en zeg ik graag tegen jou: May the Spirit be with you. Ik wens je vrede, liefde, troost, moed, geloof en kracht. Vanavond Star Wars deel 7 denk ik.

Ik wil zien wat je zegt

Ze feliciteerde me met mijn verjaardag met een grappige foto van haarzelf. Zo leuk om haar te zien. Toen ik het even op me in liet werken, kreeg ik tranen in mijn ogen. Niet omdat zij op de foto stond, maar omdat ze een mondkapje draagt. En niet zo maar een mondkapje. Het heeft een venster en ik kan haar mond zien. Ze blijft zichtbaar. Ik voelde me zo dankbaar.

Er is iets met die mondkapjes. Ze geven me de kriebels en een wat angstig gevoel. Steeds als ik foto’s zie van mensen met die dingen op, of berichten lees dat ze hier misschien verplicht worden, voel ik lichte paniek en nu weet ik waarom.

Als jij een mondkapje draagt, raak ik nog meer geïsoleerd. Want als ik je mond niet zie, kan ik je niet goed verstaan. Ik moet kunnen zien wat je zegt want alleen horen is meestal niet genoeg.

Ik heb een onzichtbare handicap. Als je goed kijkt, kun je wel een hoortoestel zien zitten, maar verder merk je het niet aan mij. Het lukt me prima om te functioneren maar het gaat niet vanzelf. Ik heb zo mijn handigheidjes om mee te komen in de gewone horendenwereld en liplezen is daar de belangrijkste van. Precies dat maakt een mondkapje onmogelijk.

Dat mondkapjes een veilig gevoel geven en in een aantal situaties hoogstnoodzakelijk zijn, begrijp ik. Toch hoopte ik hevig dat ze verder niet gebruikt gingen worden in Nederland. Maar inmiddels worden ze in het openbaar vervoer verplicht en kom ik overal advertenties tegen die ze aanprijzen. We kunnen elkaar daardoor weer ontmoeten, maar ik voel me er juist geïsoleerder door.

Net als bij de tandarts. Hij draagt altijd zo’n ding en we kijken nooit erg naar elkaar uit, vermoed ik. Hij is sowieso wat moeilijk te verstaan, maar met een mondkapje kan ik niets maken van de geluidsstroom die mijn kant op komt. Ik heb mijn Lief vaak als vertaler mee genomen, maar dat kan niet altijd. Uiteindelijk vonden we een weg waarbij hij zijn kapje op en af doet: op als hij zijn taken uitvoert, af als hij iets vraagt of vertelt wat hij gaat doen. Ik ben blij met zijn begrip en manier van werken, al zal ik de volgende keer mijn Lief weer strikken, want het zal ook bij de tandarts nu wel anders gaan.

Maar het kan dus allebei. Een mondkapje opdoen én zichtbaar blijven. Ik ben hier zo blij mee en stel voor dat we allemaal voor dit model kiezen. Dus als je in het openbaar verstaanbaar wilt blijven, maar toch een mondkapje moet dragen, gebruik er dan een met een venster. Zodat ik (en vele andere onzichtbare doven en slechthorenden) kan zien wat je zegt.

anette

Mijn schoonzus Anette Polhuijs maakt en verkoopt de mondkapjes zelf. Voor meer info kun je haar mailen: Polhuisje72@gmail.com

Mother heart – een lied

Soms kun je beter iets bezingen dan beschrijven of uitleggen. Daarom vandaag een lied. Over moederharten en moederliefde.
(Vertaling van de tekst naar het Nederlands vind je onder de Engelse tekst)

This mother heart, created to cherish
To care and to comfort, those who are near her.
This mother heart, broken and fractured
In life’s circumstances, through loss and hurt

This mother love, strong as a lion
Fights like a tiger to shield what’s hers
This mother love, scattered, expanded
To lavish the ones that love her loved ones

Night and night, kneeling down
Bringing all before the Lord
Surrendering dreams and fears
Acknowledging He’s in control

This mother heart was never abandoned
But tender reflecting the love of God
This mother heart, damaged and injured
Pictures the hurt of God wanting us

This mother love, always renewing
Through all the serving deepened and sure
This mother love, painful and glorious
Mirrors the deepness of Gods love for us

Vertaling:
Dit moederhart, geschapen om degenen om haar heen te koesteren, te zorgen en te troosten.
Dit moederhart, gebroken en beschadigd in de omstandigheden van het leven, door verlies en pijn.

Die moederliefde, sterk als een leeuw, vecht als een tijger om wat van haar is te beschermen
Die moederliefde, verbrijzeld, uitgebreid naar degenen die haar geliefden lief hebben.

Nacht en nacht, neergeknield, alles bij de Heer gebracht
Dromen en angsten overgegeven,
erkend dat Hij de controle heeft

Dit moederhart was nooit verlaten maar weerspiegeld kwetsbaar de liefde van God
Dit moederhart, beschadigd en gewond laat de pijn van God die naar ons verlangt zien

Die moederliefde, die zich altijd vernieuwd door het dienen verdiept en zeker
Die moederliefde, pijnlijk en glorieus, weerspiegelt de diepte van Gods liefde voor ons.

Niet alleen maar rouwen

‘Het lijkt wel alsof sommige mensen denken dat ik alleen maar aan het rouwen ben’, verzuchtte ik een tijdje geleden. ‘Vind je het gek?’ antwoordde mijn Lief. ‘Dat is toch ook waar je over schrijft.’

Het ging al vaker door mijn hoofd. Ik schrijf wel over andere dingen dan verdriet, maar dat komt op puurvandaag.nl of op Facebook terecht. Als je mij niet regelmatig spreekt en alleen de blogs op mijn eigen website leest, zou je kunnen denken dat ik vooral veel in zak en as zit.

Laatst vroeg iemand me vrij direct of ik wel kon accepteren dat mijn kindje er niet meer is en me kon richten op het leven nu. Het verbaasde en kwetste me, want als ik íets doe, dan is het wel keer op keer kiezen voor wat er nu is. In mijn hoofd begon ik al een verwoede discussie, maar al snel schreef ik een lange mail over hoe je los kunt laten en toch nog regelmatig overvallen kunt worden door verdriet. Over dat ik met mijn blogs verbinding zoek, in openheid en kwetsbaarheid.

Inmiddels ben ik blij dat deze persoon de moeite nam om me te bevragen. Het is vast niet de enige die zich afvraagt of ik alleen maar aan het rouwen ben. Ik wil op mijn website al veel langer over andere dingen schrijven, maar deed het niet omdat ik mensen die net een kindje zijn verloren er niet mee wilde lastigvallen. Inmiddels heb ik een oplossing gevonden. In het menu van mijn website kun je voortaan onder de knop ‘Amanda’ al mijn blogs over mijn weg door het land van rouw lezen. In de mails staat er bij blogs over rouw: ‘categorie: Amanda’.

Ik ben dus niet alleen aan het rouwen. Wel ontdekte ik de afgelopen drie jaar hoe ingrijpend het is om een kind te verliezen. Het gaat dieper dan ik had verwacht. Sommige mensen zeiden: ‘Ze is bij God, jij hebt hier nog wat te doen, dus je moet verder’. Ik beaamde dat, maar het lukte me niet om me er zomaar overheen te zetten en daardoor voelde ik me maandenlang minderwaardig, ongelovig en slecht. Ik wist niet hoe ik erover moest praten en dus ging ik schrijven, op zoek naar woorden om uit te leggen hoe rouwen voelt. Op zoek naar (h)erkenning en verbinding, want wat is rouwen eenzaam en wat kan het verlichting geven als je weet dat anderen meeleven en dingen herkennen.

Een paar maanden later las ik een interview met een dominee die preekte over geloof als het moeilijk is, vervolgens zijn kind verloor en daarna bleef preken. In dat interview vertelt hij dat hij nog elke dag huilt om zijn kind. Ik was zo blij dat hij dat zei en kon het me zo goed voorstellen. ‘Zie je wel?!’ dacht ik, ‘het is dus niet raar of gek’. Geloven dat je kind in de hemel is, maakt het gemis niet minder. Het stelt wel je hart gerust: mijn kind is veilig. Maar er blijft nog steeds een lege plek hier waar je mee moet leren leven.

Ik huil niet meer elke dag om mijn dochter, maar het gemis duikt nog wel onverwachts op, slaat als een golf over me heen. Dan sta ik weer te proesten en naar lucht te happen en probeer ik opnieuw mijn evenwicht te vinden. Op die momenten heb ik ruimte nodig om bij te komen, te verwerken en te begrijpen wat er gebeurt. Ik doe dat schrijvend. Omdat, zoals Jonathan Franzen dat zo treffend zegt: ‘Schrijven is het ordenen van je gedachten. Al schrijvend ontdek je wat je daarvoor hooguit vermoedde.’ Schrijvend ontdek ik wat er bij me leeft. Door het te delen, erken ik het en de reacties helpen me te zien dat ik niet gek ben en ook niet de enige.

Ik kan niet stoppen met van Amanda te houden en ben ook niet gestopt haar moeder te zijn. Ik geef niet letterlijk een-vijfde van mijn aandacht aan haar, maar vind het wel fijn om te schrijven over wat zij met ons doet en op die manier ruimte te geven aan wat zo geniepig omhoog kruipt op momenten dat ik daar helemaal niet op zit te wachten. Het betekent echter niet dat ik alleen maar aan het rouwen ben. Daarom schrijf ik sinds vorige week ook over andere dingen dan verdriet. Ik hoop dat je me blijft volgen!

Boksbal

‘Stomme mamma’
‘Je begrijpt het niet!’
‘Ik kan het niet!’
‘Bemoei je er niet mee!’

Op mijn tenen loop ik langs pratende laptops
in de hoop dat niemand me iets vraagt.
Ik hoor gezucht, gemopper, gemamma en gedram
en probeer het te negeren.
Mijn steevaste antwoord: ‘ik wacht tot je me iets vriendelijk vraagt’
komt me veel te vaak uit mijn mond.
Als emoties hoog oplopen, wordt beleefdheid kennelijk tijdelijk uitgeschakeld.

Gisteren voelde ik me net een gepest schoolkind toen ik voor de zoveelste keer een woede-uitbarsting over me heen kreeg.
‘Het is niet persoonlijk’, fluister ik tegen mezelf.
Het is niet op mij, maar op het schoolwerk gericht, en op de verwachtingen die niet eenduidig, gestructureerd en logisch worden gecommuniceerd en op teveel verschillende manieren.

Ik ben noodgedwongen conciërge, docent/juf en surveillant geworden, maar blijf daarnaast ook grootste fan, coach en verzorger.

Ik voel me een boksbal. Want waar ga je heen als je kind bent en iets niet snapt? Waar ga je heen als iets moeilijk is? Als je boos bent? Teleurgesteld? Als je je onrechtvaardig behandeld voelt? Als je met je eigen falen wordt geconfronteerd? Als je bang bent?
Precies.
Naar mamma.

‘Ja schat, ik heb inderdaad Nederlands gestudeerd. Maar nee, ik snap die cito’s ook niet’. Ik ben goed in het opsporen van meerduidigheid en die bevindt zich hier voor mijn ogen. Ik snap je, mijn kind.

‘Nee, het boeit me niet, de scheikundige samenstelling’, al ben ik blij met je enthousiasme en ‘nee, ik weet ook niet waarom de kahootquiz niet werkt en het is echt rot dat je nu die toets niet kunt maken, zeg’.
‘Ik denk dat je die docent maar wéér moet mailen.’
‘Heb je geen studiewijzer?’ ‘Staat het niet op ELO?’ ‘Heb je al in je mailbox gekeken?’
‘O, je moest er een verslag van schrijven!’ ‘O, je moest het opnemen!’ ‘O lieverd. Ja, dan moet je nog een keer 10 kilometer fietsen’. Ook de gymdocent wil bewijs.

Ik wil zelf een boksbal hebben. En ik wil terug naar mijn vorige positie. Die van een kopje thee en een koekje. Van veilige basis zijn van waaruit ze de wereld in gaan, of aan hun huiswerk kunnen beginnen. Van de woonkamer voor mezelf en dan piano, gitaar en dwarsfluit spelen, liedjes maken, verhalen schrijven en studeren.

Ik ben toe aan vakantie. Mijn kinderen ook. En ik ben niet de enige, want gisteren schreef ik uit bijna-wanhoop op Facebook: ‘Ik ben geen stomme mamma. Ik ben hooguit een stomme juf. En toe aan vakantie. Of een studiedag. Nog vier dagen…’

Ik bleek niet de enige te zijn. Vandaar dit blogje, en zoals we hier altijd zeggen als we iets echt stom en vervelend vinden maar ook wel weten dat het niet het einde van de wereld is: ‘Ik verdien de zieligheidsbokaal’. Voor boksbal zijn.

Cirkelzaag en krentenbrood

‘Ik leg mijn cijferlijst naast de prachtige orchideeën.’ Ik probeer de krant te lezen, maar de tomtomcomputervrouwenstem uit de laptop naast me dicteert mijn kind de zin die het moet typen voor het afsluitende dictee van deze week. Mijn brein vliegt alle kanten op. Een zin eerder was ik ook al erg afgeleid. Toen ging het over een inbreker die zich niet richtte op de cirkelzaag maar op krentenbrood. Ik weet niet wie die zinnen bedenkt, maar ik nomineer ze hierbij als thema’s voor verhalenwedstrijden.

Ik hoor in de zinnen terug waar mijn kind de afgelopen week mee worstelde. ‘De acteur gaat naar een vakantie-eiland vlakbij Australië.’ Trema’s en tussenstreepjes. Even later vraagt mijn kind hoe je reünie schrijft. Ik zeg dat het dat de afgelopen week geoefend heeft en de regels toe moet passen. Dat was niet wat het wilde horen. Ik zie tot mijn schrik google geopend worden, het woord opgezocht en correct genoteerd. Nou ja, dat is ook een manier om te leren hoe je woorden schrijft. Of is het een manier om te leren frauderen?

Het is een interessant gebeuren, dit thuisonderwijs. Ik leer mijn kinderen beter kennen, hun zwakke en sterke kanten, hun frustraties en hun kleine pleziertjes en hun oneindige creativiteit. Nog steeds verlangt nog geen van hen naar school terug. Tenzij dat betekent dat de musical doorgaat.

Terug naar de orchideeën en cirkelzagen. Terwijl mijn kind aan de ene kant een heel tof opstel moest schrijven over het digitale schoolkamp (en verzon dat je dan allemaal tegelijk kunt bungeejumpen van de trap) en daarin creativiteit moet laten zien en een logisch opgebouwd verhaal moet kunnen opdissen, zijn de zinnen waaruit het dictee bestaat echt pure kolder, maar wel aanzet tot hilariteit. Ik kan het niet laten:

Ik leg mijn cijferlijst naast de orchideeën en sluip de lange wenteltrap op naar boven, op zoek naar mijn moeder. In het grote huis slingert van alles rond. Halverwege struikel ik bijna. Wat doet die cirkelzaag nu weer hier. Ik neem hem maar mee naar boven. Terwijl ik me afvraag hoe ik mijn moeder ga vertellen dat ik weer blijf zitten, verlang ik maar naar één ding. Krentenbrood.

De dood heeft niet het laatste woord

‘Ga nu maar’, zegt mijn Lief. ‘Eenvijfde van je aandacht is gewoon voor haar’. Een beetje verbaasd zoek ik m’n spullen bij elkaar om eindelijk weer eens naar het graf te fietsen. ‘Je moet ruimte blijven houden’, zei hij nog. Meestal zeg ik dat juist tegen hem. 

Dus daar fiets ik weer. Op weg naar mijn jongste dochter op Stille Zaterdag. Morgen is het Pasen. Ik denk terug aan de Paasdagen van de afgelopen drie jaar. In 2016 was ik op het dieptepunt van mijn burnout. Mijn zus had vreselijk nieuws gekregen, ik herstelde maar niet en één van onze kinderen had het vreselijk moeilijk. Die Paasmorgen schreeuwde ik het voor het eerst echt en letterlijk uit naar God.

Een jaar later had ik mijn baby’tje verloren en kon ik er niet over uit hoe diep verdriet gaat. ‘Het klampt om me heen als een ijzeren gevangenis’, las ik in mijn dagboek. Pasen dat vertelt van de opstanding van de doden kreeg een andere betekenis. Het jaar erna zong ik het lied waar ik gisteren over schreef. Ik begon te begrijpen wat hoop eigenlijk is. Pasen 2019 had ik net mijn boek af en zoveel geleerd in dat proces. Ik begon weer vertrouwen te krijgen in God en het leven. Ik zag steeds scherper dat Pasen hoop betekent op een toekomst. Hier op aarde of daar waar we na dit leven heengaan.

Morgen is het weer Pasen. Net als Maria toen, loop ik naar het graf van mijn zo gewenste en geliefde kind naar wie mijn hart nog steeds verlangt. Ik stel me voor hoe ze de tuinman aanklampt. Ze wil een lichaam verzorgen maar het lichaam is weg. Ze kan haar liefde en zorg en trouw niet tonen. Ik kan voelen hoe de paniek toe moet hebben geslagen. De ‘tuinman’ noemt haar naam, schokt Maria’s wereldbeeld:

De. Dood. Heeft. Niet. Het. Laatste. Woord. 

Is Jezus opgestaan? Ineens herinnert ze alles wat hij de afgelopen drie jaar duidelijk heeft willen maken. Ze rent terug naar de anderen en mag als eerste vertellen wat sindsdien al eeuwenlang herhaald en herontdekt wordt: de Heer is waarlijk opgestaan.

Ik wandel verder, het grafje ligt er mooi bij. Hier is de steen niet weggerold. De pijn van het gemis vlamt nog steeds regelmatig onverwacht genadeloos op. In quarantaine is het zoveel duidelijker dat we niet met z’n allen zijn. De meiden lakken hun nagels zonder drentelende peuter die ook haar teentjes zo felroze mogelijk wil. De jongens bouwen met lego of hout zonder dat iemand het omver dendert. Het is wel heel druk in huis. Dat is ook de reden waarom ruimte nemen zo moeilijk was. Ik drukte gevoelens van pijn en verdriet weer constant weg met somberheid en hoofdpijn als gevolg.

Mijn Lief heeft gelijk, eenvijfde aandacht en tijd is voor haar. Nou ja, in elk geval dit uurtje op deze zaterdag. Ik fiets weer terug, nieuw Pasen tegemoet. Ook dit graf blijft niet eeuwig gesloten. Er is hoop. Jezus laat zien dat de dood is overwonnen. Mijn kind is veilig al mis ik haar. De dood heeft niet het laatste woord.

Geef mij nu je angst

Geef mij nu je angst
Ik geef je er hoop voor terug
Geef mij nu de nacht
Ik geef je de morgen terug

Zo eindigde gisteren de tiende editie van The Passion op televisie. Honderden Nederlanders kwamen meezingend in beeld. Het was ontroerend en het was prachtig. Ik kreeg een brok in mijn keel. Wat is het bemoedigend als mensen elkaar een hart onder de riem willen steken. Elkaar willen helpen. Zoals Johny de Mol in zijn verslaglegging ook maar bleef herhalen.

Ik voelde ook verwarring en juist hopeloosheid. Kan jij het echt? Wilde ik vragen. Kan jij mijn angst overnemen en me er hoop voor teruggeven? Wat is hoop eigenlijk? En: hoe doe je dat: je angst weggeven?

Ik voel het ook. Ik verlang ernaar om angst weg te nemen. Elke dag loop ik een rondje door de polder en let er op dat ik afstand houd. Ik voel de angst van de mensen die ik tegenkom. Ze gaan nog even iets meer opzij als we elkaar passeren. Sommigen hebben mondkapjes voor. We zien elkaar als paria, leprozen die elkaar nauwelijks of juist overdreven begroeten. Ik zocht de eenzaamheid op in mijn wandeling, maar de eenzaamheid die dit wakker roept, is verstikkend en ik doe het enige wat ik kan bedenken: ik stamel goedendag en mompel een gebed. Zegen hem, Heer, zegen haar.

Ik geef je er hoop voor terug. Maar wat is hoop en hoe krijg je die? Twee jaar geleden worstelde ik wekenlang met die vraag. Ik vroeg mijn voorganger waarover ik een lied kon schrijven en hij wees me op de jaartekst van onze kerk. Romeinen 15:13: De God nu van de hoop moge u vervullen met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat u overvloedig bent in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest.

‘De gemeente en iedereen heeft het nodig om over hoop te horen’, zei hij, ‘zeker in het licht van al het nieuws dat we horen over oorlogen en natuurrampen’. Dit was ruim voordat Corona kwam en vandaag besef ik dat het actueler is dan ooit. Hij legde uit dat hoop in het Grieks ‘elpidos’ is en ‘expectation of what is certain’ betekent. Dus geen hoop in de zin van: ‘ik hoop dat het morgen mooi weer is’. Want dat is niet zeker. De hoop waar Romeinen naar verwijst is zeker. Ik kon er niet veel mee. Ik voelde geen hoop en dacht niet hoopvol en een lied over hoop schrijven als je zelf helemaal geen hoop voelt, is echt moeilijk.

Ik besloot de Heilige Geest te vragen me te helpen, want Hij is de bron van hoop en kracht, zoveel begreep ik wel uit dit vers. Ik las Romeinen een aantal keer helemaal in alle vertalingen die ik kan vinden. Ik moest weten wat het betekent om dat wat zeker is te verwachten. Om te hopen. Ik las en bad of God me wil laten zien wat het betekent, wat er in het lied moet komen. Omdat ik authentiek wil zijn en geen lied wil schrijven dat misschien objectief juist en waar is, maar ik eigenlijk niet zelf vanuit mijn hart kan zingen, kwam ik in een moeilijke strijd terecht.

Romeinen heeft het over Abraham. Hij moest jaren wachten voordat de beloften van God vervuld werden. Hij bleef hopen. In de tekst wordt God zelf de God van hoop genoemd. Sterker nog. Hij ís hoop. Hij is zelf onze hoop. Het gaat er niet persé om dat we hopen dat al onze wensen worden vervuld. Het gaat er om dat we onze hoop vestigen op Hém, wat er ook gebeurt. 

‘Vertrouw je God nog?’ vroeg iemand ons toen Amanda overleden was. In de worsteling met deze vraag ontdekte ik dat het ook ging om deze vraag: Waarvóór vertrouw je God? Vertrouw je op Hem dat al jouw plannen tot stand komen, jouw wensen uitkomen, jouw interpretaties van wat God zegt, kloppen. Dan komt er altijd een moment waarop blijkt dat dat vertrouwen wankel is. 

Vertrouw je Hem zelf, Zijn karakter, Zijn hand in je leven, Zijn belofte dat Hij bij je is. Dan heb je toch vaste grond onder je voeten. Wat er ook gebeurt. Niemand rooft jou uit Zijn hand. 

Ik kwam erachter dat dat de hoop is die zeker is: Hij is met mij. Hij is met jou. Toen ik klaar was met studeren en interpreteren, schreef ik een lied dat verbazingwekkend hoopvol is en toch recht doet aan de wanhoop die toen nog steeds in mijn hart woedde en vandaag, twee jaar later als een antwoord voelt op de hartenkreet van zoveel mensen die eenzaam strijden met hun angst en hun verlangen naar dat het uitkomt: Ik geef je er hoop voor terug.

God of hope
Let the God of hope
Fill us with all joy
Fill us with all peace
As we trust in Him

So that we overflow, overflow in hope
By the power of the Holy Spirit
Fully persuaded that He’ll do as He promised
For He Himself is our hope

So that we can rejoice, can rejoice in trouble
By the power of the Holy Spirit
Fully aware that He’s there with us
For He Himself is our hope

https://www.youtube.com/watch?v=nSd4iAQYtlg

Alleen ik huilde

Ik zie mezelf zitten. In haar kamertje, bij de wieg. Ik kijk naar haar en neem haar in mijn handen, al heeft het geen zin want ze merkt het niet. Ik bekijk haar aandachtig en verwonder me. Dat ze zo klein, maar zo af is en alles heeft wat een mensje normaal gesproken heeft. Ik dank God dat Hij geen half werk heeft gedaan en de moeite nam haar zo mooi te maken.

Ik zie mezelf zitten. In mijn pijn en verdriet probeer ik me op God te richten. Ik hef mijn handen met mijn dochter erin omhoog en draag haar op aan degene die haar maakte. Steeds herhaal ik: ‘Ze is van U Heer.’ ‘Ik geef haar aan U terug Heer.’ Ook na haar begrafenis blijf ik dit in gedachten doen. De pijn wordt niet minder. Het wordt eerst nog veel erger. Dat had ik niet verwacht.

Ik zie mezelf zitten. Steeds met haar in mijn handen. Ik probeer haar over te geven aan de God die haar en mij schiep. Toch trek ik regelmatig mijn armen weer terug. Wil ik het toch niet? Als ik haar helemaal loslaat, raak ik haar nog meer kwijt. Toch blijf ik proberen. In de loop van de tijd – vandaag drie jaar – blijkt verdriet en gemis niet te verdwijnen. Het verandert. Het raakt meer verweven in mijn leven. Ik kan haar nu beter laten waar ze is, omdat ik steeds meer besef dat ze het beter heeft in die Eeuwige armen dan ze hier ooit zou hebben.

Ik zie mezelf zitten. Het beeld blijft me bij. Ik wil recht doen aan God die haar zo mooi maakte. En aan de pijn die er is en getuigt van Liefde die niet ophoudt bij de dood. Ook al weet ik dat ze veilig is en geborgen en wil ik het voor haar niet meer anders, het gat in mijn hart is er nog wel. En de liefde. De liefde die tegelijk met haar geboren werd.

Ik schreef er een lied over (vertaling vind je onderaan):

https://youtu.be/7e25SAcxElc

Only I cried

I held her tiny body in my hand
Admired her with awe and love
Amazed by how she looked and lay asleep
Reflecting life while she was gone

Only I moved,
Only I cried,
Only I was watching her
She did not look,
Made no sound at all
She could not receive my care

I held her tiny body in my hand
Hoping her heart would beat again
But she just lay there still and beautiful
Declaring wonders to my woe

Only I moved,
Only I cried,
Only I felt crushed inside
She did not feel,
Wasn’t there at all.
Still she showed me there’s a God

She was wonderfully made
She was crafted by an artist
A masterpiece of God
She called to worship Him
In all my ache and grief
She testified of God

Only I move,
Only I cry,
Only I can feel the void
She has no need,
She is safe with Him,
She just taught me He is God

I hold her tiny imprint in my heart
And honor Him who knows my pain

Lyrics and Music by Ineke Marsman-Polhuijs ©2020

Vertaling:
Ik hield haar kleine lijfje in mijn hand
Bewonderde haar met ontzag en liefde
Ik stond versteld over hoe ze eruitzag en lag te slapen
Ze weerspiegelde leven terwijl ze er niet meer was

Alleen ik bewoog
Alleen ik huilde
Alleen ik keek naar haar
Zij keek niet,
Maakte geen enkel geluid
Ze kon mijn zorg niet ontvangen

Ik hield haar kleine lijfje in mijn hand
Hoopte dat haar hart weer zou gaan kloppen
Maar ze lag daar maar, stil en mooi te zijn
Vertelde van wonderen aan mijn verdriet

Alleen ik bewoog
Alleen ik huilde
Alleen ik was kapot van binnen
Ze voelde niets
Was er niet eens
Toch liet ze me zien dat er een God is

Ze was wonderlijk gemaakt
Ze was geweven door een artiest
Een meesterwerk van God
Ze riep op om Hem te aanbidden
In al mijn pijn en rouw
Getuigde zij van God

Alleen ik beweeg
Alleen ik huil
Alleen ik voel de leegte
Zij heeft niets nodig
Zij is veilig bij Hem
Ze leerde me slechts dat Hij God is

Ik houd haar kleine afdruk in mijn hart
En eer Hem die mijn pijn kent

Lied

‘Dat is toch logisch’, zegt mijn Lief, ‘anders zou je cadeautjes hebben gekocht en taart gebakken en slingers opgehangen. Je doet het ter ere van Amanda.’ Ik had hem net verteld dat ik er zo mee bezig ben en er in mijn hoofd niet mee kon stoppen.

Ik heb een lied geschreven. Een lied dat al ontstond toen ik met ons kleine overleden dochtertje in mijn handen zat in de dagen voordat ze werd begraven. Ik vond steeds de rust en de moed niet het lied af te maken, maar afgelopen kerstvakantie lukte het, toen ik me voor een paar dagen opsloot in het huis van mijn zus.

Ik wil het publiceren op de dag dat ze geboren werd. Op de een of andere manier is dat heel belangrijk voor me. Ik begrijp niet waarom. Maar mijn Lief dus wel en ineens is het inderdaad heel logisch.

Het is vandaag weer Stille Tussendag. De dag na de Dag van Afschuw en voor de Dag van Verwondering. De dag waarop we geen idee hadden wat ons te wachten stond maar er al wel een zwaard door ons hart was gegaan.

Juist nu iedereen de hele dag thuis is, mis ik haar nog meer dan anders. Maar ook omdat het morgen haar geboortedag is. Ter ere van ons kleine meisje en om recht te doen aan de Liefde en aan God, schreef ik een lied. Je vindt het hier: https://youtu.be/7e25SAcxElc en over een paar uur, op 22 maart 2020, drie jaar na haar geboorte, komt het online.

Morgen meer

Geloof ik nog

Mijn vriendin appte me: ‘Ik zie overal narcissen (paaslelies in haar moedertaal) en denk daardoor bijna dagelijks aan Lily-Amanda’. Het doet me goed dat ze aan haar denkt en het mij vertelt. Ik zie de narcissen ook, maar probeer niet teveel te denken aan drie jaar geleden, toen we ons zo’n zorgen maakten over ons kleine meisje Susan (lelie) Amanda. Ik stel het uit, merk ik en druk de gevoelens die erbij komen weg voor later. Over elf dagen is het drie jaar geleden dat ons leven schipbreuk leed en we als drenkelingen aan land kwamen. Berooid. Ontredderd. Op zoek naar vaste grond.

We werden jutters. Wat is nog bruikbaar van wat we vroeger geloofden? Geloof ik überhaupt nog? Ik weet nog hoe ik mijn Lief zei dat ik het niet meer wist. Hij zei: ‘Ik kijk naar wat er vroeger is gebeurd. Jij zat in een rolstoel en je bent genezen. We hebben andere wonderen meegemaakt. We hebben regelmatig gemerkt dat God er was. Dus ik kies er gewoon maar voor om te geloven en dan zie ik over drie jaar wel weer verder.’

Ik was verbaasd maar vooral heel erg gerustgesteld door zijn woorden. Hij weet het ook niet, maar maakt een keuze. Omdat ik niets beters kon verzinnen besloot ik hetzelfde te doen. In deze staat van ontreddering moet je geen levens veranderende beslissingen nemen, ook niet over wat je gelooft, maar overleven, doorgaan, wandelen door het dal vol schaduw van haar dood.

Nu is het zover. We zijn we bijna drie jaar verder. Wat geloof ik nog? Ik schrijf er een boek over met de voorlopige titel: God is met ons? Geloven in het dal. Hij is God, groter dan je je voor kan stellen. Hij ziet het hele plaatje waar ik hooguit 0,001% van kan zien en toch is Hij dichtbij, om mij, onder mij. Die armen waarover we op het geboorte-rouwkaartje schreven dat ze ons voor eeuwig dragen. Die eeuwige armen zijn om mij heen. Om jou heen.

Gisteren zongen we in de kerk een lied dat ik de afgelopen drie jaar vermeed: ‘Oceans’. Dat lied deed mij kort na Amanda’s dood beseffen dat ik het niet meer wou: mezelf aan God toevertrouwen. Toen ik dat ontdekte, worstelde ik maandenlang met ongeloof en koppigheid. Spirit lead me where my trust is without borders. Let me walk upon the waters, wherever you would call me? Nee! Schreeuwde ik in stilte. Nee! Niet als dat betekent dat er nog een kind sterft. Ik weiger dat. Deze hel wil ik nooit meer doormaken.

Op een bijzondere manier kwam ik erachter dat Jezus me toch bleef uitnodigen om bij Hem te komen. Ik schreef er een lied over dat ik vervolgens steeds weer zong. Ik kwam erachter dat ik God vertrouwde voor leven, voor toekomst hier. Maar gaandeweg besefte ik dat het gaat om God te vertrouwen, wat er ook gebeurt. Ik leerde mijzelf, mijn Lief en al mijn kinderen toevertrouwen aan Hem. Amanda is veilig bij Hem. Mijn andere gezinsleden zijn ook veilig bij Hem, al weet ik niet of dat betekent dat ze hier lang zullen leven.

Gisteren zongen we ‘Oceans’ weer. Ik realiseerde me dat ik nu dieper dan vroeger geloof dat ik en wij veilig zijn, wat er ook gebeurt. Zelfs al gebeuren de ergste dingen, zoals dat je kind sterft – en wil ik dat nog steeds niet nog een keer meemaken. Toch, in the presence of my savior, loop ik bij wijze van spreken weer op het water. Ik geloof dat God leidt, liefheeft, aanwezig is. Niet om elke storm tegen te houden of elk dal te slechten, hoewel Hij dat ook kan en doet. Maar om te wandelen door het dal, in de storm. Hij is met ons.

Nu de paaslelies weer bloeien en me herinneren aan de periode van angstige verwachting drie jaar geleden, de Dag van Afschuw op 20 maart, de Stille Tussendag en de Dag van Verwondering op 22 maart, de start van een totaal ander leven voor mij en mijn Lief, realiseer ik me dat hij gelijk had. Over drie jaar zien we wel weer en ontdekken we dat we nog geloven. God ís met ons.

zie ook: Welkom heten
en: Zegen dit zooitje

Tonio

Diep onder de indruk wandelen we door de binnenstad. Ook al hebben we ons eerder die avond tijdens ons dinertje keurig aan ‘dry January’ gehouden (en kennisgemaakt met lekkere alcoholvrije biertjes) nú ben ik vastbesloten om met mijn Lief naar de kroeg te gaan om een gewoon biertje te drinken en verwerken wat we zojuist hebben gezien. Of is het gewoon: zien drinken doet drinken?

Het was onze trouwdag en na ons etentje gingen we naar Tonio, een theatervoorstelling gebaseerd op het boek Tonio van A.F.Th. van der Heijden van wie ik tot voor kort – ondanks de overstelpende hoeveelheid Nederlandse literatuur die ik tijdens mijn studie moest verstouwen – nog nooit iets had gelezen. Maar óver dit boek las ik zeer vaak iets en toen ik het zag staan in een van de minibiebs van onze wijk, nam ik het mee en las het.

Ik verslond het. Het was zo herkenbaar wat hij schreef over zijn verongelukte eenentwintigjarige zoon dat ik soms huilde en soms lachte. De gevoelens en gedachten die hij beschrijft, de thema’s die voorbijkomen en ook in ons leven spelen; het was bijna eng om gedrukt te zien staan wat ik zelf soms dacht en voelde. Met dit verschil dat ons overleden kind niet ons enige kind was en zij niet had geleefd buiten de baarmoeder en we dus maar weinig herinneringen hebben om over te praten.

Maar ondanks dat zag ik zoveel overeenkomsten dat ik er graag heen wilde toen ik las dat deze voorstelling in ons Stadstheater zou komen. Ik wist niet of mijn Lief het ook wat zou vinden, maar tot mijn verbazing boekte hij, op onze trouwdag nog wel. Dus wij erheen. We luisterden ademloos, lachten soms zelfs, wat ongepast leek in deze setting. Maar het was zo herkenbaar en prettig om voor onze neus af te zien spelen wat er in ons huis, in ons hart, in ons huwelijk zich ook had afgespeeld. Natuurlijk niet precies zó, maar toch. Ook wij praatten langs elkaar heen, opgaand in onze eigen gedachten, ook wij dronken te veel, verdoofden de pijn, konden de buitenwereld niet meer volgen, zochten een weg in een wereld waarin voor iedereen alles doorging, behalve voor ons.

Allerlei zinnen die me in het boek ook al zo raakten, werden door de acteurs in de mond genomen en ondanks de slechte kritieken die ik net las op internet: ik vond de dans, het licht en de muziek het geheel draaglijker maken. Net als de hoofdpersonen in het theater praatten ook wij vaak langs elkaar heen, maakte ons verdriet ons ook regelmatig egoïstisch en vonden ook wij elkaar steeds terug. En in tegenstelling tot de hoofdpersonen dank ik God daarvoor in plaats van Hem te vloeken. Dat was eigenlijk het enige aanstootgevende in het stuk wat mij betreft: dat er zo heftig gevloekt werd. Al is het gebruik van stevige krachttermen soms erg prettig, en nodig ook denk ik.

Want je kind verliezen is heel ingrijpend.

Hier een paar treffende citaten:
‘Volgens Van Dale is kruipolie een ‘dunne olie van bijzondere samenstelling, die door capillaire werking tot moeilijk bereikbare plaatsen kan doordringen, en vooral wordt gebezigd om vastgeroeste delen los te krijgen’. De afgelopen weken heb ik mijn verdriet als een soort kruipolie leren kennen. Het dringt door tot in de haarvaten van mijn emotionele systeem, als dat bestaat, en weekt daar de geringste details van Tonio’s voorbije leven los, elke vergeten en halfvergeten herinnering. Alles lost op tot heimwee en melancholie.’ (p.288)

‘Ook in gestorven staat dien ik hem volledig te accepteren – en te verzorgen. Ik wist dat het kind waar ik mijn zinnen op had gezet sterfelijk zou zijn, zo gezond als het op de wereld mocht zijn gekomen. Ik had die sterfelijkheid destijds, zij het met krimpende maag, voor lief genomen.’ (p. 173)

‘We leven nu zes weken met een wurgend gemis. Het is geen loze beeldspraak. We hebben ervaren, en maken nog elke dag mee, hoe een dwingende afwezigheid met haar tentakels letterlijk je keel toe kan snoeren. De schreeuw blijft steken in de strot. Verlies is een worger die zijn slachtoffer niet meer protest dan wat gegorgel gunt.’ (p. 289)

n.a.v. Tonio. Een requiemroman. A.F. Th. Van der Heijden. En: Tonio

tonio-delamar-theater

Oerkreet

Ik kijk graag detectives. Om de puzzel en om de psychologie. Wat gebeurde er precies en waarom doen mensen wat ze doen? De ene acteur is de andere niet, maar laatst zag ik een moeder het uitschreeuwen toen ze definitief hoorde dat haar vermiste dochter dood was. Het raakte me.

Ik hoor een kreet. Herkenbaar, doordringend. Het is maar een acteur. En toch.
Het gaat door merg en been en klinkt zoals het is, deze oerschreeuw.
Dierlijk, kinderlijk. Puur.
Een deel van haar stierf.
Geamputeerd leeft ze verder, nog niet wetend hoe.

Ik hoor een kreet. Herkenbaar, doordringend.
Het is maar een acteur, maar ze leefde zich goed in.
Ze uit de schreeuw van hen die het meemaakten.
Oergeluid als van een doodsbang, immens verdrietig klein kind,
nog zonder aangeleerde remmingen.
Zo klinken pure wanhoop en ontroostbaarheid.

Ik hoor een oerkreet. Herkenbaar, doordringend en scherp.
Het is wat Simeon zei tegen Maria in het Kerstverhaal:
‘Er zal een zwaard door je ziel gaan’:
Het moment waarop Maria haar zoon zag lijden en sterven.
Het moment waarop ik zag dat mijn dochter niet meer bewoog.
Het moment waarop hij hoorde dat zijn kind de strijd niet had gewonnen.

Ik hoor een kreet. Herkenbaar, doordringend
en herinner de dagen waarop zo’n geluid mijn keel uit kwam.
Als doordrong dat dood onomkeerbaar is
mijn kind niet meer terugkomt.
Soms ontsnapt er nog één.

Maar deze kreet, herkenbaar, doordringend, heeft niet het laatste woord.
De Jezus die Maria zag sterven belooft dat Hij rouw zal laten omslaan in vreugdedans.
Ooit.

Soms proef ik het als ik denk aan haar volmaakte staat
op z’n dichtst bij de bron van haar bestaan.
Ik smaak het als ik kijk naar wat zij teweeg bracht
in mij.

Toch is die rauwe ongeremde kreet,
herkenbaar, doordringend,
nodig.

Waag niet het te snoeren wanneer zij zich laat horen
want niet alleen verdruk je de pijn
het verdriet
de wanhoop,
maar ook de roep om gerechtigheid en harmonie
en de uiting van liefde
die geen ontvanger meer heeft.

Deze kreet, herkenbaar, doordringend,
die de eeuwen door
de hele schepping laat horen
(in Paulus’ woorden).

Die kreet slaak ik mee
en bevind me in goed gezelschap.

(nav Romeinen 8:18-30)

huilende vrouw

Dit schilderij is van Christa Rosier. Ik zag het voor het eerst op een ansichtkaart die iemand me stuurde na het overlijden van Amanda. Het stond maandenlang binnen handbereik en hielp me de wanhoop en het verdriet te erkennen en te beseffen dat Gods licht op mij schijnt.

Pakjesavond

Geen cadeautjes voor mijn meisje
Want ze is hier niet
Geen rijmpjes voor mijn kleintje
Want ze hoort het niet
Geen gilletjes van blijdschap
Geen geritsel van papier
Want ze is niet hier

Dus ga ik naar de bloemist toe
Koop weer lelies, kies vijf stuks
Realiseer me nu pas dat ik dat steeds doe
en ook dat weer onbewust

Ik schrijf gedichtjes voor mijn kinderen
Zoek naar woorden voor plezier
kan ondertussen niet verhinderen
dat ik verlang naar haar ook hier

Het is zo moeilijk geen verdriet te voelen
op dagen van ‘gezellig met zijn allen’
omdat we dan ook die ene bedoelen
die ons nu juist al is ontvallen

dus schrijf ik nu alsnog een gedicht
ter ere van het kind dat het niet kan ontvangen
alsof ik toch mijn liefde richt
op haar naar wie ik nog steeds zo kan verlangen

en ik besluit met heel mijn wil en alles wat ik heb te geven
te genieten van wat zich onder mijn neus bevindt
terwijl in mijn hart mijn liefde voor haar blijft leven
en ik óók plezier heb in mijn Lief en mijn kinderen en natuurlijk de Sint

vijf lelies

Definitief 2

Morgen wordt de grafsteen gelegd. Het is eindelijk zover. Op haar grafje is op dit moment niets meer leesbaar. Zelfs de letters op de tijdelijke steen zijn niet meer te onderscheiden. We stelden een steen uitzoeken lang uit en vervolgens hadden we veel vertraging in het proces. Uiteindelijk moesten we zelfs alles opnieuw uitzoeken.

Maar nu is het dan klaar. We zochten een steensoort en -kleur uit, kozen de manier waarop de grond ingedeeld wordt, een tekst, een lettertype en tot slot een letterkleur.

Op de een of andere manier doet het bericht dat het af is en geplaatst wordt me heel veel. Ik gruwel bij het idee dat stoere werkers zo meteen op het grafje van mijn kind beton gaan storten. Want dat moet eerst. Er komt beton over de plek waar zij ligt. Ons dierbare meisje.

Ze wordt er nog ontoegankelijker door.

De mevrouw die ons hielp bij het kiezen van alles waaruit gekozen moest worden, vroeg of we erbij wilden zijn als de steen geplaatst wordt. Ik dacht terug aan toen we haar begroeven en ik mezelf bij de kladden moest grijpen om geen irrationele dingen te doen. Het liefst klom ik toen het gat in om mijn kind er weer uit te halen en mee naar huis te nemen. Ik vocht nog wekenlang tegen die enorme drang. Moest mezelf bedwingen om niet terug te gaan en mijn kind weer op te halen. Ik dacht steeds: ‘Ik kan haar toch niet in die kou achterlaten?’

Ik sta liever niet stil bij het feit dat zij daar ligt. Dus nee, ik ben er niet bij als de steen geplaatst wordt. Toch heb ik het gevoel dat het moet. Het is net als wanneer mijn andere kinderen iets belangrijks of naars meemaken. Dat je jezelf weer bijeenpakt en gewoon meegaat om je kind bij te staan in wat het moet ondergaan, of je er nu tegen kunt of niet. Je laat je kind niet alleen.

Maar dit kind heeft ook dit niet nodig. Ze is veilig in de armen van haar hemelse Vader, staat er op haar steen. Ze heeft het niet nodig dat haar moeder langskomt. Ze heeft het niet nodig dat haar moeder erbij is als haar plaatsje mooi gemaakt wordt. Ze heeft h e l e m a a l niets van mij nodig.

Een snik welt op. De hunkering naar mijn kleine meisje is er nog steeds. Het verlangen er voor haar te zijn, voor haar te zorgen, voor haar op te komen, blijft. Morgen wordt de grafsteen geplaatst en heeft ze eindelijk een mooi plekje met haar naam leesbaar erop geschreven. Met woorden die mij en iedereen die daar komt eraan herinneren dat er eeuwige armen om ons heen zijn.

Het was het laatste wat we konden doen, schreef ik hier bijna twee jaar geleden. En nu is het zover. Morgen wordt de steen geplaatst en is het graf definitief afgesloten.

Geur

Ik zit in de auto op weg naar de muziekwinkel. Een snaar op mijn nieuwe gitaar is geknapt toen ik hem iets te gedachteloos aan het stemmen was en omdat dit een bijzondere gitaar is, heb ik een bijzondere nieuwe snaar nodig. De volgende dag moet ik erop spelen en ik heb het al te lang uitgesteld, dit autoritje. Ik laat de radio bewust uit. Even stilte op deze hectische dag.

Ik geniet niet erg van autorijden, maar vandaag wel. Eindelijk doe ik wat ik al zo’n tijd had uitgesteld. Straks kan ik weer los op mijn nieuwe gitaar. Het is mooi weer, niet al te druk op de weg en eigenlijk is dit zo’n moment van ‘verstand op nul, blik op oneindig’ en dat heb ik even nodig.

Plotseling ruik ik iets en gaan er vanbinnen alarmbellen rinkelen. Ineens ben ik twee en een half jaar terug in de tijd.

Amanda.

Ik ruik de geur die verbonden is aan mijn meisje en kan ineens aan niemand anders meer denken. Herinneringen en gevoelens overspoelen me. Ik zie mezelf terug in haar kamertje. Ik zit weer bij de wieg me te verwonderen, liefde te voelen, verdriet te uiten. Ik neem haar weer in mijn handen en draag haar opnieuw op aan Hem die haar haar korte leven schonk.

Ik schrik hier behoorlijk van en zou het liefst als een klein kind willen brullen. Zelfmedelijden en kordaatheid strijden om de voorrang. Het zou goed zijn om weer eens te huilen, denk ik, maar het komt me nu niet goed uit. Ik ben op weg naar de muziekwinkel vol stoere creatieve mannen en ik voel me daar vaak een kneus die amateuristisch plukt aan snaren en ramt op toetsen. Een betraand gezicht en rode ogen helpen dan niet.

Dit is weer zo’n golf waar de rouwboeken het over hebben. Een golf verdriet die onverwachts met grote kracht over je heen spoelt en ervoor zorgt dat je je evenwicht en oriëntatie helemaal kwijt bent. Maar het is niet alleen maar naar en verdrietig. Ik voel ook diepe vreugde. Deze geur maakt me blij, want zij maakte me blij. Ik voel me weer even kersverse moeder van mijn kleintje en eventjes is ze heel dicht bij mij.

Ik zucht diep. Kordaatheid wint. Ik kan het me niet veroorloven nu te gaan zitten weeklagen. Ik dank voor dit moment omdat haar ruiken haar ervaren betekent en ik haar zo mis en dat weer even voel. Maar mijn lijstje moet afgewerkt en er staat veel op vandaag. Ik laat mijn gitaar repareren en voel me weer even thuis en niet thuis in de grote muzikantenwereld. Dan rijd ik terug. Naar huis. Naar mijn levende kinderen die elk mijn begeleiding en aansporing en liefkozing nodig hebben. Ik koester dit moment van herinnering en vertel het ’s avonds aan mijn Lief. Wat ben ik blij met haar geur en dat ik die weer even rook. Geur vol herinneringen. Geur van mijn kind.

1 van 773

‘In 2017 werden 773 kinderen levenloos geboren
na een zwangerschap
van 22 weken of meer.’

Dat stond in de krant vandaag. Amanda is één van hen. Met een brok in m’n keel lees ik het artikel. Mijn kind is er één van de zevenhonderd drieënzeventig. Ze kwam net als zevenhonderd tweeënzeventig andere kinderen ter wereld nadat ze overleden was.

Het slaat natuurlijk eigenlijk helemaal nergens op om daarover na te gaan denken. Maar toch blijft het door mijn hoofd spoken vandaag. Overal ter wereld sterven baby’s. In Nederland in het sterfjaar van Amanda dus 773 voor hun geboorte. Van de kinderen die levend ter wereld kwamen stierven er nog eens 502. Van een aantal baby’s ken ik de naam en de ouders, omdat we via lotgenotencontact met elkaar kennismaakten.

In de krant lees ik de getallen. Ze zijn te groot om er concreet een voorstelling van te kunnen maken. Maar in mijn hart draag ik Amanda. Een klein individu dat zo duidelijk er één van ons was. Deel van mij, deel van ons gezin – wat zo ontroerend duidelijk werd toen ik aan één van mijn kinderen vroeg wat die ervan vond dat ik lelies kocht om op een verjaardag uitdrukking te geven aan het gevoel dat Amanda erbij is. Het antwoord: ‘Het maakt mij niet uit, want Amanda is er toch altijd bij voor mij’. Ik was zo blij met die reactie en kocht alsnog een bos bloemen met lelies erin, maar zonder het gevoel dat het móest.

Ze is één van ons. Niet een van velen. Ze is een ene. Het ene kind dat altijd ontbreekt. Het ene kind waarvan we niet weten of ze net zulk donker haar zou hebben en net zulke blauwe ogen als haar broers en zussen. Onzichtbaar aanwezig, zoals ik al eens eerder schreef.

Maar is ze is er dus ook één van zevenhonderd drieënzeventig kinderen die rechtstreeks vanuit mamma’s buik naar hun hemelse Vader gingen.
Ik ben er stil van.

Zichtbaar

Mijn eerste boek ligt in de winkel. Vorige week kwamen de presentexemplaren binnen. Mijn Lief filmde hoe ik het pakje openmaakte. Wat een apart gevoel om je eigen boek in handen te hebben: tastbaar resultaat van vele dagen eenzaam studeren en beschrijven. Ik was zo trots en enthousiast dat ik het filmpje niet alleen via whatsapp, maar ook via Facebook en Linkedin deelde. Inmiddels is het ruim tweeëneenhalf duizend keer bekeken.

Slik.

Toen ik mijn verlegenheid hierover deelde met iemand, wees zij mij lachend op de flaptekst van mijn boekje: ‘Tijdens het schrijven heeft de auteur gebeden dat dit boekje je zal helpen om tijd door te brengen met God en met de Bijbel. Dat je groeit in geloof, in gebed en in moed om je plek in te nemen in deze wereld. Zichtbaar en eerlijk. In volle zekerheid dat je nooit alleen bent.’ Ze zei: ‘Zichtbaar en eerlijk, Ineke. Ja ja, dat ben je dan dus nu.’ Ze heeft gelijk. Ik kan er maar beter aan wennen.

Mijn eerste boek heeft niets met Amanda te maken. Het gaat niet over rouwen, maar over een Bijbelboek: Daniël. Toch heeft het voor mij alles met Amanda te maken, want als zij er niet geweest was, was dit boek er waarschijnlijk niet gekomen.

Toen we erachter kwamen dat onze dochter was overleden, werd ik overweldigd door gevoelens en gedachten die ik niet (her)kende. Plotseling besefte ik dat mensen die dit eerder meemaakten gelijk hadden: als je het niet zelf hebt meegemaakt, kun je het niet begrijpen. Ik vond het altijd heel moeilijk als iemand dat zei. Ik wil heel graag mensen begrijpen en heb soms inwendig gestampvoet als iemand me afpoeierde. Dan dacht ik: ‘Vertel het me dan! Help me jou te begrijpen!’

Nu stond ik zelf voor een keus. Als het mijn vriendin was geweest die dit overkwam, dan zou ik willen weten hoe dat is, wat ze voelt, wat ze nodig heeft. Dus, als ik wil dat anderen mij begrijpen, moet ik ze vertellen wat er gebeurt en wat ik denk.

Dat heb ik gedaan. Eerst in een WhatsApp groep, wat later op Facebook en vervolgens in een eigen blog, omdat ik ontdekte dat het anderen ook woorden of begrip gaf voor verdriet. Schrijven hielp me preciezer te verwoorden en te ontrafelen wat er nou eigenlijk speelde in mijn hoofd en mijn hart. Jonathan Franzen zegt het zo: ‘Schrijven is het ordenen van je gedachten. Al schrijvend ontdek je wat je daarvoor hooguit vermoedde.’ Zo is het. Door te schrijven ontdekte ik wat er lag te sluimeren en het verwoorden hielp me om erom te kunnen huilen.

Na een tijdje werd ik gevraagd om voor een andere website te gaan bloggen. Op Puur Vandaag schrijf ik sindsdien over (meestal) andere onderwerpen dan rouw. Dat was goed voor mij. Ondertussen vonden steeds meer mensen mijn blog en kreeg ik mooie reacties. Ik besloot dat ik een boek over ‘geloven in het dal’ wilde schrijven. Toen ik daarover aan het mailen was met een uitgever die ik vertrouwde, werd ik ineens door iemand anders gebeld: ‘Hoi Ineke, heb jij er wel eens over gedacht om een boek te schrijven?’ Verbaasd reageerde ik dat ik dat graag wilde doen. We vertelden elkaar onze ideeën en van het een kwam het ander. Een paar weken later begon ik aan een proces dat totaal nieuw voor me was: ik schreef een Bijbelstudieboekje.

Mijn eerste boek gaat niet over Amanda en heeft inhoudelijk niets met mijn weg door het land van rouw te maken. Maar ik was niet gaan schrijven als ik niet in dit dal beland was. Ik was me daar erg bewust van toen ik het boekje schreef. Voor mij heeft dit boekje dus alles met mijn dochter te maken en het duurde een tijd voordat ik dat kon accepteren. Die strijd is nu voorbij. Ik ben nu echt blij dat dit boekje er is en werk inmiddels hard aan een boek dat wél over mijn leven met Amanda gaat. Ondertussen probeer ik eerlijk en zichtbaar te blijven.

boek

Ze staat erbij

‘Met een lach en een traan. Ze staat erbij.’ Dat mailt mijn Lief bij het doorgestuurde bericht dat hij van de gemeente kreeg.

Onze dochter staat in de basisregistratie personen. Ze is als bestaand persoon erkend, ons vijfde kind. Ze is nog even dood als eerst, maar nog altijd ons kind en nu staat dat ook zwart op wit. Ze is een dochter en een zus.

Erkenning. Wat is dat toch belangrijk. Ik weet niet precies waarom, behalve dat het belangrijk is en ervoor zorgt dat er ruimte komt, ook voor andere emoties dan verdriet. En in dit geval is erkenning fijn omdat het gewoon pijnlijk is als ze er niet bij staat als expliciet opgesomd wordt wie onze kinderen zijn.

Bepalen mijn kinderen mijn identiteit? Nee, ik geloof dat dat niet meer zo het geval is. Maar ze maken wel deel uit van wie ik ben. Dat heeft de pijn van het verlies van Amanda me wel duidelijk gemaakt. Die pijn gaat dieper dan ik dacht dat kon. Die pijn is regelmatig lijfelijk aanwezig.

Nog steeds kunnen we aan tafel gaan zitten om te eten en check ik of iedereen er is en vlamt ineens heftige paniek op. Er klopt iets niet. Ik maan mezelf tot kalmte, tel rustig opnieuw en realiseer me dat ik haar wéér heb meegeteld terwijl ze er inmiddels langer niet dan wel is. Wat is dat toch apart. Mijn lijf weet beter wie bij me hoort dan m’n verstand.

Ze hoort er dus bij, is deel van mij. Ze is mijn dochter en nu staat ze er dan eindelijk bij in onze kinderrij. Wat een heerlijk en verdrietig gevoel geeft dat.

Met een lach en een traan. Ze staat erbij.

Afscheid van de basisschool

Gisteravond droeg ik mijn armband niet. Bewust niet. Ik vergeet hem ook wel eens om te doen. Maar gisteravond niet want mijn derde kind, mijn tweede dochter, had haar afscheidsavond op de basisschool. Ook dit kind van mij gaat straks naar de middelbare school.

Ik had die dag de slaapkamer uitgemest van een van de andere kinderen. Alle oude meuk van afgelopen schooljaar smeet dit kind vol vreugde in de oud-papier-bak. Bij dit alles kwam wat stof vrij. We wilden allebei graag douchen. Toen ik dat deed en me opmaakte voor de feestelijke avond, bedacht ik me dat het vanavond alleen om deze dochter moest gaan.

Ik zou andere ouders ontmoeten. Ik zou het hebben over hoe goed deze schat het had gedaan op school en in de musical. Hoe ze toe is aan een nieuwe stap en al heerlijk begint te puberen. Ik zou haar trotse moeder zijn en op dat moment even alleen háár trotse moeder.

Ineens begreep ik wat een vrouw mij een half jaar na Amanda’s dood probeerde uit te leggen. Ze zei: ‘Verdriet is als…’ ze keek even om zich heen en pakte toen een vierkant viltje van de tafel: ‘Als dit viltje. Als je het heel dicht voor je ogen houdt, zie je niets anders dan dat viltje. Maar als je het verder van je af houdt, dan zie je ook wat er zich omheen bevindt. Het viltje (je verdriet) is nog steeds in het zicht, maar je ziet nu ook andere dingen.’ Ze zat tegenover mij met uitgestrekte arm en het viltje in haar hand. Ik kon goed zien wat ze bedoelde.

Ze vertelde verder: ‘Op een gegeven moment kun je het viltje ook eens naast je neer leggen. Of, als je ergens heen gaat, dan berg je het op in je zak. Dan draag je het wel bij je, misschien wel heel dicht bij je hart, maar niemand ziet het. Alleen jij weet dat het er is.’ Ik kon haar volgen, maar op dat moment was verdriet nog zó ‘in your face’, nou ja, ‘mijn face’ dus, dat ik me niet voor kon stellen dat ik in staat zou kunnen zijn om het naast me neer te leggen.

Dus droeg ik het zichtbaar bij me. In de vorm van een armband met haar naam. Mijn andere kinderen zie je in en uit mijn huis lopen, zie je met me mee lopen naar de bieb of meefietsen naar de kerk. Maar mijn overleden kindje is alleen zichtbaar in die armband. Soms lokt die armband een gesprekje uit over mijn derde dochter en dat vind ik vaak prettig. Ik zou ook over haar praten als ze nog geleefd had, want ze zou net twee zijn geweest en meestal met me mee zijn gegaan waar ik heen ging.

Maar gisteravond niet. Gisteravond liet ik al mijn kinderen – op één na – achter. Ik wilde dat het alleen ging om mijn derde, mijn grote kleine meisje, die afscheid nam en samen met haar ouders was uitgenodigd voor een laatste speech, een heus afscheid.

Dus zocht ik die avond andere sieraden uit en wandelde met mijn Lief, met tussen ons in onze uitgelaten bijna-brugklasser, naar de basisschool om haar groei en ontwikkeling te vieren.

Alle andere kinderen bleven achter, ook mijn vijfde. Daarom droeg ik die armband niet.

Zwijgen

Het is vandaag 8 juli. Twee jaar geleden was ik uitgerekend en liep ik op deze dag naar het grafje om er iets neer te leggen bij wijze van verjaardagscadeau. Vorig jaar en vandaag deed ik dat weer. Vandaag voelt het anders dan de vorige twee keer, hoewel ik wel mijn tranen moest bedwingen toen ik de lelies afrekende bij de bloemist en me te fleurig voelde toen ik in mijn bontgekleurde jas over de begraafplaats banjerde.

Misschien heb ik toch al wat leren leven met het gemis van onze jongste. Mijn hart voelt wel nog wat zwaar. Eigenlijk al sinds 17 juni, de dag waarvan ik bad dat het haar geboortedatum zou zijn, omdat ik dan precies 37 weken zwanger zou zijn geweest. Ik blijf het vreemd vinden hoe mijn geheugen werkt. Het is niet de datum an sich, maar het is de geur, de temperatuur en de kleuren om me heen, die me herinneren aan deze periode twee jaar geleden, toen ik zo kwetsbaar rondliep, verdwaasd zoekend naar het kind dat hier niet meer is.

Ik wist niet dat het verlies van een kind zó ingrijpend was. Dat de pijn zo diep gaat dat eigenlijk niets meer hetzelfde is. In mijn perceptie tenminste, want uiterlijk is het meeste hetzelfde gebleven. Ik leef in hetzelfde huis, in dezelfde buurt, heb dezelfde familie, maar ik beleef het anders. Dat verbaast me nog regelmatig. Ik kan echt niet terug naar wie ik vroeger was. Er is een leven voor en een leven na Amanda.

De laatste tijd merk ik dat er ook in mijn houding ten opzichte van andere mensen dingen zijn verschoven. Het maakt uit of Amanda genoemd mag worden of niet. Voor mensen die haar nog doder zwijgen dan ze al is, kost ruimte maken in mijn hart heel veel moeite.

Ik hoorde van andere rouwenden dat zij sommige relaties op den duur verbraken. Toen ik dat hoorde, besloot ik dat ik dat wilde voorkomen. Ik wilde me open blijven stellen. Maar nu, meer dan twee jaar later, merk ik soms dat de rek eruit is en ik mijn hart vaker afsluit voor anderen. Dat vind ik moeilijk, het geeft nieuw verdriet.

Ik wilde er altijd voor iedereen zijn, hoe zij zich ook ten opzichte van mij gedragen. Dat lukte me door Gods genade ook heel vaak. Maar nu kan ik het soms niet meer opbrengen. Als ik haar moet verzwijgen, die zo reëel voor me is alsof ze hier nu haar tweede verjaardag zou vieren met feestmuts en taart, waarom zou ik dan naar hun verhaal luisteren?

Opnieuw heb ik genade nodig. Meer genade, meer begrip, meer ruimte in mijn hart. Want ik geloof toch dat we anderen moeten behandelen zoals we zelf behandeld willen worden. Niet zoals we zelf behandeld worden. Dat is een wezenlijk verschil, merk ik nu opnieuw en je kunt nooit weten waaróm mensen doen zoals ze doen. Vaak zit er een goede bedoeling achter, al kunnen goede bedoelingen dus ook goed pijn doen.

Dus ik buig opnieuw mijn hoofd, stort mijn verdriet en boosheid uit bij de God die het allang weet, om meer genade te ontvangen en meer liefde om er opnieuw te zijn voor die ander, hoe hij of zij ook met mij omgaat. En vervolgens ga ik opnieuw naar het graf van mijn dochter, die twee jaar had moeten worden als alles was gegaan zoals het hoort, zette een nieuw vlindertje neer en een verse bos lelies. Gefeliciteerd lieve kleine dochter van mij. En: doet U haar de groeten, Heer.

Opnieuw vraag ik me af waar de grens is tussen verdriet en zelfmedelijden. Of moet je misschien eerst door zelfmedelijden heen voordat je bij het verdriet kunt komen? Verzwijgen heeft in elk geval geen zin, want dat verstikt nog meer. Dus hier ben ik dan weer, broken but real en bereid om weer die weg te gaan om anderen met genade en woorden tegemoet te treden. Zelfs al zwijgen zij over mijn geliefde kindje, die uiterlijk vandaag twee jaar had moeten worden.

 

Vergelijken

‘Ben je liever doof of liever blind?’ Ik weet niet hoe vaak die vraag me gesteld is, maar vooral toen ik klein was, vroegen kinderen me dat heel erg vaak. Ik stamelde dat blind zijn waarschijnlijk erger was, gewend als ik was aan mijn niet goed horende oren. Toch is slechthorendheid een rothandicap, ik kan niet anders zeggen. En ik denk dat een blinde niet graag doof zal zijn en tegelijk zou willen dat hij kon zien.

Vergelijken. Wat zit dat diep ingebakken. Sommigen zeiden tegen mij dat het maar goed is dat mijn dochter al zo vroeg was overleden, dat ik de kans niet had mijn dochter te leren kennen en me meer aan haar te hechten.

Een van mijn kinderen huilt soms omdat klasgenoten zeggen dat het niet erg is dat Zusje stierf, want ze was toch nog niet geboren. Maar voor mijn kind is Zusje gewoon Amanda en het verdriet haar niet te kennen, niet te weten hoe ze nu zou zijn, haar niet te leren koprollen, haar haartjes niet te kunnen doen, haar niet op sleeptouw te kunnen nemen, dat verdriet is gewoon verdriet. 

Ik worstel soms met lelijke jaloezie als een andere rouwende moeder vertelt dat haar kind nog een paar uur of een paar weken of zelfs jaren heeft geleefd. Maar natuurlijk is haar verdriet niet minder groot omdat zij wel herinneringen heeft die ze kan koesteren, haar liefde wel een tijdlang kwijt kon. Net zo min als mijn verdriet minder groot is omdat ik dat nu juist ontbeer. 

Verdriet is gewoon verdriet. Ieder van ons moet met het verdriet wat we hebben leren leven. 

Vergelijken is killing. Het isoleert jou van mij, terwijl als jouw verdriet er mag zijn en dat van mij ook, verbondenheid kan ontstaan. Als gedeelde smart misschien halve smart is, is ongedeelde smart dan dubbele smart?

Verdriet erkennen voor wat het is, zonder vergelijking of oordeel, is ongelofelijk belangrijk en kan zelfs helend zijn. Want als verdriet er mag zijn en erkend wordt voor wat het is: verdriet, dan komt er ook ruimte voor andere gevoelens. Als je verdriet moet wegduwen, moeten alle emoties worden weggeduwd en kan ook compassie of medeleven er maar moeilijk zijn.

Dus, ik stop ermee om jouw verdriet met dat van mij te vergelijken. Ik wil naar je luisteren en de overeenkomsten en verschillen accepteren. Want jouw verdriet bestaat. Net als mijn verdriet. Het valt niet tegen elkaar weg te strepen. Het is niet te vergelijken, maar het bestaat wel degelijk.

Bereaved Mothers’ day

Volgende week is het weer moederdag. Een dag waarop veel moeders even het stralende middelpunt zijn en ontbijt en zelfgemaakte cadeautjes krijgen. Een dag waarop de pijn van de kinderen die er niet meer zijn of die er nooit zijn gekomen, ook scherp naar voren komt.

Ik vind Moederdag best ingewikkeld. Ik ben heel erg blij met de kinderen die in mijn huis opgroeien. Ik geniet ervan ze te koesteren, onderwijzen, coachen, verzorgen, plezier met ze te maken en te zien hoe ze langzaam maar zeker zelfstandige mensen worden met een eigen identiteit. Het ontroert me en maakt me nederig: ‘Wow, is dit werkelijk míjn kind?’

Maar juist door stil te staan bij mijn moederschap, vlamt automatisch het gemis op van het kind dat er niet meer is. Het kind voor wie ik niets meer kan doen en dat ik niet zie opgroeien tot een autonoom persoon. Dat is echt vervelend. Vooral op Moederdag, als je levende kinderen zo hun best voor je doen. Dan wil ik me eigenlijk niet bezighouden met mijn overleden kind, maar gewoon genieten van zij die hier zijn. Het voelt alsof ik mijn levende kinderen onrecht aan doe om juist op zo’n dag aan Amanda te denken. Dus doe ik erg mijn best om me vooral op de levenden te richten.

Je kunt natuurlijk niet helemaal voorkomen dat heftig verdriet ineens de kop op steekt. Maar misschien helpt het wel om er op een ander moment ruimte aan te geven. Dat las ik vanmorgen toen ik het gevoel had dat ik iets moest schrijven over vandaag. Vandaag is het namelijk International bereaved mothers’ day. Deze dag er is om speciaal bij je overleden kinderen stil te staan, bij je miskramen, of bij je verdriet dat je, ondanks dat je er zo ontzettend voor gebeden en op gehoopt hebt, nooit moeder bent geworden.

Bereaved mother’s day is Moederdag voor hen die hun kinderen zijn verloren en voor hen die geen kinderen kregen terwijl ze er wanhopig naar verlangden. Een dag om bij je overleden kindje stil te staan, bij de miskramen die je had, bij je ongewenste kinderloosheid. Een dag om een bereaved mother een hart onder de riem te steken en nog eens extra duidelijk te maken dat ook zij kostbaar is en geliefd.

Iemand schreef over vandaag iets met de volgende strekking: ‘Als we vandaag stilstaan bij wat we verloren hebben, kunnen we volgende week op Moederdag oprecht blij zijn met wat we wel hebben’. Ik weet niet of dat echt zo werkt. Vorig jaar schreef ik over Moederdag dat ik evenveel moeder ben van mijn levende kinderen als van mijn overleden kindje. Mijn hart maakt geen onderscheid.

Toch ga ik het proberen. We hadden toevallig al afgesproken om vanmiddag even naar het graf te gaan om de nieuwe plank neer te leggen. De oude is onleesbaar geworden, de grafsteen moet nog steeds besteld, en tijdens onze vakantie afgelopen week was er een mogelijkheid om hout te branden en hebben mijn Lief en ik samen een nieuwe plank gemaakt. Komt dat even goed uit.

Vandaag probeer ik stil te staan bij mijn moederschap van Amanda en bij de miskraam die ik had en vandaag bid ik voor de vrouwen die ik ken die geen kinderen konden krijgen, die miskramen hadden, of die net als ik een kind kregen dat overleed. Hoe zeg je dat? ‘Happy bereaved mothers’ day?’ Laat ik het zo zeggen:

Lieve vrouw. Je bent geliefd, gezien en kostbaar en ook jouw verdriet is kostbaar. Sta er vandaag nog eens bij stil als je de kans hebt. Het mag er zijn. Juist vandaag.

plank Amanda

Aanwezig in afwezigheid

Ik wil een boek schrijven. Ter voorbereiding haalde ik stapels boeken uit de bieb over rouwen en de dood. Geen gezellig onderwerp en erover lezen doet me veel. Zo word ik er onder andere heel kwaad van. Maar ik weet nog niet precies waarom. Ben ik kwaad op de dood? Op hoe mensen reageren? Op het feit dat mijn kinderen hiermee moeten leven terwijl ik ze zo graag alle leed bespaar? Op mijn lege armen en lege buik? Op God?

Het speelt allemaal een rol, denk ik. Het lezen van deze boeken haalt heel wat naar boven. Dus waarom doe ik het eigenlijk? Nou, ik word er niet alleen boos om, ik kom er ook achter waar ik het zelf over wil hebben en ik vind herkenning. Het is erg prettig om dingen te lezen die woorden geven aan wat er sluimert onder de oppervlakte. Zoals het gevoel dat Amanda er is in afwezigheid.

Marinus van de Berg gebruikt in zijn boek: Verdriet dat niet verdwijnt de term ‘levenslooplang’. Hij zegt: “Ik wil ermee aangeven dat je de dood van een kind – of van kinderen – de rest van je leven met je meedraagt als een niet te vergeten gebeurtenis. Philip Freriks heeft in zijn boek Jantje geschreven over zijn broer die aan het eind van de oorlog werd doodgeschoten. Wie zoals hij heel jong een broer heeft verloren, heeft bij het ouder-worden steeds meer momenten waarop die broer er had kunnen zijn, maar er niet is. Hij is er in de afwezigheid: levenslooplang. Dat beïnvloedt je leven meer dan je denkt.”

Ik schold inwendig toen ik dit las. Dit is wat ik zie bij mijn levende kinderen. De dood van hun zusje beïnvloedt hen meer dan ik denk en vooral: dan hun omgeving denkt. In elke ontwikkelingsfase duiken nieuwe gedachten, vragen en emoties op. Moeten ze als het ware opnieuw leren leven met het gemis. Ze zijn er niet voortdurend mee bezig, maar het maakt wel deel uit van hun leven en hun ontwikkeling. Dat komt op sommige momenten indringend naar voren en ik vind het moeilijk om mijn kind zo te zien, zeker omdat het iets is waar ik helemaal niets aan kan veranderen.

Een van de eerste dingen die ik dacht toen we erachter kwamen dat onze dochter was overleden, was: ‘Hoe vertel ik het mijn kinderen?’ ‘Hoe moeten zij daar mee leven?!’ Woest was ik. Dat ik zoiets mee moest maken was nog tot daar aan toe. Maar mijn kinderen? Nee! Ik wil mijn kinderen koste wat kost beschermen tegen leed, verdriet, ellende. En dat kon ik dus niet. Het was niet terug te draaien. Nog steeds kan ik er niets aan veranderen. Ze moeten er mee leren leven dat hun zusje er is in haar afwezigheid.

Hoe ik ze kan helpen om dat te doen, daar hoop ik wijzer in te worden en dus ben ik blij dat er boeken over geschreven zijn. Naarmate mijn kinderen ouder worden, realiseren ze zich steeds meer wat ze missen. Ze vragen zich af hoe het zou zijn geweest met haar erbij. Dus ook al is Amanda er niet, toch is ze er op een bepaalde manier. Het is fijn om dat nu te kunnen benoemen: zij is er in haar afwezigheid.

Wandelen

wandelen

Een flinke wandeling herinnert me eraan: periodes in mijn leven komen en gaan. Zoals ik de ene voet voor de andere zet en gestaag doorwandel totdat ik vermoeid weer thuis ben, zo gaat in het leven ook de ene periode over in de andere. Of, zoals een oudere moeder tegen me zei toen ik met vier kleine, zeer levendige, kinderen thuis was en me overweldigd voelde: ‘this too shall pass’.

Ik wandelde net voor de zoveelste keer ‘m’n wandelingetje’. Vrijwel dagelijks loop ik een rondje door de polder bij mij in de buurt. Vaak een halfuurwandeling over asfalt langs het water, maar als ik meer tijd en energie heb, neem ik een langere route, over de zandpaadjes.

Dat doe ik vandaag. Door de zon is de meeste modder opgedroogd en vandaag heb ik eigenlijk alleen maar ruimte in mijn hoofd om te overdenken wat er de afgelopen weken allemaal is gebeurd. Ik besluit er de tijd voor te nemen. Ik wandel en laat mijn gedachten gaan. Opnieuw leren mijn vermoeide voeten mij dat ook deze huildag weer voorbij gaat. Zoals mijn benen meters maken over modderige stukjes, oneffen paden, plotselinge windvlagen of onverwachte warmte, zo gaat ook mijn leven door. Adem in, adem uit. Van de ene situatie in de andere en overal komt een einde aan. Net als aan mijn wandeling.

In de bijbel wordt het leven vaak vergeleken met een weg die je afloopt. Toen onze dochter overleden bleek te zijn en ik van haar moest gaan bevallen, zei iemand ons, op basis van Psalm 23: ‘Je moet wandelen door het dal. Je moet er niet in gaan zitten. Je moet er niet door heen hollen. Je moet erdoorheen lopen.’ Op de een of andere manier gaf dat een handvat voor waarin we ons bevonden. Het dal van de schaduw van de dood. Nou ja, schaduw van de dood… Het is maar hoe je het bekijkt. Onze dochter was werkelijk dood. Wij niet. Wij kwamen dus eigenlijk in de schaduw van háár dood, niet die van onszelf, te wandelen. Dat dat een dal was, was duidelijk en dat er een einde aan zou komen, leek toen volkomen logisch, maar na verloop van maanden niet meer. Toen voelde het alsof er nooit een einde aan kwam.

Maar zoals aan elke wandeling een einde komt, komt aan het leven een einde en ook aan seizoenen en periodes in ons leven. In de vele rouwboeken en -artikelen die ik las, trof één zin me bijzonder hard: ‘ons leven is een aaneenschakeling van verliezen’. Wat is dat waar en dat gaat niet alleen over de dood of over uitsluitend verdrietige dingen. Verlies is iets waar iedereen mee moet leren leven.

Deze wandeling herinnert me daaraan. 22 maart was het twee jaar geleden dat Amanda geboren werd. 20 maart bleek ze overleden te zijn en 27 maart hebben we haar begraven. Deze dagen vielen tussen allerlei dagelijkse beslommeringen en speciale gebeurtenissen zoals een vrijgezellenfeest, een promotiefilmpje maken voor mijn boek, mijn lief die een paar dagen van huis was. Eigenlijk heb ik maar weinig tijd gehad om echt bij haar stil te staan, al hadden we op haar sterf- en geboortedag vrij genomen.

We hebben – jawel – gewandeld op haar sterfdag. Lang en flink. Op haar geboortedag gingen we naar de begraafplaats. ’s Ochtends samen, om opnieuw over een grafsteen na te denken en haar grafje netjes te maken. ’s Middags met de kinderen. Kaarsje met een ‘2’ aangestoken, sterretjes gebrand, mijn lief gaf een kleine speech. Huilen, elkaar omarmen, omgaan met de verschillende reacties van verschillende kinderen die nu eenmaal de dingen elk op hun eigen jongens- dan wel meisjesachtige manier beleven in hun eigen ontwikkelingsfase. Het was uitputtend en mooi.

Daarna gingen we uit eten. Net als vorig jaar. Hiep hoi. Lekker uit eten, want onze dochter is twee jaar geworden. Ik bedoel: Onze dochter had twee jaar moeten worden. O nee, als ze op tijd geboren was, was ze nu nog geen twee geweest. Het moet zijn: onze dochter werd twee jaar geleden levenloos geboren en ondanks ons verdriet zijn we toch blij dat ze deel uitmaakt van ons gezin en daarom doen we vandaag haar bestaan eer aan door met elkaar haar korte leven een soort van te vieren.

Het was ook dit jaar moeilijk en vreemd om de geboortedag te vieren van iemand die er niet meer is, die we zelfs niet echt hebben kunnen leren kennen. Maar het was toch anders dan vorig jaar. Rouw was weer even rauw, maar toch niet zo rauw als vorig jaar. Al kan rouw me soms nog steeds rauw op mijn dak vallen, de periodes ertussen worden langer.

Misschien ben ik niet echt uit het dal, toch ben ik door dat dal aan het lopen en leer mijn verdriet figuurlijk uit te wandelen. Al zal het misschien wel nooit totaal verdwijnen, het raakt wel meer verweven met wie ik ben en er zijn periodes, tijden, momenten. Net zoals in mijn fysieke wandeling het pad me langs modder en rotzooi en moeiten brengt, maar ook langs prachtige uitzichten, zachte briesjes, momenten van besef dat ik het niet alleen hoef te doen en dat er een einde aan komt. Ik denk dat ik morgen maar weer ga wandelen.

sterretjes twee jaar

grafje

We are not alone

Het is twee jaar geleden vandaag dat we de meest vreselijke boodschap hoorden die je maar kan krijgen over je kind: ‘Het spijt me, …’

De dood kwam nog nooit zo dichtbij. Binnenin mij was onze dochter gestorven.

Onze dochter is nog steeds gestorven. Wij zijn ouders van een overleden kind. En wat dat betekent, weet je niet als je het net gehoord hebt. Wij dachten dat dit iets was wat je even verwerkt. Waar je even doorheen moet, wat je moet doorstaan. We realiseerden ons niet dat als je kind sterft, er een hele toekomst sterft en je de rest van je leven ouders blijft van een persoon die je niet kunt leren kennen. Een meisje dat deel uitmaakt van je gezin zonder dat ze erbij is. Dat is werkelijk heel apart en pijnlijk. Maar je zult er mee moeten leren leven, dus dat zijn we maar gaan doen. Daar zijn we mee bezig.

‘Je moet ruimte houden’, zeiden mensen die het konden weten tegen ons. Houd ruimte voor de momenten waarop verdriet je ineens overvalt. Zodat je dat even toe kunt laten als dat nodig is. Dat deden we. De eerste weken wandelden we elke dag. Samen. We probeerden te vertellen wat we dachten en voelden, voor zover we wisten wat we dachten en voelden. We probeerden te blijven communiceren zodat we in elk geval open lijnen hadden tussen ons.

Ik dank God nog steeds voor dat heldere moment vlak na de doodstijding. Ik was zo bang dat ons huwelijk dit, na alles wat we al hadden meegemaakt, alsnog de kop zou kosten. Ik besefte dat het cruciaal was om te rouwen zoals ik nodig had en hem de ruimte te geven om te rouwen zoals hij nodig had én daarbij te blijven vertellen wat ik denk en voel, zonder te verwachten dat hij hetzelfde denkt, hetzelfde ervaart. We gaven elkaar de ruimte terwijl we wel steeds mededeelzaam probeerden te zijn. We ontdekten dat we toch veel gevoelens en gedachten deelden, ook al uitten we ons heel verschillend.

Vandaag wandelden we weer en herinnerden elkaar aan twee jaar geleden. Hoe we toen wandelden en niet wisten hoe we verder moesten. Hoe verdriet nog steeds op de vreemdste momenten de kop op steekt. Hoe alles wat we geloofden overhoop werd gehaald en we helemaal opnieuw ons geloof, ons doel, onze identiteit terug moesten vinden en alle vanzelfsprekendheid verdwenen was.

Eigenlijk was het enige wat voor mij overeind bleef staan, het lied dat een vriendin me stuurde op de dag van haar dood: ‘We are not alone, we are not alone, we are not alone, God is with us’. Dat lied luisterden we twee jaar geleden keer op keer als we het niet meer zagen zitten. Dat liedje luister ik vandaag weer, omdat ik geloof dat het waar is, ook al zegt mijn gevoel vaak iets anders.

Het tweede jaar doorkomen

‘Eerst moet je het eerste jaar door zien te komen’, zeiden ze, en dat deden we. ‘Daarna het tweede…’ kwam er direct achteraan. Ik kon er destijds niet over uit dat je hier niet overheen zou kunnen komen. Dat je het niet gewoon kon doorleven en dan achter je laten. Het maakte me kwaad, opstandig en zeer vastberaden om te laten zien dat dat heus wel kan. Maar het verlies van een kind gaat dieper dan ik dacht. Verdriet kruipt waar het niet gaan kan.

Het is weer lente. Het is heerlijk weer en er zijn weer andere geuren en kleuren buiten. ‘Kijk mam, er zijn alweer narcissen.’ zegt mijn dochter blij. Ik hum dat ik ze ook zie. Het was me al eerder opgevallen deze week en het geeft me een beklemmend gevoel. Narcissen doen me direct aan Amanda denken. Ze groeiden overal toen ik zwanger van haar was.

Vandaag twee jaar geleden gingen we naar het ziekenhuis voor een tweede twintigwekenecho. Ik weet het nog zo goed. Na jaren wachten was ik eindelijk zwanger en zó dankbaar dat God ons nog een kindje toevertrouwde én bezorgd omdat een ander dierbaar kleintje het jaar daarvoor bij de twintigwekenecho ernstige afwijkingen had. Ons kindje bleek bij de eerste twintigwekenecho helemaal gezond en de tranen liepen over mijn wangen toen we hoorden dat ze een meisje was.

Toch moesten we naar het ziekenhuis voor een tweede echo. Want helemaal goed was het niet. Ons meisje was te klein. We hielden het nog even voor ons, vierden verjaardagen en probeerden niet bezorgd te zijn. Eerst de tweede echo afwachten. Die week wandelde ik regelmatig door de geuren en de kleuren van de lente, voelde mijn toch best dikke buik, bad, sprak leven en gezondheid, en probeerde niet bezorgd te zijn.

23 februari 2017: Onze dochter groeit inderdaad niet goed. Ik zit in een voorstadium van zwangerschapsvergiftiging en moet aspirine gaan slikken, hoewel dat waarschijnlijk geen zin meer heeft. Verder is er weinig aan te doen. Behalve bidden natuurlijk. We schrijven een mail aan iedereen die dicht bij ons staat met uitleg en gebedsvraag. Ik maak maaltijden om in te vriezen, regel oppasadressen en lees alles wat ik kan vinden over couveusekinderen. Want met 24 weken mag ik weer langs komen voor een groei-echo. Zolang ze blijft groeien, kom ik wekelijks op controle. Als ze niet meer groeit, word ik opgenomen en moet ze waarschijnlijk snel geboren worden. Met alle risico’s vandien.

Ik neem rust ook al zeiden ze dat het geen zin heeft. Ik doe alleen nog het allerbelangrijkste in huis en met de kinderen en verder niets. Ik wil geen spijt krijgen dat ik er niet alles aan heb gedaan om mijn kindje te laten groeien. Ik snuif de geur van de lente, de belofte van nieuw leven. Ik maak elke beweging van mijn kleine meisje zo bewust mogelijk mee. Achteraf is het haar laatste levensmaand.

En nu, twee jaar later, loop en fiets ik weer door lentegeuren. Gisteren nog met mijn hele, niet hele gezin. We gaan gezellig samen eten bij Happietaria en hebben echt plezier. De kinderen zijn blij met een week vakantie en wij zijn blij dat we weer wat ondernemen na een slopend weekje griep.

Daar zit ik dan, met man en vier kinderen. Pijn vlamt op. Ik moet alle zeilen bij zetten om er niet aan te denken, maar voel nog eens extra aan het armbandje met haar naam om mijn pols. Ik voel me kinderachtig en vermaan mezelf: ‘Kom op zeg. Je bent rijk. Je hebt vier grote kinderen om je heen, die met elkaar lachen en stoeien en gekheid uithalen. Die met elkaar omgaan en van elkaar houden, zelfs als een van hen juist nu duidelijke beperkingen laat zien.’

Het lukt aardig. Maar steeds komt er weer een golf van pijn opzetten, terwijl ik lach met mijn dochter die zo duidelijk ouder is geworden en zich al bijna student voelt, net als het vrijwillige personeel dat ons bedient. Ik ben trots op mijn viertal en echt blij met hen. Ik realiseer me dat dit de onomkeerbaarheid is waarmee ik moet leven. Ik kom altijd een kind tekort. Hoe vol mijn tafel ook is. Hoe vol mijn hart ook is met liefde voor deze vier. Ik mis tegelijk mijn vijfde verschrikkelijk en de pijn is net zo hevig als de blijdschap en de dankbaarheid. Het is een ingewikkelde cocktail van emoties. Maar we moeten en komen ook deze laatste maand van het tweede jaar door.

Fijne verjaardag

wittewereld

Morgen is mijn liefste jarig. Ik loop nog even naar de winkel om wat lekkers te kopen voor het ontbijt. Een vriendin had me aangemoedigd: ‘ga toch even lekker de natuur in Ineke. Dat zal je goed doen’. Dus ik neem een omweg, via het park. Ik kies de weg die mijn kinderen zouden kiezen: over de stenen op het water naar de overkant. Verdriet overvalt me heel even, maar vlijmscherp: Ik hoef niet om te lopen, want ik heb geen buggy bij me. Ik ben maar alleen.

Ik kijk om me heen en zie de schoonheid van een witte wereld. Hier en daar voetstappen en viezigheid, maar verder nog puur. Het witte bedekt de lelijkheid maar eventjes, maar wat een verademing als het gebeurt. Ik herinner me wat ik ergens las. Als er sneeuw ligt wordt de aarde doordrenkt, diep gevoed. Zo is het ook in ons leven, soms zie je aan de buitenkant niks gebeuren, terwijl er van binnen van alles gebeurt. Ik schud die gedachte van me af en akker door de sneeuw naar het centrum van mijn wijk.

Ik loop door de supermarkt, bedenk wat hij lekker vindt en kies dingen die ik anders vrijwel nooit koop. Ik moet niet teveel meenemen als ik thuis wil komen met mijn tenniselleboog en mijn pijnlijke rug. Voorzichtig kies ik de kortste route naar huis. Dan loop ik langs bloemen en planten. ‘Lelies!’ Schiet het door me heen. Ik moet lelies hebben, want morgen is hij jarig en zij is er opnieuw niet bij. Als we lelies hebben is dat in elk geval een teken dat ze erbij had moeten zijn.

Ik loop naar binnen en hoor mezelf zeggen dat ik lelies wil, want dat is het symbool voor onze overleden dochter en we hebben een jarige. Dus. Ik snap zelf niet waarom ik het zeg en de man geeft geen woorden terug. Hij noemt een hoge prijs en ik geef hem het bedrag gepast. Ik trek mijn handschoenen aan voordat ik de kou weer inga. ‘Fijne verjaardag.’ Zegt hij bij wijze van gedag.

Ineens moet ik huilen. Ik ben boos op mezelf. In de veiligheid van mijn eigen huis huil ik niet, lukt het niet, vlucht ik in bezigheden en vermaak. Maar hier, in de kou met mijn tas op mijn rug, boodschappentas in mijn goeie en bos lelies in mijn tennisarm, kan ik het plotseling niet meer tegenhouden. Ik loop voorzichtig, mensen ontwijkend, op huis aan.

Ik bid in stilte. God, nu zou een mooi moment zijn om me te laten merken dat ik niet alleen ben. Tot mijn verbazing geeft mijn telefoon het bekende signaal. Opnieuw lopen de tranen over mijn wangen.

Ik begrijp niets van mezelf. Ik heb geen controle over rouwen. Het enige wat ik kan doen is de weg die voor me ligt lopen, letterlijk en figuurlijk. En proberen niet teveel tegen te houden, omdat ik dat al veel te veel doe. Ik zeg tegen mezelf: ‘thuis mag je huilen, loop nu maar zo hard je kunt’. Maar ik kom iemand tegen die geen voelsprieten heeft en zichzelf graag hoort praten. Ik moet bot zijn om hem van me af te schudden, maar bot op een moment van groot verdriet is bij mij vaak echt té bot, dus ik houd me in.

Eenmaal thuis smijt ik de lelies op tafel. Het helpt niet. Deze lelies zijn koud en stijf en al aan het doodgaan sinds ze geplukt zijn. Ik wil mijn dochter naast me hebben lopen, ratelend over wat we voor haar pappa hebben gekocht. Enthousiast vertellend aan haar broer en zus die zo komen lunchen. Maar dat gaat dus niet gebeuren. Ik kan er niets mee. Het is een feit en dat heb ik maar te accepteren. Maar hoe je dat doet, is me eigenlijk nog steeds een raadsel.

Rouw is liefde die je niet kwijt kunt. En zo is het. Ik ga zitten en schrijf mijn kaart vol met lieve woordjes. Fijne verjaardag mijn liefste. En in de rij met namen schrijf ik vol overtuiging ook de hare, al is ze fysiek slechts aanwezig bij wijze van lelie.

Alleen de kleur nog

Daar liepen we weer. Net als bijna een jaar geleden, toen we er voor het eerst en het laatst waren geweest. Keer op keer hadden we het uitgesteld al stond het maand in maand uit op ons bespreeklijstje. Er waren steeds dingen belangrijker, urgenter, maar vooral: gemakkelijker, dan: Grafsteen uitkiezen.

Maar nu waren we er dan toch. Bij de steenhouwer en in de showroom met verschillende natuurstenen graven. Ik voelde een constante misselijkheid. Een bizarre tweestrijd, weerstand, aversie. Daar zat ik dan met mijn liefste aan tafel bij iemand die we nauwelijks kennen, te bespreken hoe we willen dat het graf van onze dochter eruit moet komen te zien. Alsof het om een nieuwe keuken gaat, of een of andere verbouwing. Welke indeling, materiaalsoort, lettertype? En dat alles zat ik daar zakelijk te bespreken, met zoveel mogelijk gladgestreken gezicht. Nu even geen emoties alstublieft. Niet dat niet zou mogen, dat denk ik tenminste, maar ik wilde dat niet. Laten we rationeel, als wijze ouders, beslissen wat er nu gebeuren moet.

Als ik iets ontdek heb in deze weg van rouw, is het wel dat ik het erg goed kan: mijn gevoelens verdringen. Ik ben er niet trots op, want het is eigenlijk behoorlijk vervelend. Ik heb zelf niet eens door dat ik het doe namelijk. Ik kom er gewoon pas later op een vervelende manier achter dat iets mij eigenlijk toch wel heel veel doet. Te laat, want eerst ga ik domme dingen doen, word ik soms zelfs ziek, word ik steeds chagrijniger. ‘Hoe kan dat nou?’ Vraag ik me af en pas na een paar dagen, als ik eindelijk om het één of ander dan toch in tranen of woede uitbarst en me afvraag waar dat in vredesnaam vandaan komt, besef ik: ‘o joh. Ik heb gewoon verdriet!’ ‘Ik voelde me gewoon gekwetst!’ Of in dit geval: ‘Ik zag er eigenlijk gewoon heel erg tegen op!’ Ik denk zelfs dat ik mezelf deze griepweek zieker had gemaakt dan ik was door dit knagende gevoel niet te willen voelen. Dit knagende gevoel van weerzin om deze aankoop dan nu toch eindelijk te gaan doen.

Maar het moet gebeuren. Het plankje dat onze lieve oudste maakte, is bijna niet meer leesbaar. Bovendien willen we niet verplicht naar het grafje toe om het steeds netjes te maken, ook al komen we er nog steeds nu en dan. We willen het niet móeten doen. Ze is het zo waard, benadrukt mijn liefste steeds en zelf wil ik het kunnen zien als ik daar ben: Hier ligt ons dochtertje, rechtstreeks vanuit mama’s buik in de armen van haar Hemelse Vader. Susan Amanda Marsman. Misschien wel omdat ik het nog steeds haast niet kan geloven, laat staan bevatten.

Hoe vreemd het ook klinkt. Ik kan het soms nog steeds niet geloven dat ik werkelijk nog een vijfde kindje heb, maar er niet voor kan en mag zorgen. Ik vóel het soms, omdat ik nog steeds paniekgevoelens heb als we met z’n allen weggaan, omdat ik nog steeds in verwarring raak als iemand me vraagt hoeveel kinderen ik heb en omdat de pijn op onverwachte momenten opvlamt als ik op straat loop, als ik in huis zit, of als ik wakker word.

Dus ook dit hoort erbij. Rationeel een steen uitkiezen terwijl je hele ziel zich ertegen verzet. Omgaan met misselijke gevoelens terwijl je je zogenaamd ‘vermant’. Net als bevallen van een dode baby: je wilt het niet, maar je zult wel moeten. Net als het begraven van je eigen kind: je wilt het niet, maar je zult wel moeten. Zo ook nu, hoewel sommige mensen misschien vinden dat het niet hoeft, wij vinden dat we het zullen moeten doen: een waardige steen op haar grafje leggen. En dat moet dus nu nog steeds gebeuren, maar we zijn er uit wat de tekst wordt en de vorm. Alleen de kleur nog.

Terug bij af

We zijn weer terug bij af. Zo voelt het tenminste. Maar het is niet zo.
Maar toch voelt het zo.

We zijn weer terug bij af. Twee jaar geleden waren we vol blijde verwachting. En we vroegen ons af waar het kleintje moest slapen. Wat de andere kinderen nodig hadden. Kind voor kind bespraken we. En we kwamen op een plan dat waarschijnlijk voor alle vijf het beste was. Er kwam een aparte babykamer. Twee kinderen kwamen bij elkaar op de kamer. En de andere twee kregen elk een eigen kamer op zolder. We begonnen na de kerstdagen al met de verhuizing, zodat we in de meivakantie, mocht het zo niet blijken te werken, de boel nog konden veranderen.

Twee maanden later werd ze ineens al geboren. Veel te vroeg. In maart. Terwijl ze al in de volgende wereld was, kwam ze in deze wereld. Wat een geluk bij een ongeluk dat we er al zo vroeg bij waren geweest en de kamers al omgegooid waren. Dat er een babykamer was waar de wieg kon staan, waar we haar op konden baren, bekijken, vasthouden.

Na de begrafenis werd dit kamertje een plek om bij haar stil te staan. Om even te huilen. Even het gevoel te hebben dat we dicht bij haar konden zijn. Het was fijn om zo’n plek te hebben en ieder van ons ging er zo nu en dan even naartoe.

Maar als je vier levende kinderen hebt en vier slaapkamers te verdelen, is het op een gegeven moment tijd om elk kind weer een eigen kamer te geven, vonden wij. En dus ruimden we een jaar geleden in de tijd tussen kerst en oud en nieuw de kamer van Amanda op.

En het was goed. Het is fijn dat elk van onze kinderen hier een eigen plek heeft en Amanda heeft geen eigen kamer nodig. En wij hadden die kamer ook niet perse nodig al was het moeilijk om er afstand van te doen omdat het voelde alsof we opnieuw afstand van haar deden.

Afgelopen jaar bleek het nodig om de kamers nogmaals opnieuw in te delen en afgelopen dagen, opnieuw na kerst, hebben we dat gedaan. Nu is het weer bijna hetzelfde als voordat Amanda er was. En vandaag, nu het meeste werk gedaan is, besef ik pas hoeveel verdriet me het eigenlijk doet. Naast dat het ook gewoon oudejaarsdag is, we de kerstdagen hebben gehad en het gewoon zo incompleet blijft voelen om ‘gezellig met z’n allen’ kerst en oud en nieuw te vieren.

We zijn weer terug bij af. Ons huis is weer zo’n beetje zoals het was voordat Amanda kwam. Elk kind heeft een eigen kamer. Een plek die bij hem of haar past. Waar het zich kan ontwikkelen, terug kan trekken, op kan laden. En het is goed en het is niet goed. Het is goed omdat het hopelijk de kinderen ten goede komt. Maar ik voel me zo gebroken en verdrietig. Eigenlijk nam ik op de een of andere manier weer een beetje meer afscheid van dat kleine meisje dat we zo verschrikkelijk missen.

Als ik Amanda zo mis, dan ga ik meestal maar weer bidden. Omdat God weet hoe het met haar gaat. Omdat hij dichtbij haar is. En omdat ik niet meer voor haar kan bidden zoals ik dat voor mijn andere kinderen doe (ze heeft per slot van rekening ook dat niet meer nodig), zei ik: “dank U wel dat ze het fijner heeft dan waar ook ter wereld. Dat het zo ontzettend goed met haar gaat”. En ik bedenk me nu pas: “dat zij haar eigen kamer eigenlijk ook al heeft”.

Hmm. Misschien zijn we toch niet zo terug bij af als het voelt. We zijn natuurlijk sowieso verder gegaan en niet teruggegaan, maar dit gaat dieper al vind ik het moeilijk te accepteren: Misschien zijn we nu wel ieder precies waar we zijn moeten, op dit moment in time and space.

Het is oudejaarsdag vandaag. Vanavond gaan we weer danken voor het afgelopen jaar en bidden voor het nieuwe. Ieder van ons heeft dingen opgeschreven en vanavond gaan we het met elkaar doornemen, herinneringen ophalen en het nieuwe jaar en onszelf in Gods handen leggen. Daarna steken we weer vuurwerk af en wensen we elkaar gelukkig nieuwjaar. Ik vond het vorig jaar vreselijk moeilijk en vandaag zie ik er eigenlijk ook heel erg tegenop. Omdat zij er weer niet bij is en ik niet met een peuter op mijn arm voor het raam zal staan kijken dit jaar.

Vorig jaar bedacht ik me tijdens het kijken naar het vuurwerk: zou ze het kunnen zien? Is dat iets waar we allebei van zullen genieten? Ik weet het niet en ik verzucht: Heer, doet U Amanda alstublieft de groeten. Ik hou van haar en ik mis haar. En doordat zij hier geweest is, zijn we in elk geval niet terug bij af. Maar we gaan gewoon maar weer verder. Ieder op zijn eigen plek.

Vierentwintig uur

For English click here

Zondag is het Wereldlichtjesdag. Om zeven uur ’s avonds, als het elders al acht uur is, worden in het stadhuis van de stad waar ik woon (en overal in onze tijdzone) kaarsjes aangestoken. Als het hier acht uur is geweest, is het elders in de wereld zeven uur en zo, uur na uur, branden over de hele wereld vierentwintig uur lang kaarsjes ter nagedachtenis van onze overleden kinderen.

wereldlichtjesdag

Ik was er vorig jaar bij met mijn gezin. Het was een bijzonder uur. Het was bijzonder om samen te zijn met andere ouders van een overleden kind. Bijzonder om dit met zijn zessen te beleven. En bijzonder omdat tijdens het branden van de kaarsjes ook de namen werden genoemd van de kinderen die we herdenken.

Dit jaar gaan we weer. Het is heerlijk om de naam van Amanda te horen uitspreken. Zo apart om te merken hoeveel het ons doet. Ik denk dat het komt omdat als haar naam genoemd wordt, haar bestaan erkend wordt. En ze zit in mijn lijf, in mijn hoofd, maar over haar praten gaat niet vanzelf, want niemand ziet haar en ik kan niet vertellen dat ze begint te praten, dat ze net zulke krulletjes heeft als haar oudste zus en waar ik haar schoentjes heb gekocht.

En het is fijn om dit met zijn zessen te doen. Ik schreef al eens eerder: ‘samen rouwen is een crime’ en ik kan er nog steeds niets anders van maken. Wanneer ik niet hoef te huilen, wil iemand anders dat wel. Wanneer ik het even moeilijk heb, heeft iemand anders zoiets van: ‘nu even niet’. En dat is oké en logisch, maar maakt ‘samen rouwen’ iets wat volgens mij gewoon niet kan. Rouwen is iets heel individueels terwijl we toch behoefte hebben aan contact, ook in ons verdriet. Daarom is zo’n moment waarop we gezamenlijk naar het stadhuis gaan, haar naam opschrijven, haar naam horen noemen en al dan niet huilen, een belangrijk en kostbaar ritueel om uiting te geven aan het verdriet en de verbondenheid daarin, ook al zijn we in het beleven ervan zo verschillend.

Zondag is het Wereldlichtjesdag en dat komt best snel na Allerzielen. Nu het er bijna aankomt, vind ik het toch wel een mooi moment in het jaar. Ik heb van de week een paar keer Sinterklaascadeautjes in staan pakken en nu en dan vlamt de pijn ineens op. Ik heb geen cadeautjes voor haar. Alles wat ik kocht is voor kinderen van boven de negen jaar. En ik vraag me af hoe ze het heeft. Of God haar verwent. En besef dat de liefde die zij ontvangt, veel groter is dan cadeautjes ooit kunnen communiceren.

Na Wereldlichtjesdag volgt Kerst al vrij snel, waarbij alles draait om een baby. God die hulpeloos werd om ons zijn liefde te laten zien. De Almachtige die weerloos werd om ons dicht aan zijn hart te trekken. Ieder kind krijgt bij ons een boek op Eerste Kerstdag. Een traditie die we overnamen van de kerk waarin we opgroeiden. We gaan wandelen en steengrillen en op bezoek bij familie. En dat allemaal opnieuw zonder haar. Juist op die bijzondere dagen voelt het gemis extra zwaar.

Vervolgens is het Oud & Nieuw en staan we stil bij waar we voor kunnen danken en bidden. We schrijven alles in twee kolommen op een groot vel papier: ‘we danken voor 2018: …’ en: ‘we bidden voor 2019’. En dan is er opnieuw heel veel waar we dankbaar voor zijn, zijn er gebeden verhoord en kijken we uit naar wat er gaat komen. En er zijn onverhoorde gebeden, onvervulde verlangens. Het gemis van Amanda is niet minder geworden. Sommige problemen zijn vele malen hardnekkiger dan we hadden gehoopt. Ook dat leggen we neer bij degene die het overzicht heeft en weet wat Hij doet.

Ik vind het fijn dat het tussen al die feestdagen in, Wereldlichtjesdag is. Om een kaars te branden, Amanda’s naam te horen, samen al dan niet te huilen. Want ze blijft inderdaad voor altijd onzichtbaar maar voelbaar deel van ons. 24/7.

 

 

Tekst over Wereldlichtjesdag:

‘Elke 2e zondag in december wordt WereldLichtjesDag gehouden.
Op deze dag steken mensen om 19.00 uur over de hele wereld kaarsjes aan ter nagedachtenis aan overleden kinderen. Het maakt daarbij niet uit hoe oud het kind was of hoe lang het al geleden is. Je kind blijft immers je kind! Voor altijd in je hart en gedachten!
De wereld wordt zo even letterlijk wat lichter voor mensen die een kind verloren hebben en daarnaast is er het besef dat je niet alleen bent met je verdriet.’
http://www.wereldlichtjesdag.nl/

Golven

For English click here

Ineens is het er weer. Grotesk, opdringerig, ongelofelijk pijnlijk. Een schreeuw die eruit wil maar blijft steken ergens halverwege. Een snik die gehoord moet worden, maar stokt, nog niet wil komen.

Zo heb ik een aantal dagen rondgelopen. Ik voelde druk achter mijn ogen en een chagrijn bezit van me nemen waar geen gebed tegen leek te helpen. Pas gisteren werd het allemaal ineens teveel en kon ik eindelijk huilen. En nu lukt het me bijna niet om te stoppen. Steeds opnieuw stromen de tranen over mijn wangen. En het besef dat ik haar mis, slaat als een golf over me heen.

Ik mis armpjes om mij heen. Gejengel achter me in de kerk vanmorgen riep het verlangen wakker naar mijn jengelende Amanda, die nooit jengelde, omdat ze niet zolang geleefd heeft dat ze jengelen kon. Ik mis haar gezichtje tegen mijn benen terwijl ik sta te praten met iemand. Dat ze naar me toe rent omdat ze blij is om me weer te zien. De doffe pijn van dit gemis is moeilijk te bevatten en op dit moment ook niet te onderdrukken.

Het is gewoon zo raar. Hoe kun je nou missen wat je niet hebt gehad? Hoe kan ik háár nu missen als anderhalfjarige, terwijl ik haar alleen maar heb gekend als heel klein baby’tje? En opnieuw klinken de woorden van Manlief in mijn hoofd: ‘ze groeit gewoon mee in ons gezin. Ze groeit gewoon mee op’. En dus mis ik nu een dreumes die leven in de brouwerij brengt en me voortdurend alert houdt. Ik hoor moeders blij zijn dat hun kinderen nu niet meer die constante aandacht nodig hebben omdat ze ouder geworden zijn, maar ik denk alleen maar: ik zou de wereld geven om dat nu te mogen hebben. Om haar in de gaten te moeten houden en geen seconde alleen te kunnen laten.

Ze lijkt te verdwijnen, vergeten te worden. Ze maakt geen zichtbaar deel uit van ons gezin. Vanbuiten lijkt ons gezin compleet en zijn we met zes personen hier. Voor veel mensen is dat al druk genoeg. Maar ik kom een kind tekort en de paniek die dat geeft, blijft opduiken. Ongewenst, maar toch daar. En ik wil het niet voelen. Ik wil niet toegeven dat het gemis blijft bestaan, dat niets lijkt te helpen om de pijn te verzachten. Het is mooi geweest. Het moet afgelopen zijn. Het is 28 oktober. Gisteren een jaar en zeven maanden geleden hebben we haar begraven. Ervaren hoe verschrikkelijk het is je kind achter te moeten laten.

We moesten toen direct weer door en ik wil ook nu gewoon door. En het lukt aardig. Ik zorg, ik schrijf, ik zing, ik speel, ik probeer er voor de mensen om mij heen te zijn. Maar ondertussen knaagt het overal onderdoor gewoon verder. En ik begrijp alweer een beetje beter waarom mensen zeggen dat ‘rouwen hard werken is’. Het is inderdaad een soort van werken, doorwerken, verwerken, op je laten inwerken, ermee verder werken. En er zit wel een progressie, een ontwikkeling in.

De afgelopen weken heb ik een aantal blogs van vorig jaar vertaald naar het Engels. Ik was daardoor bezig met veel van wat ik vorig jaar schreef. Ik zag hoe ik worstelde met God. Hoe ik zocht naar hoe je moet leven met zo’n diep gemis. Ik ontdekte dat er iets meer rust is gekomen in mijn gedachten, dat ik God weer meer vertrouw en dat ik inderdaad leer om het gemis te verweven met mijn bestaan, zoals ze dat zo mooi zeggen. Ik dacht eigenlijk zelfs dat het minder was geworden, leefbaarder. Totdat het nu dus ineens weer pontificaal voor mijn neus staat en ik nu toch weer wanhoop voel, intens verdriet, een zeer scherpe pijn. En hoe het precies komt, weet ik niet.

Ik zoek het niet op. Ik leef gewoon. Werk gewoon. Doe gewoon de dingen die ik zou moeten doen. Maar kennelijk is het zoals ze zeggen over rouw: verdriet komt in golven. En je moet ruimte houden in je leven om daarmee om te kunnen gaan. Zodat je kunt huilen als je moet huilen. Of zodat je kunt schrijven, zoals ik nu doe, want schrijven betekent woorden geven, erkennen en ruimte geven om het te laten bestaan. Ik zal haar blijven missen. Ze is mijn dochter en had hier gewoon moeten zijn. Het besef dat dat niet zo is, is als een golf die over me heen komt, me de adem beneemt en helemaal uit evenwicht slaat. Ik kan alleen maar zeggen, voor de zoveelste keer, dat God mijn anker is, en de rots waarop ik sta. Ik probeer te blijven staan en de golven dan maar tegen me aan te laten beuken. En ik wacht tot de zee weer wat rustiger wordt en de golven niet meer over me heen slaan – voorlopig.

De stilte doorbreken

For English click here

‘Hoe oud zijn je kinderen?’ vroeg een vriendelijke vrouw die ik nog niet kende op een verjaardag. Ik slikte, dacht even na, en besloot de waarheid te vertellen: ‘15, 13, 11, 9 en de jongste is overleden.’ Het was even stil. Toen vroeg ze: ‘Joh, hoe oud zou die geweest zijn?’ Opgelucht en dankbaar antwoordde ik: ‘Anderhalf’. ‘Sjonge, wat erg’, zei ze. Ik zei: ‘ja he. Inderdaad.’ Het was weer even stil. We wisten allebei niet zo goed wat we nog meer moesten zeggen. En vervolgens praatten we verder over andere dingen.

Soms reageren mensen zo fijn op wat zo vreselijk is. Soms mag het verdriet en je kind er gewoon zijn. Kun je het er gewoon over hebben als je dat zou willen. Want het is nou eenmaal zo. Haar niet benoemen neemt de realiteit van haar afwezigheid niet weg. Het verdriet, haar plek in ons gezin, het feit dat we nu een anderhalf jaar oude peuter bij ons hadden gehad als ze wel was blijven leven, dat allemaal: het ís er gewoon. Als je dat niet erkent, of verzwijgt ‘omdat je niet weet wat je moet zeggen’ (dat weet ik ook niet!) dan negeer je een wezenlijk deel van wie wij nu zijn.

Benoemen
Ik heb gemerkt dat het een wereld van verschil maakt of Amanda genoemd wordt of niet. Als ze genoemd wordt, erkend wordt dat ook zij bij ons hoort, dan kunnen we behoorlijk ontspannen ergens zijn. Dan kunnen we ook lachen en genieten, want we kunnen eventueel ook huilen. Maar het tegenovergestelde is helaas ook het geval. Het is net alsof je, als je het gevoel hebt dat je haar niet mag noemen en niet eventueel mag huilen, dat je dan ook niet kunt lachen. Je moet dan eigenlijk alle gevoelens onderdrukken, want stel dat je toch moet huilen. En dit heeft tot gevolg dat ik er op sommige verjaardagen of bijeenkomsten wat apathisch bij zit, als ik het al kan opbrengen om te komen.

Hoeveel kinderen heb je?
Noem je je kindje of niet? Het is een vraag die regelmatig door rouwende moeders wordt gesteld. En we worden vindingrijk in hoe we recht doen aan het bestaan van onze overleden kindje(s) zonder het het achterste van onze tong te laten zien. Zo zeg ik bijvoorbeeld: ‘ik heb vier kinderen in huis rondlopen’. Voorlopig werkt dat, want mijn kinderen wonen allemaal nog thuis. Of: ‘ik heb hier vier kinderen’. Ik denk niet dat ik ooit kan zeggen: ik heb vier kinderen. Want dat is niet zo. Ik heb er vijf. Ik kan mijn nu-weer-jongste ook niet als mijn jongste zien en noem hem ook niet zo. Want dat is hij niet. Hij is misschien mijn jongste hier, maar mijn jongste is niet meer hier.

Verzwijgen
Soms zeggen mensen tegen ons dat we het maar beter niet moeten zeggen: dat we een kindje zijn verloren, want dat geeft anderen zo’n ongemakkelijk gevoel. Ik heb soms begrijpend ‘ja’ geknikt. Want ik, die altijd en overal teveel rekening probeer te houden met iedereen, dacht: ja, daar zit wat in. Totdat ik besefte dat het aan me bleef knagen. Want wacht eens even, het geeft de ánder een ongemakkelijk gevoel? Voor hoe lang eigenlijk? Een paar minuten? Misschien een dag? Is dat eigenlijk zo erg? Het ís toch ook gewoon hoogst ongemakkelijk? En jij hebt daar maar even last van. Wij moeten er elke dag mee leven.

Als ik haar verzwijg, dan doe ik meer dan de ander sparen. Ik negeer een deel van wie ik ben. Ik negeer dat ik moeder ben van vijf kinderen en dat ik zo vaak aan haar denk en haar zo mis. Het voelt als verraad tegenover haar, en ook tegenover mijn kinderen en mijn man. Want zij hebben nog een zusje. Hij heeft drie dochters. En we zijn zo trots op haar. Zo blij dat ze hier geweest is. Daarom zijn we ook zo verdrietig.

Stil verdriet
Bovendien sterven er heel veel baby’s rondom de geboorte en is er veel stil verdriet om stille baby’s. Als ik mijn kleine Amanda benoem, hoor ik vaak een verhaal terug over andere vrouwen die ook hun kindje verloren. Veel oudere vrouwen rouwen in stilte om hun dode kinderen. Maar door het te verzwijgen, werd hun verdriet niet minder. En ik merk dat door te vertellen over mijn kleine meisje, er ruimte komt voor anderen om te vertellen over hun kleine kinderen.

Daarom denk ik dat je beter iets dan niets kunt zeggen als je weet dat iemand nog een kindje heeft dat niet meer leeft. Misschien kun je zelfs wel helpen door mensen te laten praten, te laten huilen, zodat het meer en meer verweven wordt in hun leven en ze júist kunnen lachen, omdat ze ook mogen huilen.

Ga er niet vanuit dat wij er zelf over beginnen. Misschien hebben we wel het gevoel dat dat niet mag. Maar vraag naar onze kinderen. Noem hun namen. Erken hun bestaan. En laten we vooral samen huilen én lachen.

beeld van zeven

Oktober is pregnancy and infant loss awareness month las ik op Facebook. Tijdens het schrijven van deze blog, realiseerde ik me dat deze blog daar eigenlijk heel goed bij past. Wil je meer weten over hoe je er kunt zijn voor rouwende moeders in jouw omgeving, ook als ze al veel ouder zijn, of worstel je zelf met verlies van een kindje, kijk dan eens op: www.stillelevens.nl.
En natuurlijk mag je mij ook persoonlijk benaderen.

Welkom heten

For English, click here

‘Eerst moet je welkom heten. Want als je niet welkom heet, kun je geen afscheid nemen.’ Deze wijze en geruststellende woorden hoorden we vandaag anderhalf jaar geleden, toen we voor het eerst van ons leven een uitvaartverzorgster op bezoek kregen. Iemand die gespecialiseerd was in baby-uitvaarten nog wel.

Het was de Stille Tussendag. De dag na de Dag van Afschuw, toen we ontdekten dat onze dochter was overleden en we dat nieuws aan onze kinderen en ouders moesten gaan brengen terwijl we zelf niet eens konden bevatten wat dit betekende. En de dag voor de Dag van Verwondering, waarop we haar voor het eerst en bijna ook meteen voor het laatst ontmoetten en ontdekten dat je in zo verschrikkelijk veel verdriet ook zo dankbaar en blij kon zijn.

Op deze Stille Tussendag zaten we ons met een misselijk gevoel af te vragen hoe dat zou zijn, een dode baby baren. Gelukkig wist de uitvaartbegeleider waar ze het over had. Ze was zelf bevallen van een overleden kindje en, hoewel het ons allemaal nogal luguber voorkwam, wist ze ons in duidelijke taal voor te bereiden op wat er zou komen. Ze vertelde ons hoe het lichaampje eruit zou kunnen zien, waar we op moesten letten en hoe we voor haar lichaam konden zorgen.

Dat we voor haar lichaam konden zorgen. Wat een geruststelling was dat eigenlijk. Er viel toch nog iets te doen behalve bevallen. We konden haar welkom heten en we konden haar lichaam met zorg behandelen. Ik vond het nog steeds doodeng en ik voelde me zenuwachtig. Het idee dat ik een wandelend graf was, bleef maar in mijn gedachten komen. En dat ik geen leven ga schenken aan een kind, maar toch moet gaan bevallen. Maar ook daar kwam de uitvaartbegeleider over te spreken: ‘Je kunt haar niet meer het leven geven’, zei ze, ‘maar je kunt haar nog wel op de wereld zetten’.

Deze woorden gaven me perspectief. En moederkracht: Welkom heten. Lichaam verzorgen. Op de wereld zetten. Dat klinkt beter dan: Een dode baby baren. Voor niets pijn lijden. Een begrafenis voorbereiden. Wat zijn woorden toch krachtig. Wat zijn woorden belangrijk. Een goed gekozen woord kan zoveel goede dingen uitwerken, zoveel hoop geven en zelfs kracht als alles uitzichtloos lijkt. En slecht gekozen woorden (met goede bedoelingen, daar ben ik van overtuigd), die we helaas ook nogal eens hebben moeten incasseren, kunnen zoveel stuk maken, je op jezelf terugwerpen en laten verzinken in eenzaamheid.

De nachten tussen de Dag van Afschuw en de Dag van Verwondering heb ik nauwelijks geslapen. Hoe mooi en duidelijk de woorden ook waren, ik voelde me ondertussen wél een wandelend graf. Het kind in mij leefde niet meer. En ik moest nog steeds wél een dode baby baren. Het kindje moest geboren worden en ik zag er meer dan tegenop. Ik wilde er onderuit komen. En ik bad om kracht, om vrede, om alles om te kunnen doen wat ze zei: heet haar eerst maar welkom. Het afscheid nemen komt daarna al snel genoeg.

En we hebben het gedaan. Moeten doen. Morgen anderhalf jaar geleden werd ze geboren. Onze derde dochter, ons vijfde kind. Susan Amanda Marsman. Kleine gewenste lelie. Ze was al overleden. Maar toch heetten we haar welkom. Lieten we haar aan onze kinderen, ouders, zusjes en beste vriendinnen zien. Dit is ze. Onze dochter. We kregen kraambezoek, we waren vader en moeder geworden. Het was een week waarvan ik me bijna iedere minuut herinner. We beleefden, doorleefden, overdachten alles zo intens. En steeds zaten we weer bij haar wiegje, namen haar in onze handen, bekeken haar, verwelkomden haar en gaven haar in gebed terug aan God.

Het welkom heten helde al snel over naar afscheid nemen. Het was duidelijk dat we haar niet hier konden houden. En na vijf dagen kwam het definitieve moment, deden we de deksel van haar mandje dicht en gingen we het moeilijkste doen wat we ooit hebben gedaan.

Ik wou soms dat ik in een Oosters land was opgegroeid, waar je mag jammeren en jammeren tot het irritant wordt en dan nog steeds mag doorjammeren. Nu stonden we daar, (redelijk) nuchtere Hollanders met stille tranen over onze wangen en zachtjes snotterend, roerloos maar te staan. Bij het graf van ons kind. Toen welkom heten, definitief afscheid nemen geworden was. En wij voorgoed veranderd verder moesten leven nadat we haar, nu anderhalf jaar geleden, voor een kort moment welkom geheten hadden.

DSCF7750

Foto gemaakt door Ruth van den IJssel, van Ima Afscheidszorg

Weer naar school 2

For English, click here

Ineens staat het weer levensgroot voor me. Ik kan er niet omheen, maar probeer uit alle macht te doen alsof er niets aan de hand is. Ik zie moeders met baby’s en peuters. Ze zijn samen met mij op het schoolplein om grote broer en/of zus naar school te brengen. Ik voel pijn opvlammen en kijk snel de andere kant op terwijl ik de school binnenloop. En hoe schattig het dreumesje ook is dat ik daarna op de trap tegenkom, hoe dol ik ook ben op kinderen, op dit moment kan ik het niet opbrengen dit kindje wat aandacht te geven.

Ik loop langs moeder en kind de trap op zonder naar ze te kijken en richt me alleen op mijn eigen kind. Als ik mijn kinderen weggebracht heb, loop ik in mijn eentje naar huis en voel me leeg en meer alleen dan eerst. Ik loop daar zonder dreumes aan de hand of in de buggy. De eerste paar dagen lukt het me nog om dit gevoel snel weg te duwen. Er waren nog middelbare scholieren in mijn huis toen ik thuis kwam. Maar na een paar dagen moest ik hen ook uitzwaaien. Zonder kind op mijn arm.

Ik had er niet op gerekend dat ik me opnieuw zo zou voelen. Dat het gemis weer zo pijnlijk op de voorgrond zou komen. Ik weet er niet zo goed raad mee en ga maar snel aan het werk. Er is genoeg te doen. Ik heb allerlei nieuwe taken op me genomen waar ik graag aan werk en die ik niet was gaan doen als Amanda wel was blijven leven. Sommige dingen doe ik zelfs juist omdat ik haar verloor, zoals helpen bij een groep met lotgenoten. En bloggen.

Maar wat voelt dit allemaal leeg. En wat knaagt die leegte eigenlijk voortdurend, al is het meestal op de achtergrond. Ik realiseer me dat ik eigenlijk intens naar haar verlang. En dat het dus zo is dat ze er niet is. Dat ik een kindje heb gekregen, maar dat ik niets voor haar en niets met haar kan doen. Ze is hier echt niet meer. En dat besef is elke keer en nu opnieuw zo pijnlijk. En omdat het zo’n pijn doet en ik er gewoon helemaal niets mee kan, ga ik maar weer aan de slag.

Ik loop naar huis en kom opnieuw iemand tegen, met een peuter op zijn nek. Ik voel een steek van jaloezie en tranen branden achter mijn ogen. In mij schreeuwt: ik had je tegemoet moeten lopen met míjn peutertje, maar ik loop hier alleen. Zonder kind op de arm, zonder kind in de buggy en ook zonder kindje in mijn buik, want ik ben tot ons verdriet nog niet opnieuw zwanger geworden.

Dus hier zit ik dan weer. In ons lege huis. De tranen stromen eindelijk weer eens vrij over mijn wangen en ik besef opnieuw dat mensen ertoe doen. Hoe groot of hoe klein ze ook waren. Sommigen van ons moeten het verlies in zich opnemen van een geliefde die hier rond de negentig jaar mocht zijn. Anderen, zoals ik, hebben niet eens de kans gehad hun kind echt te leren kennen.

Maar al deze mensen, hoe oud of hoe jong ook, hebben betekenis omdat wij ze hebben liefgehad. Rouw is liefde die je niet kwijt kunt en al heb ik nieuwe dingen gevonden om mijn tijd en aandacht aan te schenken, al blijven er nog steeds vier kinderen die mijn aandacht nodig hebben, toch is daar nog steeds ook die diepe liefde voor dit ene specifieke kleine prachtige meisje dat enkel leefde in mijn buik. En ik mis haar. Mijn God, wat mis ik haar. Ik bid steeds vaker of God haar de groeten wil doen. En ben opnieuw verrast dat ik zulke dingen doe sinds haar overlijden. Het helpt een beetje.

Nu de kinderen weer naar school zijn, moet ik opnieuw wennen aan het lege huis, ook al is alles precies hetzelfde als voordat de zomervakantie begon. Ik moet opnieuw wennen aan een leven met enkel grote kinderen die naar school zijn en werk dat op me ligt te wachten. Ze zou nu zo ongeveer hebben kunnen lopen. We zouden samen de kinderen naar school hebben gebracht en weer rustig naar huis zijn gewandeld terwijl zij oog zou hebben gehad voor elk detail op de stoep, en ik haar stap voor stap zou leren functioneren op deze wereld.

Maar ik liep alleen naar huis en werd overvallen door een diep gemis, een intense pijn. Ik ga ermee naar God toe en het stelt me gerust dat het nu zo goed met haar gaat en op de beste plek is. Maar het gemis blijft wel bestaan, doet pijn, en ik moet er nog steeds mee leren leven. Ik weet eigenlijk nog steeds niet precies hoe dat moet. Dus ga maar weer aan het werk.

Carpe Diem

English

‘Nee’, antwoordden mijn man en ik allebei. En ik vervolgde: ‘Nee, dat deden we vroeger nooit. Dat doen we pas sinds eh… sinds anderhalf jaar ongeveer.’ Ik wilde zeggen: sinds Amanda, maar op de één of andere manier wilde ik dat deze keer niet hardop zeggen, hoewel haar naam luid in mijn hoofd klonk.

De dagen daarna bleef dit gesprekje me bezighouden. We waren gezellig uit eten geweest met een van mn zussen en haar gezin en hadden het over de ijscoman. Dat die dagelijks onze wijk inrijdt en dat we vroeger werkelijk nooit een ijsje kochten. Ik vond het verspilling als je ook ijsjes in de vriezer hebt liggen en daarbij kwam ook dat de ijscoman vaak precies aan kwam rijden als ik het eten bijna klaar had.

Maar nu is dat anders. Nu halen we wel af en toe een ijsje bij de ijscoman, laten we wel eens pizza’s bezorgen en doen we meer dingen zomaar en spontaan, ook als het iets kost. Het is fijn en bevreemdend tegelijkertijd. Wat zijn we veranderd.

Vroeger op school leerde ik: ‘memento mori’, wat: ‘gedenk te sterven’ betekent. Leef altijd met het besef dat dit leven niet alles is. Besef je eindigheid. Het tegenovergestelde daarvan, zo had ik het tenminste begrepen, is: ‘carpe diem’. Dat betekent: ‘pluk de dag’ en het werd bij mij op school met enige afkeuring uitgelegd als een levenshouding waarin je geen rekening houdt met later en geen rekening houdt met anderen.

Toch neigen wij sinds ‘mori’ op ons pad kwam, veel meer naar ‘carpe diem’ dan vroeger.

Nu we weten hoe het is om een kind te verliezen, beseffen we nog meer hoe kostbaar het leven is en hoe belangrijk het is om te genieten van wat God ons vandaag geeft. We zijn ons veel meer bewust geworden van wat een geschenk het leven is, levende kinderen zijn. En daarom plukken wij de dag veel meer dan vroeger. We genieten meer van de kleine dingen, zijn dankbaarder en geven gemakkelijker geld uit aan de kinderen die wel leven vandaag.

Sinds haar geboorte telt Amanda altijd mee. Ik tel nog steeds onbewust tot vijf als we er met elkaar op uit gaan. En elke keer volgt dan dat moment van paniek: ‘O nee! Er ontbreekt een kind, we zijn niet compleet’. Om vervolgens voor de zoveelste keer tot de pijnlijke conclusie te komen dat ik Amanda meerekende, dat zij niet meer hier is, dat het toch klopt, dat we compleet zijn en kunnen vertrekken.

Ik denk dat dat momenteel mijn ‘memento mori’ is. En dat dat maakt dat ik graag een ijsje koop voor de andere kinderen: carpe diem, want we weten niet hoelang we hier aan elkaar gegeven zijn. Niet een ‘pluk de dag want wat maakt het uit’, maar een ‘pluk de dag want ik ben dankbaar voor wie vandaag wel in leven zijn’. Carpe diem.

Volmaakte weg

gebroken hart beeld

For English click here

Gisteren speelde en zong ik in de kerk. Ik vind dat heerlijk om te doen, maar met sommige liedjes heb ik het moeilijk. Zoals ‘Good, good Father’ dat we deze keer zongen. Ik vind dat een mooi, maar pijnlijk lied, zeker sinds Amanda overleden is.

You are perfect in all of Your ways.
You are perfect in all of your ways.
You are perfect in all of your ways to us.

Ik stond ’s ochtends op tijd op om tijd met God te hebben. Dat doe ik op de meeste ochtenden: ik sta vroeg op en ga naar beneden. Terwijl de kinderen nog slapen of op hun kamer lezen/spelen, zet ik koffie en ga zitten om de bijbel te lezen, erover na te denken en te bidden. Een tijdlang kostte me dit enorm veel moeite, maar inmiddels is het de fijnste tijd van de dag, hoewel het vaak ook pijnlijk confronterend is.

Ik heb net Job twee keer helemaal gelezen, met heel andere ogen. Vroeger las ik het als een verhaal over iemand die net als ik heel ziek was. Het grommen van de pijn klinkt er duidelijk in door en ik herkende dat. Maar nu zie ik ineens de vader die rouwt om zijn kinderen. Ik voel en zie de pijn die ik nu ook ken. De diepe pijn van het verlies van een kind. Een pijn die nog steeds met geen pen te beschrijven is.

Inmiddels ben ik bij de Psalmen aangekomen en ik ben zo dankbaar dat daarin, net als in Job, zoveel uitroepen van wanhoop te vinden zijn. Dat mag dus: je pijn, je rauwe aanklachten: “God! Waar bent U?!”, al je ellende voor de voeten gooien van je Schepper. Hij kan het aan. Hij voelt zich niet bedreigd of beledigd door mijn emoties.

Ik begon er ooit een liedje over:

Bij U ben ik thuis, kan ik rustig ademhalen.
Bij U ben ik veilig, U kent me door en door.
Bij U ben ik thuis, kan ik rustig ademhalen, gewoon mezelf zijn.
U bent vertrouwd met al mijn wegen.
Er is niets dat U verbaast, niets dat U verrast.

Verder dan dit geschrijf kwam ik destijds niet, maar het melodietje kwam weer in mijn hoofd toen ik de Psalmen las. Misschien komt dat lied er nog wel een keer. Want hoe belangrijk is dit eigenlijk wel niet! Dat je weet dat je met al je pijn, boosheid, bitterheid, ellende, naar God toe kan gaan. Ik ben er dankbaar voor. De boosheid zit zo diep in mijn hart. Ik ben eigenlijk zo onwijs boos om wat er is gebeurd. Eerst jaren wachten voordat ik eindelijk zwanger ben. Dan ontdekken dat het niet goed gaat met mijn kindje en vervolgens ontdekken dat ze overleden is. Gaandeweg heeft een deel van mij er vrede mee gekregen. Want het gaat goed met Amanda en dat is wat ik wil. Maar daarnaast is er ook iets afgescheurd, schijnbaar onherstelbaar beschadigd in mijn hart.

De tijd heelt alle wonden, zeggen ze. Maar ik merk er nog niets van. Nog steeds lijkt mijn verdriet eerder groter dan kleiner te worden en een beetje wanhopig vroeg ik een lieve vrouw uit mijn kerk, die tien jaar geleden haar pasgeboren zoontje moest begraven: “Wordt het ooit minder? Die diepe scherpe pijn?” En ik wijs naar een plek in de buurt van mijn hart en zij wijst naar precies dezelfde plek op haar lichaam en zegt: “Nee. Het doet nog steeds zóveel pijn. Misschien neemt God de pijn ook wel niet weg, maar Hij gaat er wel zijn weg mee.”

Ik had het er met mijn man over op een dag dat ik ineens weer heel veel moest huilen -wat ik gelukkig niet meer dagelijks doe. Ik zei: “ik dacht eigenlijk dat het zoiets was als het breken van je arm. Dat doet onwijs zeer en dan, nadat het is gezet en het gips eromheen zit, zeurt dat nog een aantal dagen flink, maar na verloop van tijd geneest het en is vaak het bot sterker dan voorheen. Zo voelt het helemaal niet. Ik mis haar eigenlijk altijd. Ze is meestal niet op de voorgrond, maar juist op de achtergrond zo afwezig aanwezig.”

“Ja,” zegt mijn man. “Je moet het ook niet vergelijken met het breken van je arm maar met amputatie.”

Nu heb ik lichamelijke amputatie zelf niet meegemaakt, dus ik wil voorzichtig zijn. Als jij dit wel meemaakte: reageer alsjeblieft als ik de plank missla. Ik stel me voor dat als je arm is afgezet, je zeker verder kunt leven, maar ook dagelijks meermalen tegen je gemis aanloopt. Je kunt functioneren, bent creatief, vindt manieren om te compenseren voor je ontbrekende arm, maar je voelt ook het gemis, ziet bij anderen twee functionerende armen, wat je soms jaloers maakt en je zou willen dat je weer gewoon piano, gitaar, fluit of whatever kon spelen, kon koken, kon tennissen, of wat je anderen ook maar met twee armen ziet doen. En soms, bij veranderende weersomstandigheden, bepaalde herinneringen of een botsing met een ander persoon of een keukenkastje, steekt ook lichamelijk die pijn weer de kop op. Net zo heftig als in het begin.

Als dit ongeveer klopt, dan voelt het verlies van ons kleine meisje inderdaad als amputatie. Ik leer ermee leven. Ik kan functioneren. Ik geniet op sommige momenten bewust intenser omdat ik weet hoe kwetsbaar het leven is. Maar die diepe scherpe pijn is niet verdwenen, steekt op ongewenste momenten de kop op. En ik denk dat ik dan maar gewoon moet doen wat de mensen deden die de Psalmen schreven: het uitschreeuwen naar God. Eerlijk zijn over wat ik voel en ondertussen proclameren wat ik diep in mijn hart wel weet, ook al doe ik het nu nog mopperend en moet ik er een drempel van tegenzin voor over: You are perfect in all of Your ways.

Of, zoals ik laatst bij een bruiloft moest zingen, omdat het bruidspaar dat lied had uitgekozen: Heer ik wil Uw liefde loven, al begrijpt mijn ziel U niet. Zalig hij, die durft geloven, ook wanneer het oog niet ziet. Schijnen mij uw wegen duister, zie ik vraag U niet: waarom? Eenmaal zie ik al uw luister, als ik in Uw hemel kom! Met daarbij de kanttekening dat ik dus wél vraag waarom, omdat ik lees dat Job dat doet en David dat doet, en omdat die vraag nou eenmaal in mijn hart leeft en ik eerlijk wil blijven. Toch is dat toevertrouwen aan God, ook al begrijp je er niets van, alleen mogelijk als ik geloof dat Zijn weg uiteindelijk de beste is.

Het leven mag dan verre van perfect zijn en mijn leven gebutst, gebroken en krom. Als Zijn wegen perfect zijn, dan leiden ze ergens heen. En dan is het echt waar: bij U ben ik veilig, kan ik rustig ademhalen. Dus lees ik nog maar een Psalm en voel de pijn en de vreugde en ontdek dat dit is wat mij mens maakt. Broken but real. En met een anker in de God die volmaakt is in Zijn weg met mij, ook al voelt dat helemaal niet zo.

Op de foto bovenaan deze blog zie je een beeld van de artiest Albert György. Het beeld staat in Zwitserland, bij Lake Geneva. De foto werd de afgelopen weken op diverse Facebookpagina’s geplaatst in het kader van ‘bereaved parents month’ en het beeld raakte me enorm.

Mijn kleine lelie

IMG_8302

For English click here

Consider the lilies, lees ik: Kijk naar de lelies in het veld. Deze mij o zo bekende woorden blijven doorklinken in mijn hoofd. Ik denk aan mijn eigen kleine lelie en denk in plaats van ‘kijk naar de lelies’: ‘kijk naar Amanda’. Hoewel het hier niet letterlijk over haar gaat, maar over bloemen, vind ik de vergelijking treffend.

Het zijn woorden van Jezus. Hij heeft het erover dat je je geen zorgen hoeft te maken, omdat God voor je zorgt. Maak je geen zorgen over eten en drinken, en ook niet over wat je aan moet, zegt Hij en dan staat er: ‘Kijk naar de lelies in het veld, hoe ze groeien; ze werken niet en spinnen niet; en ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet gekleed ging als één van deze.’ En nu ik dit overschrijf, denk ik meteen weer aan Amanda.

Amanda’s volledige naam is Susan Amanda. Susan betekent ‘lelie’ en Amanda betekent ‘gewenst’. De naam Susan kregen mijn man en ik allebei afzonderlijk in gedachten in de tijd dat we aan het bidden waren welke naam bij dit kindje zou passen. Dat vonden we bijzonder. Toen we de betekenis opzochten en erachter kwamen dat het lelie betekende, konden we er eigenlijk niet zoveel mee en parkeerden we het nog even. De baby zou voorlopig nog niet geboren worden, we hadden de tijd.

Totdat bleek dat ons dochtertje niet goed groeide in mijn buik en ze waarschijnlijk te vroeg geboren zou moeten worden. De zwangerschap werd zorgelijk en we deelden dat met onze familie en vrienden. Een van mijn beste vriendinnen appte me toen dat ze ons kindje een naam gegeven had, zodat ze gemakkelijker voor haar kon bidden. ‘Zolang ze in je buik zit, noem ik haar Lily’, zei ze, ‘dat betekent ‘kleintje’ in mijn moedertaal en het is ook nog gewoon een hele mooie bloem.’ Ik was diep ontroerd.

Kleine Lily, Susan Amanda, werd inderdaad te vroeg geboren. Niet omdat ze in gevaar was in mijn buik, maar omdat ze al was overleden voordat ze geboren kon worden. Ze heet Lelie en Gewenst. En nu hoor ik dus hier Jezus zeggen: Kijk naar de lelies. Kijk hoe mooi ze zijn. Ze bloeien maar kort, maar God heeft aandacht aan ze besteed en zelfs als niemand er naar kijkt, schittert zo’n bloem in eenvoudige en pure schoonheid.

Mijn eigen kleine Lelie was hier ook maar even. En toen we haar ontmoetten, werden we verrast door wat ze met ons deed. Onze harten stroomden vol met liefde, blijdschap en verwondering. Daar lag ons dochtertje en zoals je je kindje gewoon aanvaardt zoals het komt, zo omarmden wij dit kleine baby’tje vol liefde en tederheid. Ik vergeet nooit hoe mijn hart overstroomde van liefde en bewogenheid. Alsof mijn hart in een seconde groter werd. Er kwam ruimte voor moederliefde voor maar liefst vijf kinderen. En toen ik mijn man in de ogen keek zag ik dat bij hem hetzelfde was gebeurd. Wij waren opnieuw pappa en mamma geworden en ontmoetten onze dochter.

Wat was ze prachtig. Zo ontzettend mooi gemaakt. Zo klein als ze was, nog geen voldragen baby, was hier duidelijk een Meester aan het werk geweest. Ik heb uren bij haar wiegje gezeten, haar in mijn handen vastgehouden en vol verwondering en dankbaarheid naar haar gekeken, naar Zijn werk. Ondanks die diepe pijn dat deze dochter van mij niet meer leefde en daarmee een deel van mij zelf gestorven was, was ik ook zo ontzettend dankbaar dat Hij kennelijk de moeite voor haar had genomen. Om haar werkelijk wonderlijk mooi te weven zoals de psalm die ik tijdens mijn zwangerschap zo vaak las, het verwoordt.

Kijk naar de lelies in het veld. Het is alsof God zelf zegt: kijk naar Amanda, hoe ik haar heb gemaakt. Zo klein, te klein om te kunnen leven hier op aarde, maar toch met zoveel zorg. Handjes voetjes, neusje, oogjes, zelfs al wat haartjes en nageltjes op haar vingertjes en teentjes.

Mijn kleine lelie. Als ik aan jou denk, naar jou kijk, zie ik hoe groot God is. ‘Kijk naar de lelies in het veld, hoe ze groeien; ze werken niet en spinnen niet; en ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet gekleed ging als één van deze.’

IMG_8305

Ode aan het moederhart

Click here for English

Zondag 13 mei is het weer Moederdag. Een dag waar vooral de bloemist en de drogist van profiteert, dacht ik altijd, al worden met de jaren de werkjes van mijn kinderen mij dierbaarder en dierbaarder. Nu ze groter worden, zijn ze ook zeldzamer geworden.

In de kerk waar ik elke zondag heenga, krijgen alle vrouwen een roos op Moederdag. Niet alleen de moeders, al mogen alle kinderen hun eigen moeder of pleegmoeder een roos geven. Álle vrouwen krijgen een roos, omdat ze ofwel moeder zijn ofwel moeder zullen worden ofwel als een moeder zijn voor kinderen en jongeren om hen heen. Ik vind het mooi dat daarmee ook ongewild kinderloze vrouwen geëerd worden en erkend wordt dat hun rol in de gemeente onmisbaar en belangrijk is.

Een ode aan het moederhárt is Moederdag eigenlijk en het raakt me dit jaar op een nieuwe manier. Ook omdat ik pas op de dag zelf ontdekte dat afgelopen zondag, 6 mei ‘International Bereaved Mother’s’ Day’ was. Een dag die de Australische Carly Marie begon om recht te doen aan vrouwen die hun kindje verloren of tot hun grote verdriet nooit een kind hebben gekregen. Ze begon deze dag in 2010 in de hoop dat deze dag al snel niet meer nodig zou zijn. Haar doel is Moederdag weer voor alle moeders te maken, ook voor moeders die nooit moeder zijn geworden en moeders die hun kind verloren. Vrouwen die zich juist op Moederdag zo vreselijk geïsoleerd, genegeerd en eenzaam kunnen voelen, terwijl ze in hun hart wel moeders zijn, omdat ze hun hart hebben opengesteld voor een kind.

Een paar dagen geleden postte een moeder die net als ik een baby kreeg die al voor de geboorte was overleden het volgende bericht op Facebook: Bereaved Mothersday; ik werd er door verschillende mensen op gewezen. Maar eigenlijk wil ik daar helemaal geen aandacht aan besteden want dat maakt ons anders. Ik wil geen speciale dag want ik ben voor alle vier mijn kinderen dezelfde moeder. Dus vieren we volgende week gewoon moederdag. Noem hieronder al je kinderen zonder sterretjes of hartjes omdat er voor een moederhart geen verschil is. En omdat ik het ook zo ervaar, dat ik evenveel moeder ben van mijn vier levende kinderen als van mijn vijfde overleden kindje, schreef ik de namen van alle kinderen die ik ter wereld bracht onder het bericht. Met voldoening, moet ik zeggen, en met trots. Want ik ben hun moeder, of ze nu hier leven of al naar de hemel zijn.

En dat brengt me terug bij Moederdag. Moederdag werd voor het eerst gevierd op de eerste zondag van mei in 1906. ‘General Memorial Day of all Mothers’ heette het toen. Het was in het jaar nadat Ann, de moeder van de Amerikaanse Anna Javis, was overleden. Ann had meer dan twaalf kinderen gekregen, maar slechts vier van hen werden volwassen. De meeste van haar kinderen stierven aan Mazelen en Typhus. Dochter Anna wilde een ode brengen aan haar moeder en ze wilde dat ieder jaar blijven doen. In 1914 werd het een officiële feestdag en sinds 1928 is het ook een officiële feestdag in Nederland.

Moederdag was bedoeld om moeders te eren. Voor wie ze zijn en voor wat ze doen, en om hun moederhart te erkennen. En wat mij in het bijzonder aanspreekt, nu ik er zo over lees, is dat het een bereaved mother was waaromheen deze dag begon. Een vrouw die vier kinderen had. Nee, een vrouw die meer dan twaalf kinderen had. Ze droeg ze onder haar hart, ze mocht misschien nog wel een hele tijd na hun geboorte voor ze zorgen en ze begroef ze. Uit ervaring weet ik nu hoe hartverscheurend moeilijk dat is. En uit ervaring weet ik ook dat het niet uitmaakt in ervaring van ‘moederschap’ of moedergevoelens of je kindje nu leeft of niet. Ik ben evenveel moeder van al mijn vijf kinderen, ook al is mijn jongste al voordat ze geboren werd, naar haar hemelse Vader gegaan.

Aanstaande zondag is het Moederdag. Een dag om moeders te eren. Een dag om moeders te herdenken als ze er niet meer zijn. Een dag om moederharten te erkennen. Harten die verlangen naar een kind dat er niet kwam. Harten die gebroken zijn omdat het kind dat er was, is overleden. En harten die het geluk hebben kinderen op te mogen zien groeien met alles wat daarbij komt kijken.

Aan alle moeders, met en zonder levende kinderen om zich heen: ik wens je een hele goede Moederdag toe. Je mag er zijn.

Zie ook: Bereaved Mothers’ day

Deze blog schreef ik in eerste instantie voor Puurvandaag: https://www.puurvandaag.nl/binnen/gezin/ode-aan-het-moederhart/

Wat als je het er allemaal gewoon laat zijn

Click here for English

Soms weet ik het allemaal even niet meer. Dan staat verdriet zo pal voor m’n neus dat ik even niets anders meer kan zien. Het grijpt me naar de keel en beneemt me de adem. Ik wil rennen of heel boos worden of verslavende dingen gaan doen. Ik weet niet wat ik ermee moet en het liefst druk ik het weg. Diep weg.

Het komt op de gekste momenten opzetten, dat verdriet. Ik loop de trap op naar boven, ruik iets en poef! Ineens ben ik een jaar terug in de tijd, is het alsof ik net bevallen ben en Amanda nog op de babykamer ligt. In haar wiegje. Stil. Dan besef ik: ja! Ik heb verdorie nog een kind. Waar is ze nou?

Op zo’n moment is het zó reëel dat ik er verbaasd over ben. Want op andere momenten geniet ik gewoon van het leven en ook denk ik niet elke seconde van de dag bewust aan haar. En toch, als ik eerlijk ben, is het wel altijd sluimerend aanwezig. Als een draadje dat overal doorheen geweven zit en je er niet tussenuit kunt trekken.

‘Wat als je het er allemaal gewoon laat zijn. Dat je tegen God zegt hoe je je voelt. Hoe verdrietig je bent. Hoe moeilijk je het allemaal vindt. En dat je dan gewoon blijft zitten en God komt naast je zitten en slaat een arm om je heen.’

Dat is wat een lieve vrouw een paar weken geleden tegen me zei toen ik haar vertelde dat ik niet wist hoe ik nou om moest gaan met die diepe pijn vanbinnen terwijl ik er ook gewoon voor de kinderen wil zijn, mijn werk wil doen, het leven wil leven. Haar antwoord werkte bevrijdend. Het deed me denken aan Just be held, een lied dat ik heel vaak luisterde in de eerste weken na de geboorte van Amanda.

Ja. Wat als ik het er allemaal gewoon laat zijn? Dan voel ik de gebrokenheid. De gebrokenheid van mijn eigen hart, mijn leven. Dan voel ik hoe kwetsbaar ik ben en besef ik dat ik eigenlijk heel veel vragen heb. Waarom? Hoe zou ze nu zijn geweest? Hoe moet ik verder? Hoe help ik mijn kinderen? God, bent U er echt?

Als ik het er allemaal gewoon laat zijn, eerlijk word en God probeer toe te laten, dan besef ik dat God inderdaad naast me staat. Dat Hij luistert. Dat ik eigenlijk alleen maar mezelf hoef te zijn, mét mijn pijn en mijn vragen, ín mijn gebrokenheid en kwetsbaarheid. Precies de reden waarom deze website ‘broken but real’ heet.

Ik weet niet precies wat God dan gaat doen. Dat is ook de reden waarom ik het zo moeilijk vind, een beetje eng zelfs. Maar de keren dat ik het probeerde, om ‘alles er gewoon maar te laten zijn’, merkte ik wel dat Hij er was. Dat hij me hier écht doorheen wil dragen, al is me niet duidelijk waarom de dingen zijn gegaan zoals ze zijn gegaan en waarom er ook op dit moment van alles aan de hand is in onze levens.

Laatst vond ik een boekje dat mijn aandacht trok vanwege de titel: ‘Al treft u ’t felst verdriet’. Het werd in 1674 geschreven door John Flavel, iemand die vele geliefden moest begraven, waaronder een kind. Vanuit zijn geloof probeert hij te bemoedigen: ‘probeer het juk dat God op uw schouders heeft gelegd niet overhaast af te schudden. U moet niet vóór Gods tijd verlost willen worden van uw verdriet. Volhard in lijdzaamheid. Als God troost schenkt op Zijn tijd en wijze, is die troost vaak duurzaam en heilzaam.’

Ik moest huilen toen ik dat las en ik zag het verband met wat die vrouw tegen me zei. ik probeer mijn verdriet inderdaad steeds weer van me af te schudden. Ik probeer door te leven alsof er niets is gebeurd. Maar het is beter om het verdriet en de pijn er gewoon te laten zijn en God daarin naast me te laten zitten. Ook al krijg ik misschien geen antwoorden op mijn vragen. Ook al veranderen situaties niet altijd, blijven ziekte, dood, pestgedrag, echtscheidingen en allerlei andere ellende bestaan. Omdat we gebroken mensen zijn. Die er allemaal gewoon mogen zijn.

Herdenken

For English click here

En daar stonden we dan. Opnieuw. Nu niet om te begraven, maar om te herdenken. Nadat de kinderen uit school kwamen en de thee met lekkers op was, reden we naar de begraafplaats toe en wandelden weer naar haar grafje. Met een stenen taartje, precies zoals één van onze kinderen had voorgesteld. En een kaarsje in de vorm van een 1, baby roze. Het taartje was eigenlijk een spaarpot, dus de gleuf kon mooi dienst doen als kaarsenstandaard. We staken hem aan. En ieder van ons liet een sterretje branden, terwijl ik dit gedichtje voorlas:

22 maart 2018 (2)

Een jaar geleden werd ze geboren
zonder haar stem te laten horen.
En vandaag staan we stil bij haar korte leven
dat voor ons verborgen is gebleven.

We zijn blij dat ze heeft bestaan
en dankbaar voor wat God in ons hart heeft gedaan.
Haar leven was niet voor niets
want voor ons en voor God betekent ze iets.

Amanda: gewenst, en geliefd,
die de aarde voor de hemel achter zich liet,
ze is ons voorgegaan, ze is waar ze zijn moet.
En als wij straks sterven, worden we ook door háár begroet

Een van de kinderen huilde. Een ander gooide met steentjes. Weer een ander kwam blij aanrennen met narcissen, trots roepend: ‘kijk mamma: de wortels zitten er nog aan’. Er werden een schepje en een harkje bij gehaald en twee van onze kinderen begonnen verwoed te graven en te planten. Mijn Zweedse vriendin had verteld dat in het Zweeds narcissen ‘paaslelies’ heten en dus horen narcissen nu ook bij Amanda. (Ze heet voluit Susan Amanda. Susan betekent: lelie).

Nadat iedereen gedaan had wat hij of zij vond dat er gedaan moest worden, liepen we weer naar de auto en reden naar een all you can eat restaurant. Om de geboortedag van onze derde dochter te vieren. Terwijl ze er zelf niet bij kon zijn. Heel vreemd. En ook heel goed om te doen. En ook heel vreemd.

Morgen is het een jaar geleden dat ze begraven werd: de afsluiting van een heel intense week van welkom heten en afscheid nemen en daarna het gat. Letterlijk en figuurlijk. ‘We zijn nog aan het jutten’, zei mijn man tijdens onze lange wandeling op haar geboortedag, een jaar na dato. En zo is het, al heb ik inmiddels ontdekt dat geloof, hoop en liefde blijvend zijn, ook al voelen we het niet altijd.

sterretje 22 maart 2018 (2)

Want die woorden: ‘als wij straks sterven, worden we ook door háár begroet’? Ik méén die. Ik keek er altijd al naar uit om Jezus te ontmoeten, mijn verlosser die opstond uit de dood, zoals we deze week met Pasen weer gaan vieren. Maar nu is daar een dimensie bij gekomen. We zullen elkaar weerzien. Het duurde even voordat ik daarvan overtuigd was, zo verward als ik was in de weken na haar dood. Maar nu weet ik het zeker. De dood heeft niet het laatste woord. Herdenken is meer geworden dan terugkijken naar hoe het was. Ik kijk ook vooruit, naar wat nog komt.

Wat jammer dat ze dood is

For English click here

Ik ben bezig om het baby-album ter herinnering aan Amanda af te maken en ik kom alle briefjes tegen die mensen hebben geschreven bij wijze van condoleance-register. Ik plak ze tussen de foto’s. Er staan hele lieve dingen op. Bemoedigende woorden. Woorden voor ons en woorden voor Amanda. Woorden van medeleven. Woorden van volwassenen en van kinderen.

Het was fijn dat er ook kinderen bij de begrafenis waren. Er was van elk kind een vriend of vriendin en ook waren er een aantal neefjes en nichtjes. En deze kinderen schreven – daar waar wij wollig taalgebruik hanteren – gewoon op wat ze dachten: “Ik vind het jammer dat ik je niet gekend heb en dat ik je nooit zal zien.” “Wat jammer dat ze dood is.” “Wees blij, want ze is in de hemel.” En ook vind ik een beeldende tekening van een mensje onder de grond met zes huilende poppetjes erbij. Luguber en aandoenlijk tegelijkertijd.

Ik heb alle emotionele kracht die in mij is nodig om dit project te doen. Om de enige foto’s die er van haar zijn een plek te geven. De tranen stromen over mijn wangen terwijl ik de momenten opnieuw beleef die de foto’s laten zien. Hoe het was toen ze ter wereld kwam. Hoe we haar voor het eerst ontmoetten. Hoe we thuis kwamen en haar aan de kinderen lieten zien en aan onze ouders, zussen en aan mijn beste vriendinnen. Hoe we steeds even bij haar zaten toen ze in haar wiegje lag. En hoe we haar die maandag in haar mandje legden, de deksel sloten en meenamen naar de begraafplaats. De enige rit die we maakten met zijn zevenen.

En dan de wandeling naar het grafje. Mijn man die met een trapje het graf inging, het mandje met ons dochtertje erin van me overnam en voorzichtig neerzette in dat diepe gat. Zijn ogen vol verdriet en weerzin. Hoe hij er weer uitklom en we elkaar in de armen vielen. De wanhoop, de scherpe pijn, het immense verdriet. Nu ik dit type word ik opnieuw misselijk en ik herinner me weer hoe ik een paar weken nadien moest vechten tegen de drang om mijn kind weer op te graven. Bizar. Mijn verstand weet ook wel dat dat iets is wat je niet zou moeten doen, niet zou moeten willen.

Maar het is mijn kind dat daar ligt. Een deel van mij, van ons. En je kunt je kind toch niet zomaar ergens achterlaten? Het is nog steeds niet te bevatten en in deze weken herinneren we van alles alsof het gisteren was of vorige week. Het staat me zo ontzettend helder voor de geest.
Toen ik aan een vriendin vertelde dat alles weer zo duidelijk bij me bovenkwam, zei ze: dat is toch logisch. Als een van je andere kinderen jarig is, denk je toch ook altijd even terug aan het begin, de bevalling, aan hoe het allemaal was. Het is logisch dat je dat bij Amanda ook doet nu ze bijna jarig is.

En dat is ook zo. Ze is bijna jarig en we denken terug. We zoeken nog naar hoe we daar op een voor iedereen fijne manier invulling aan kunnen geven. Een van mijn kinderen opperde dat we een neptaartje konden kopen en dat dan bij het graf neer kunnen zetten. En dan elk jaar weer een nieuw taartje zodat je precies kunt zien hoe oud ze is geworden. Ik vind het een heel mooi idee en ik moet denken aan wat iemand een keer vertelde over wat de Joden doen. Elke keer als ze een graf bezoeken, leggen ze er een steentje neer. In de loop van de jaren komt er dan een hele hoop stenen te liggen. Het laat zien dat iemand niet vergeten wordt.

Rituelen blijken belangrijk te zijn. Belangrijker dan ik vroeger dacht. Het geeft houvast. En rituelen zeggen dingen die je met woorden niet kunt zeggen, vertelde iemand me vorige week. Een kaarsje branden is zo gek nog niet, daar kwam ik op Allerzielen en Wereldlichtjesdag al achter. Dus misschien doen we dat ook wel als ze jarig is. En ik denk dat we taart gaan eten, net als op andere verjaardagen. Want het is echt heel jammer dat ze dood is, maar we zijn wel blij dat ze heeft bestaan.

Je moet besluiten om het los te laten

For English, click here.

Ik weet dat het waar is. Dat God er altijd is. Dat Hij me door het diepe dal van de dood zal leiden. Dat er een moment zal komen dat ik in staat ben om te zeggen dat Hij mijn rouw in reidans heeft veranderd. Is het niet nu, dan zeker straks als ik in de hemel kom. Ik weet dat op de momenten waarop ik Hem niet voel, en het verdriet allesoverheersend is, als een mist waar je niet doorheen kunt kijken, dat op die momenten Hij er toch nog steeds is. En dat Hij me zelfs draagt, zoals dat staat in dat mooie gedichtje over voetstappen in het zand.

Maar ik ben daar nog niet, al ben ik wel verder gekomen. Ik word niet meer zo vaak compleet overweldigd door verdriet als in het begin, in de weken nadat we onze dochter hadden begraven. Maar besluiten om je verdriet los te laten, blijkt een voortdurend proces te zijn van stapje voor stapje, stukje voor stukje.

Dit proces begon toen de echo ons liet zien dat ons kleine meisje niet zo goed groeide. We baden steeds opnieuw, vertrouwden haar steeds weer aan God toe en hoopten dat ze zou groeien en bloeien. Maar een paar weken later liet de echo totale stilte zien.
We werden overspoeld door gevoelens die we niet kenden en riepen: Nee, nee, nee, God, nee!

God was daar. We gingen naar Hem toe in onze wanhoop en ongeloof. We beseften de verschrikkelijke waarheid maar tegelijkertijd waren we niet in staat om het als waar aan te nemen. We vroegen: God, hoe vertellen we dit aan de kinderen? God, heeft ze geleden? God, waarom moest ze sterven? En ook bleven we herhalen: ze is van U Heer. Ze was van U vanaf haar allereerste begin en nu is ze al bij U. Ze hoort bij U. Er is geen betere plek. Ik vertrouw haar aan U toe.

Twee dagen later moest ik haar ter wereld brengen. Ze zag het licht niet, haar ogen zagen helemaal niets. We hoorden haar niet huilen. We zagen haar niet bewegen. Ik huilde. Zij niet. En terwijl ik haar kleine, tere lichaam vasthield, wist ik dat ik haar moest laten gaan en ik hief mijn handen met haar erin omhoog. Ik droeg haar steeds weer op aan God: ik geef haar aan U Heer, ik laat haar gaan. Ik geef me over. Dit is zo moeilijk, Heer. Ik wil haar vasthouden, koesteren, voeden, liefhebben, kusjes geven en alles geven wat ze maar nodig heeft. Maar ze kan het niet ontvangen. Ze is al bij U.

Na een paar dagen waarop we haar in ons gezin konden verwelkomen, waarop we haar konden vasthouden, foto’s konden maken en haar konden laten zien aan familie en vrienden, moesten we haar uiteindelijk begraven. We deden haar in een babyroze mandje, droegen haar naar het graf en bedekten het met rozenblaadjes. Het was vreselijk. Iedere vezel in mij schreeuwde: Nee! Hoe kan ik mijn kind alleen achterlaten? Ik voelde me totaal verwilderd. Onwezenlijk. Het was uiteindelijk op pure ratio dat ik in staat was om op te staan en weg te lopen terwijl ik vocht tegen de drang om terug te lopen en haar weer mee te nemen. Mijn kind. Mijn kind. Ik moet je laten gaan.

Vandaag is het precies elf maanden geleden dat ze geboren werd. Een tijdje geleden vroeg ik een andere ‘wee-ouder’: “Soms is de pijn zo overweldigend diep dat het lijkt alsof ik geen lucht meer krijg. Herken je dat?” Hij antwoordde: “Ja, maar je moet besluiten om het te laten gaan, om het los te laten.” En hij citeerde Mattheüs 11:28-30, verwees me naar Jezus om rust te vinden voor mijn ziel.

In eerste instantie voelde ik me veroordeeld door zijn woorden. Ik vatte het zo op dat ik het gewoon maar achter me moest laten, negeren, doorgaan. Maar in de afgelopen weken ben ik gaan inzien dat als verdriet me overvalt, ik inderdaad een keuze heb. Wat doe ik als rouw me overspoeld als een golf dat gewoon te groot is om opzij te springen? Word ik passief en laat ik verdriet me helemaal beheersen, of word ik actief, huil ik uit bij de Heer, geef ik uiting aan mijn verdriet en geef ik het opnieuw aan Hem over?

Op sommige momenten ben ik daar nog niet. Soms ben ik gewoon niet in staat om het weer los te laten en houd ik vast aan mijn verdriet door maar snel wat anders te gaan doen, te proberen om er niet aan te denken, mezelf te verdoven. Maar op andere momenten ben ik daar wel en dan hef ik in gedachten opnieuw haar lichaampje omhoog naar de hemel en zeg ik opnieuw dezelfde woorden: Heer, ik geef haar aan U. Ze was van U vanaf het allereerste begin. Ik ben blij dat ze niet meer hoeft te lijden. Ik ben dankbaar dat ze compleet, heel is bij U.

Ik ben erachter gekomen dat dit niet een eenmalige actie is. Dit is iets wat ik nog best wel eens een heleboel keren zal moeten doen want in de loop van de tijd missen we haar op andere manieren en ons verdriet en het gemis verandert. Vandaag is het de baby die we missen. En over een jaar zou ze een peutertje zijn geweest en missen we waarschijnlijk een peuter. En iedere keer dat ik me ervan bewust ben dat ik haar mis, iedere keer dat ineens die diepe pijn weer vanuit het niets naar boven komt, me de adem benemend, kan ik besluiten om het weer te laten gaan. En als ik daar nog even niet ben, hoop ik dat het me snel weer lukt. Want ik wil besluiten om het los te laten.

Aftellen

Click here for English

Eerst moet je het eerste jaar doorkomen, zeiden ze. Het eerste jaar waarin je alles voor het eerst zonder je kindje doet. Verjaardagen, vakanties, Sinterklaas, Kerst, al die feestjes en bijzondere dagen. En daarna komt het tweede jaar. En dan is het wéér anders.

We knikten, niet beseffend wat ze precies bedoelden en we gingen het doen. We gingen het eerste jaar door zien te komen. Mijn eigen verjaardag kwam het eerst, met lege buik en tranen. En vele verjaardagen en feestjes volgden en nu is het binnenkort háár beurt om jarig te zijn.

Toen we ontdekten dat ons meisje overleden was, werden we naar de maatschappelijk werkster van het ziekenhuis gebracht. Je moet je ziek melden, zei ze, en je moet de scholen bellen. We zaten er verdwaasd en verbaasd bij. We realiseerden ons absoluut nog niet hoe ingrijpend deze gebeurtenis was en eerlijk gezegd dacht ik dat het allemaal wel mee zou vallen.

Ik dacht: even slikken en weer doorgaan. Het is vreselijk, maar het leven gaat door. Het leven gaat altijd gewoon weer door. Dat was wat ik verwachtte. Of eigenlijk: dat is wat ik vond dat moest gebeuren. Hier moet je even doorheen en dan is het weer klaar. Maar dat bleek zo niet te gaan. De ziel van de mens is vele malen dieper, complexer en ondoorgrondelijker dan ik toen besefte.

Het aftellen is begonnen. Volkomen onbewust zijn we ergens in de afgelopen weken begonnen met het toeleven naar Amanda’s eerste verjaardag. Morgen een jaar geleden kwamen we erachter dat ze niet goed groeide. Toen werden we doorverwezen naar het ziekenhuis waar we erachter kwamen hoe zorgelijk de situatie was. Morgen een jaar geleden begon ik met rustig aan doen.

Ik. Rustig aandoen. Ik. Die twee gaan niet samen. Zelfs de burnout in het jaar voordat ik zwanger werd, heeft er niet voor kunnen zorgen dat ik dingen écht losliet, en de boel de boel kon laten.

Maar nu stond het leven van iemand anders op het spel. Ik zou ik het mezelf nooit kunnen vergeven als door mijn druk doen mijn kind in gevaar kwam en dus hield ik ermee op. Ik ging rust nemen. Genieten van zwanger zijn, van schopjes, van uitdijen. En ik betrok mijn kinderen erbij, nodigde mijn man en hen uit naast mij op de bank te komen zitten. Die achteraf bezien laatste weken van haar leven hebben mij geleerd de boel de boel te laten, te accepteren dat een gezin met ruim zes personen nou eenmaal rommel en stof doet opwaaien en leerden me nog meer dan eerst ‘bless this mess’ te bidden.

Het staat allemaal zo vers in mijn geheugen dat het haast niet voor te stellen is dat het al bijna elf maanden geleden is dat ze stil geboren werd, zoals ze dat noemen. Stil geboren. Dat klinkt liever dan doodgeboren en verhult de akelige werkelijkheid dat ze toch echt overleden was nog voor haar geboorte. Stil, zo stil. Maar daar denk ik nu liever even niet aan. Ik ben in mijn hoofd nog niet op haar geboortedag, maar in die dagen eraan voorafgaand, waarin ze zich nog liet kennen in haar bewegingen in mijn buik. Waarin ik Godzijdank de tijd nam om haar te voelen en te koesteren. Niet wetende dat dat mijn enige kansen zijn geweest om dat te doen. En zo tel ik af tot haar geboortedag.

Definitief

For English, click here

Deze week was het tijd om een grafsteen uit te kiezen. We hadden het al een tijdje voor ons uit geschoven. En nu we eraan begonnen zijn, blijkt dat ook dit weer een proces is. Op dit moment staat er een tijdelijk bordje op het graf, vol liefde en prachtig gemaakt door onze oudste dochter. Maar het plankje wordt langzaam lelijker door wind en regen en er moet iets blijvends komen. Iets wat definitief is. Wat een vreselijk woord is dat toch.  

De afgelopen dagen, voordat we naar de steenhouwer gingen, was ik rusteloos. Druk, druk, druk, afgewisseld met Netflix. Zolang ik maar niet hoef stil te staan bij wat ik voel. Maar ondertussen.
Ondertussen was ik rusteloos, kribbig, niet echt mezelf. Dat komt de sfeer thuis niet ten goede, maar pas op de ochtend dat we zouden gaan, lukte het me om even rustig te schrijven en er daardoor achter te komen wat er nou eigenlijk speelt.

Het is het laatste wat we kunnen doen.
Het is het enige wat we nog moeten doen voor haar en misschien voelt het daarom wel zo beladen. Ik wil niet. Ik wil niet. Ik wil niet. Terwijl ik de gevoelens toelaat die dit besef bij me naar boven brengen, komt weer dat oude vertrouwde immense verzet in mij naar boven tegen wat zo duidelijk is, maar wat ik kennelijk ten diepste nog steeds niet wil accepteren. Ze is er niet meer en ze komt ook niet meer terug. We hebben haar begraven in de wetenschap dat we haar zullen weerzien als Jezus terugkomt of als we zelf gestorven zijn. Maar hier zien we elkaar niet meer en opnieuw doet het besef daarvan me zoveel pijn dat ik amper kan ademhalen. Dit is adembenemend op een heel negatieve manier en wat kan ik er aan doen? Ik wil schreeuwen, schoppen, schelden, slaan, maar ik weet ook wel dat dat helemaal niets, echt helemaal niets oplost of verandert of wegneemt. 

Het moet gebeuren en ik weet het en weer spreek ik mezelf toe en probeer ik gevoel en verstand bij elkaar te krijgen door te schrijven, te verwoorden, te beredeneren. Het verzacht de pijn niet echt. Maar door te benoemen krijgt het wel meer vorm en wordt het ongrijpbare enigszins tastbaar. Woorden zijn eigenlijk essentieel voor mij in dit proces van acceptatie. Pas als ik mijn gevoelens woorden geef, benoem, ontrafel door te omschrijven, kom ik erachter wat het nou eigenlijk is. En als ik het dan weer lees, kan ik huilen, kan ik het aannemen, in laten werken en verwerken, verweven in mijn bestaan. En als ik het dan anderen laat lezen, is het alsof ik daarmee erken dat het bestaat en natuurlijk hoop ik daarnaast dat anderen er iets aan hebben in hun weg van rouw of als ze anderen bijstaan in het doorleven van wat er met ze gebeurt.

Ik had van tevoren niet verwacht dat een grafsteen uitkiezen zo ingrijpend zou zijn. Dat het ons zo van stuk zou brengen. Maar nu ik erover nadenk, is het eigenlijk heel logisch. Een steen op het graf zetten is als een deksel ergens op doen of het boek dichtklappen. Het doet me denken aan een punt achter een zin zetten of op verzenden klikken als je een mail hebt ondertekend. Het staat symbool voor afronden, afsluiten. Je zet een steen (iets wat weer en wind kan verdragen) op een graf en op die steen probeer je te vervatten wie iemand voor je was en te markeren waar ze ligt. En dan loop je verder. Je sluit het definitief af. Het graf. Het hoofdstuk. Maar niet je hart. Dat zou te definitief zijn.

I will never forget

Last week I heard a beautiful song about the love of God for Israel. Basically it’s verses from Isaiah quoted and the words sounded pretty familiar to me. But then something deep happened when I heard the chorus and the second verse:

No I’ll never forget you.
I’ll never forsake you.
I will never forget my own.

Does a mother forget her baby.
Or a woman the child in her womb?
Yet even if she should forget
I will never forget my own.

The video clip shows a woman wearing dark clothes holding a small child in her arms. It evoked this deep longing in me and the dark clothes added to that as it reminded me of mourning.

But this song isn’t about me!
It is about God longing for His people and I knew that very well. Still, I couldn’t stop crying when the chorus was repeated:

No I’ll never forget you.
I’ll never forsake you.
I will never forget my own.

This is me. This is also me! The longing this chorus gives words to, describes how I feel about my stillborn baby. Somehow at that moment I felt that this verse from the bible was giving me permission to grieve, to feel this deep ache inside of me. Of course I know I don’t need permission for that, but sometimes people ask ‘If I am not over it yet’ and it makes me wonder if I am too dramatic and should feel differently. But here the bible clearly states that it is impossible for a mother to forget her baby. It gives a beautiful and accurate picture of what motherly love is.
And God’s love is even deeper. God is longing more for His people then a mother longs for her child.

I think it is mind boggling and I have spend quite some hours figuring out what this means. Listening to this song, letting the words sink in, figuring out what these feelings that were evoked are about, brought me to this amazing realization: Knowing how it feels to lose a child I so deeply love, longing for a child I will never get to meet in this life, actually now has brought me to understand more of the depths of God’s love.

Losing Amanda, longing for her, grieving over her, learning to live without her, trying to figure out what I believe and hope and live for, brought me to a deeper understanding of how desperately God longs for us to come closer to Him. And I am even more deeply convinced that He will never forget me, He will never forsake me. As I will never forget my dear baby girl.

About: Peter and Carin van Essen: Never forget, https://www.youtube.com/watch?v=SITAUTC6qTI

Jutten

For English click here

Het was gisteren negen maanden geleden dat onze kleine Amanda ter wereld kwam. Wat is er in die tijd veel gebeurd. ‘De dood van een baby is een hevige storm die het schip van het leven tot schipbreuk brengt. De weeouders zijn drenkelingen die verdwaasd en verwonderd zien dat ze nog leven. Hun schepen zijn gestrand. Van drenkelingen worden ze jutters. Ze zoeken naar wat nog bruikbaar is. Ze zoeken naar manieren om hun schip weer in balans te brengen.’ Deze woorden van Anita Witzier beschrijven pijnlijk precies het proces waar we in zitten.

Toen Amanda stierf, raakten we alle oriëntatie kwijt. Het was inderdaad alsof we schipbreuk hadden geleden en ons vervolgens realiseerden dat we het hadden overleefd en ronddobberden op een brokstuk. We vroegen ons verbijsterd af hoe we verder moesten, wat we moesten voelen, hoe we hiermee om moesten gaan. We begonnen te jutten: Wat is nog bruikbaar van alles wat we hebben meegekregen, verzameld, opgebouwd, geloofd, gedaan in ons leven? Nu kwam het er op aan. En tegelijkertijd: nu gaat het om overleven. We klampten ons vast aan wat nú belangrijk leek. Wat zijn we veranderd. Of misschien wel juist niet. Misschien zijn we wel meer onszelf geworden.

Want hier zit ik dan en ik schrijf. Eindelijk schrijf ik. Ik ben altijd al een schrijver geweest, maar ik was te bang om te zeggen wat ik denk en die angst heeft me ervan weerhouden om te publiceren. Maar in juli hield ik het niet meer, wilde ik de woorden delen die ik probeerde te vinden voor wat er in mij leeft. Misschien omdat gedeelde smart inderdaad wel halve smart is en schrijven haalt bij mij de druk van de ketel.

Ik ben bezig met het baby-album van Amanda. Om er de juiste teksten bij te kunnen schrijven, heb ik een deel van mijn dagboeken zitten lezen. Het is bizar om te lezen dat wat ik dacht toen ik zwanger was en dingen die ik deed in die tijd me achteraf hielpen bij het jutten.

Zo las ik tijdens mijn zwangerschap het boek The Shack van Paul W. Young, waarin een man zijn vijfde(!) kindje verliest door een gruwelijk misdrijf. Sinds haar dood worstelt hij met ‘the great sadness’ (wat een prachtige omschrijving voor het gevoel dat me soms verlamt als er weer een golf van verdriet over me heen is gekomen) en is zijn geloof allesbehalve persoonlijk en intiem. Young weet levensvragen meesterlijk ter sprake te brengen en geeft verrassend weer hoe je beeld van God gekleurd kan worden door je ervaringen. Young laat ook zien dat God in werkelijkheid veel groter is en dat er in dit leven geen antwoord is op: Waarom? Maar wel op: Bent U er?

Na Amanda’s dood heb ik The Shack nog een keer gelezen in het Nederlands (DeUitnodiging) en afgelopen week hebben Henk en ik de verfilming van het boek zitten kijken. Wat me keer op keer, en niet alleen door dit verhaal van Young, duidelijk wordt, is dat het oké is wat we voelen, wat we denken, waar we zijn. En dat het goed is om je hart bij God te luchten. Hij kan ertegen en Hij is bij ons.

We zijn inderdaad jutters en moeten opnieuw ons vertrouwen en onze koers zien te vinden. We leggen eigenlijk een weg af. Het verdriet blijft niet hetzelfde. Het verandert. Er komen nieuwe aspecten van aan de oppervlakte. Soms heel rauw, soms bitterzoet. Maar toch groeit er ook nieuw vertrouwen. Er is ontwikkeling. Het is niet meer hetzelfde als vroeger en ook niet als vlak na Amanda’s dood.

Als je nu aan me vraagt hoe het met mij gaat, vind ik het nog steeds moeilijk om antwoord te geven. Het gaat wel. We leven, doen de goede dingen, we huilen als we moeten huilen, lachen ook om dingen die mooi en goed of gewoon grappig zijn. Amanda maakt deel uit van ons leven, ons gezin. En we leven ‘gewoon’ verder. Veranderd verder. We proberen vast te houden aan het woord dat in deze kersttijd over de hele wereld herhaald wordt: Immanuel: God met ons. En jutten verder.

Al hebben je voetjes niet gelopen

For English click here

Ik ben vandaag begonnen met een Baby-album ter herinnering aan Amanda. Ik schreef zo mooi ik kon haar namen op, haar geboortedatum, sterfdatum en de datum waarop ze begraven werd. Toen dacht ik aan de foto die we gisteren hadden nabesteld. Ik plakte er één van onder haar naam. Het is een foto van een afdruk van haar voetjes. Ik schreef er het volgende gedichtje bij:

Al hebben je voetjes niet gelopen
zelfs niet bewogen
toen je kwam.

Toch ben je onze wereld in geslopen
hebt ons bewogen
zette ons in vlam.

Je hebt een afdruk nagelaten
een spoor dat onuitwisbaar is
Ik kan er uren over praten,
zo groot is ons geluk en ons gemis.

Ons geluk, want je was welkom, prachtig en perfect.
We hebben zo vaak zitten danken voor je, jij was een geschenk.
En ons gemis, want wat hadden we je graag hier op zien groeien
Je zien spelen en je met de andere kinderen zien stoeien.

Jou toevertrouwen aan de aarde waaruit God je had gevormd was het moeilijkste wat er is.
Maar hoe klein je ook was, jouw kwetsbaar bestaan was tegelijk jouw krachtige getuigenis.

Je bewees het bestaan van een Schepper.
Zo wonderlijk mooi werd je gevormd in mijn schoot.
Je bewees het bestaan van Liefde.
Zo diep is onze trots en onze rouw sinds jouw dood.

Al hebben je voetjes niet gelopen
zelfs niet bewogen
toen je kwam
Toch liet je een afdruk achter,
een spoor,
en mijn hart getuigt ervan.

Baby-album

For English, click here

Ik was in de Hema vanmorgen en ik heb een roze foto-album gekocht. In precies hetzelfde formaat en met dezelfde lay-out als de baby-albums van mijn andere kinderen.

We waren op stap voor Sinterklaascadeautjes en daar in de Hema had ik het gevoel dat ik dit moest doen. Dat het de tijd was om een mooi boek uit te kiezen voor mijn vijfde kindje. Tranen liepen over mijn wangen. Ook van ontroering en trots op de een of andere manier. Dat ik dit nu aandurfde.

Bij de andere kinderen was ik al vóór de geboorte begonnen met een album. Ik plakte er de ‘Gefeliciteerd! Zwanger!’-kaartjes in, foto’s van de echo’s en van mijn groeiende buik. En ik plakte er fragmentjes uit mijn dagboek bij waarin ik mijmer of bid voor mijn ongeboren kindje. En ik schreef op welke cadeautjes het kindje al had gekregen van de opa’s en oma’s en ooms en tantes. Na de geboorte kwamen dan de baby-foto’s erbij.
Voor Amanda was ik voor haar geboorte nog niet aan een album begonnen. Iets hield me tegen.

Nu heb ik de foto’s van haar echo’s nog voor in mijn agenda in een doorzichtig mapje zitten. Ik kom ze steeds weer tegen. Maar het jaar loopt af, mijn agenda voor het nieuwe jaar heb ik al bijna vaker nodig dan die van 2017 en ik weet bijna zeker dat ik ze daar niet opnieuw in zal doen. De foto’s van mijn dikke buik hebben we pas genomen nadat we wisten dat Amanda overleden was en in mijn dagboek had ik de citaten nog niet uitgezocht, hoewel ik veel geschreven heb tijdens mijn zwangerschap. De foto’s van na haar geboorte liggen in een showmapje op haar kamer, samen met de akte van haar geboorte en overlijden, ons trouwboekje met de namen van onze vijf kinderen en het afdrukje van haar voetjes.

Maar nu heb ik een echt baby-album. Ik wil beginnen met het inplakken van de bewijzen van hoe welkom ze was en geliefd, al voordat ze was geboren. Ik ben er blij mee en tegelijk vullen mijn ogen zich met tranen als ik er aan denk wat me te doen staat. Het zal moeilijk worden om deze dingen in te plakken.

De albums van mijn andere kinderen begon ik al voor hun geboorte met de woorden: ‘plakboek voor mijn eerste (2e/3e/4e) kindje’. En na de geboorte schreef ik dan zo mooi ik kon hun namen op met daarbij de woorden: ‘geboren op … om … uur’. Ik vond dat heel bijzonder om te doen. Een soort bevestiging van wat er was verrijkt in ons gezin en van hoe bijzonder dit kindje voor mij is.

Maar nu. ‘Plakboek voor mijn vijfde kindje, Susan Amanda Marsman, geboren op 22 maart 2017 om 23:09’? Dat gaat niet. Ik kan het niet voor haar doen. Ze zal er nooit in kijken, zoals haar broers en zussen steeds weer doen in hun eigen album. Ik kan de herinneringen niet meer voor haar opschrijven.
Toch wil ik een album vullen. Als herinnering aan haar korte bestaan. Als monument van mijn liefde voor haar. En als erkenning voor wie zij was en is. Manu Keirse zei in het programma ‘De Verwondering’ van afgelopen zondag (27 november 2017, kijktip!) over een andere moeder: ‘Ook al zijn haar twee kinderen overleden, toch blijft ze altijd de moeder van die twee kinderen.’ En zo zal dit roze foto-album het baby-album worden ter herinnering aan mijn vijfde kindje, Susan Amanda Marsman. Want dat is ze en zal ze altijd blijven. Ons vijfde kindje.

Allerzielen

For English click here
We kregen een uitnodiging door de brievenbus vorige week. Van de kerk bij ons in de buurt. Om een kaarsje te komen aansteken voor een dierbaar persoon. Mijn oudste gaf het aan me zonder iets te zeggen. Zou ze er graag heen willen? Ik lees het door en merk dat het me aanspreekt. En opnieuw trek ik mijn wenkbrauwen op en besef ik hoe ik ben veranderd. Ik begreep vroeger nooit waarom iemand een kaarsje zou willen aansteken voor iemand die overleden is. Wat heeft dat voor zin, je haalt de persoon er toch niet mee terug? Ik houd niet van rituelen en dat soort dingen. Maar nu merk ik dat ik erheen wil. Mijn man blijkt hetzelfde te hebben.

Samen rouwen is een crime. Ik heb de moed wat dat betreft allang opgegeven. Er is in ons gezin ruimte voor verdriet. Wie wil, mag het over Amanda hebben, of over de dood, of over een baby, maar als de een behoefte heeft om zijn verdriet ter tafel te brengen, heeft de ander dat juist even niet. We merken dat het heel lastig is om samen vorm te geven aan die lege plek, die we allemaal wel voelen. Ik wil niet negeren, maar ook niet pushen.

Ik vind in mijn eentje rouwen al lastig. Ik voel me al weken apathisch. Ik weet het gewoon niet meer, voel niet veel, denk niet veel. In mijn hoofd resoneert een zin die ik las in een artikel over de dood van een kind. ‘Gaat het een beetje?’ vroeg iemand. ‘Nee’, zei de vrouw van de schrijver, ‘hij is nog steeds dood’. Ze is nog steeds dood, besef ook ik en de onvermijdelijkheid en onontkoombaarheid ervan dringt steeds dieper tot mij door, maar ik kan er eigenlijk niet zoveel mee. Ik zou willen dat ik gewoon weer even kon huilen. Bijvoorbeeld omdat het gisteren een jaar geleden was dat ik een positieve zwangerschapstest in handen had. Maar vandaag lijkt het alsof het in een ander leven was, een andere persoon betrof. Ik denk alleen maar ‘ze is nog steeds dood’.

We voelen het wel allemaal. Ieder op een andere manier, maar het gemis is er en we moeten er allemaal onze weg in vinden. Ik merk dat ik echt dankbaar ben als ik eraan denk dat het nu goed met haar gaat, dat er voor haar gezorgd wordt, dat ze zelf waarschijnlijk niet terug zou willen naar ons. Maar ik merk ook dat er een gat is in mijn hart. Dat er liefde is die ik niet kwijt kan. Dat ik altijd een kind tekort kom.

En zoals ik met de andere kinderen ‘mamma – … – tijd’ heb waarin ik even één-op-één iets met ze doe, besef ik nu dat ik dat ook gewoon voor haar moet doen. Mamma-Amanda-tijd moet maken. En al kan ik dan niet haar de borst geven, haar even heel rustig in badje doen, of zoals met de andere kinderen later een gebakje gaan eten in de stad, een eind wandelen en een boom opzetten, of gewoon samen een puzzel maken, ik kan wel mijn aandacht even op haar alleen richten. Even met haar alleen bezig zijn.

En dat is denk ik waarom we vanavond die uitnodiging aannemen. Om als gezin even bij
haar stil te staan. Om samen te rouwen, hoe je dat ook doet.

Ploegen door de modder

For English click here

Ik loop langs het water over een glibberig, modderig pad. De wind waait wild en de wolken zijn grauw grijs. Er dreigt regen en alles bij elkaar is dit precies wat ik nodig heb. Koude wind, miezerige regen, klotsend water, modderig pad waarover ik voorzichtig moet lopen om niet uit te glijden. Zo voelt mijn leven ook.

Ik heb zojuist een kaartje in de brievenbus gedaan bij iemand die weet dat het einde nadert. Ik weet niet of die persoon er prijs op stelt, maar ik wil gewoon laten weten dat ik aan hen denk, voor ze bid. Ik weet niet eens of dat gezin God kent en gelooft.

Terwijl ik mijn wandeling maak, vraag ik me af waarom ik dat kaartje eigenlijk geschreven heb. Dat modderige, glibberige paadje is zoals mijn leven lijkt te zijn. En dat geldt niet alleen voor mij. Ook voor hen. Voor vele anderen en misschien ook wel voor jou.

Ik denk dat ik gewoon de hand wilde reiken. Om samen die paadjes te lopen. Zodat ik je hand kan grijpen als je dreigt weg te zinken in de modder of als je er bijna over uitglijdt. Zoals ik Goddank ook mensen heb die niet bang zijn om door die modder mee te glibberen en die me de hand reiken als ik gevallen ben of me heb laten meesleuren.

Iemand stuurde me een lange tekst over rouw. Eén van de dingen die me daarin trof was de opmerking dat het leven bestaat uit een lange serie verliezen. Het is eerder bijzonder als het leven kalm is dan dat het vol crises is.

Er stond ook in dat het goed is om verdriet onder ogen te komen en te laten zien, omdat we ook daarin uniek zijn. Ik vond dat wel apart. En ik vind het bevredigender dan het cliché ‘ieder rouwt op zn eigen manier, niets is goed of fout’, een zin die ik het afgelopen half jaar talloze keren gehoord heb. En waar ook wel waarheid in zit (hoewel ik niet weet hoe verlangen naar whiskey en sigaren echt goed te noemen is), maar het klinkt in mijn oren eigenlijk als: ‘het kan mij niet schelen hoe jij je verdriet beleeft’. Het geeft me een eenzaam gevoel.
Maar dat we ieder uniek zijn en ons verdriet dus allemaal uniek beleven, en ook daarin iets van Gods veelkleurigheid laten zien, dat geeft me een gevoel van ruimte voor verbondenheid. En vandaar dat ik nu hierin mijn verdriet wil laten zien.

Ik ploeg door de modder en kijk uit dat ik niet val, uitglijd of wegzink. Als jij dat ook aan het doen bent, weet dan dat je niet de enige bent en dat jouw verdriet gehoord en gezien mag worden.

Zegen dit zooitje

For English, click here

Vanmorgen keek ik een aflevering van ‘ik mis je’ en hoorde mensen praten over hoe belangrijk de overledene voor hen was en over hoe fijn het is om even over ze te praten en dat er iemand wil luisteren. Ik herken dat. En opnieuw ben ik ook verbaasd. Amanda heeft iets meer dan zes maanden geleefd en alleen binnenin mij. Toen ze geboren was, was ze al enkele dagen overleden.
Toch heeft ze zoveel teweeg gebracht. In mij, in ons huwelijk, in ons gezin, in onze omgeving, ons geloof, ons leven. Het leven is niet meer hetzelfde en zal ook niet meer hetzelfde worden.

Gisteren zong ik voor het eerst sinds Amanda werd geboren, weer vooraan in de kerk. Ik merkte dat ik sterker ben geworden, meer mezelf, krachtiger. En tegelijkertijd ook kwetsbaarder. Ik wist dat ik zomaar in huilen uit zou kunnen barsten maar degene met wie ik zong, wist dat ook en zou het overnemen als het nodig was.

De liederen zijn ook niet meer hetzelfde. Dat wil zeggen: ze voelen niet meer hetzelfde en betekenen niet hetzelfde als eerst. Zo zongen we het lied Oceans: ‘Spirit lead me where my trust is without borders, let me walk upon the waters, wherever you would call me.’

Nou, dat heeft Hij gedaan. Ik heb op water gelopen, so to speak. Ik heb grenzeloos vertrouwen nodig om uberhaupt te kunnen leven en blijven geloven en ik vind het nog best moeilijk om te zingen: wherever you would call me. Waar U me ook roept, door welke omstandigheden het leven ook leidt. Ik zal op U vertrouwen.

Toch is dat precies wat ik heb gedaan, geprobeerd te doen en ik zal het blijven proberen, mede door wat er in een van de coupletten staat: ‘You’ve never failed and You won’t start now.’ Ik heb het gisteren met luide stem gezongen en ik spreek het mezelf even zo hard toe als ik weer wanhoop aan de toekomst, of verbijsterd terugkijk naar de afgelopen maanden. U hebt mij nog nooit in de steek gelaten en U gaat dat ook nooit doen.

En dus zing ik. Niet omdat ik het allemaal op een rijtje heb en alles zo goed weet. Maar omdat ik geloof en omdat ik weet dat ik het hier op aarde nooit allemaal op een rijtje zal krijgen.

Mijn favoriete gebed de afgelopen jaren was: Lord, bless this mess. Omdat met al mijn kinderen en al die verschillende problemen om mij heen, controle houden onmogelijk bleek te zijn. En ik juist daardoor leerde dat het om te beginnen al niet de bedoeling was dat ik controle had, maar dat ik God de controle zou geven.

En nu mijn leven nog meer een zooitje is geworden door het verliezen van ons dochtertje, problemen die onverminderd aanwezig zijn gebleven, kinderen die opgroeien tot individuen met een eigen geluid en karakter, een lichaam dat nog altijd niet zo werkt als ik zou willen, blijft het mijn gebed dat God ons zooitje zegent. En houd ik me vast aan die zin: You’ve never failed and You won’t start now. 

https://youtu.be/FBJJJkiRukY

 

Voort blijven gaan

For English click here

Een half jaar geleden werd ze geboren. Perfect gevormd, met grote voetjes net als haar vader, lange bovenbeentjes net als haar broers en zussen. Echt ons kindje. Zo geliefd, kostbaar en gewenst: Amanda Marsman. Geboren op 22 maart, maar al voor haar geboorte overleden.

Ik vind deze weg van rouw zwaar en eenzaam en moeilijk. Vaak vind ik het ook moeilijk om te schrijven, omdat ik de woorden niet vind, of omdat het gewoon te zwart is wat ik denk. Maar ik ben deze blog begonnen. Ik heb besloten om te schrijven en wilde eerlijk zijn, ook over mijn gebrokenheid. En daarom schrijf ik nu toch. En om aandacht te vragen. Misschien is gedeelde smart inderdaad wel halve smart, want de laatste dagen heb ik ineens weer de neiging om mensen die ik tegenkom te zeggen: weet je wel dat mijn kindje is overleden? Weet je wel dat als dat niet gebeurd was, ik hier ook met een kinderwagen gelopen had? Het lijkt net alsof de druk in mijn hoofd de laatste dagen weer zó is opgelopen dat het tijd is om er wat uit te laten st(r)omen.

Vertellen helpt. Ze was zo mooi joh. Ik wil haar zo graag vasthouden, haar stem horen, haar eerste lachje zien. Ik wil mopperen om slapeloze nachten en te wilde broers en zussen. Ik wil liedjes voor haar zingen, haar voeden en in bad doen. Maar ik heb hier in huis alleen haar lege wieg in de lege babykamer en ik heb wat foto’s en een klein velletje papier met een afdruk van haar voetjes.

Dat stond trouwens in de boeken die ik las in de eerste weken na haar geboorte: dat zo’n afdrukje heel belangrijk is, omdat dat velletje papier echt in aanraking is geweest met haar lichaam. Toen ik het las, leek het me overdreven. Maar de laatste weken merk ik dat ik naar dat velletje met voetjes toegetrokken word, dat ik het koester en als iets heel kostbaars ben gaan zien.

Deze weg, dit proces, dit diepe donkere dal, brengt steeds weer nieuwe dingen bij mij boven en te binnen. Ik kan niet meer zeggen: dat zou ik nooit doen, of: zo overdreven zou ik niet doen. Tot mijn schaamte moet ik zeggen dat ik geoordeeld heb over hoe anderen rouwden en nu kom ik zelf tot de ontdekking dat het verlies van een kind werkelijk voelt als iets dat is afgescheurd, een gat in je leven slaat, de bodem onder je leven weghaalt en je werkelijk alles opnieuw moet ontdekken. Ik heb geen flauw idee hoe je dit doet. Hoe je dit een plek moet geven. Hoe je God hierin betrekt.

Vanmorgen kon ik alleen maar huilen en gisteren en eergisteren ook. Ik ben verbaasd dat er nog zoveel tranen zijn. Verwilderd over wat ik nou moet doen. Kan doen. Ik wilde iets tastbaars, heb na lang zoeken een armband met haar naam laten maken. Het is mooi en het past bij mij – beter dan de tatoeage die ik voor het eerst van mijn leven overwoog. Maar het lost niets op. Ik heb ernaar uitgekeken om die armband te dragen maar nu ik hem heb, besef ik eens te meer dat dat haar niet kan vervangen.

Ik loop er steeds tegenaan dat ik niet iets kan doen. Ik werk hard, probeer er voor de kinderen te zijn, en verder bezig te zijn, afleiding te zoeken. Maar keer op keer stuit ik er weer op: een diep verdriet, een intens verlangen, een ongrijpbaar gemis. Het enige waar ik wel echt wat aan heb, is het besef dat het met haar echt goed gaat. Dat zij volmaakt is nu en volkomen gelukkig. Geen pijn, geen verdriet, meteen op haar bestemming. Maar zelf worstel ik nog, zoek ik God, zoek ik Zijn troost en Zijn geborgenheid. Zijn kracht. En ik weet niet hoe ik dat kan ontvangen. Het lijkt soms wel alsof ik ontroostbaar ben. Vanmorgen ben ik uiteindelijk maar weer gaan zitten en gaan lezen in de bijbel. Psalm 84 deze keer. Mijn hart en mijn lichaam roepen het uit tot de levende God. Ja, dat herken ik wel.

En: Welzalig zijn zij die in Uw huis wonen, zij loven U voortdurend maakte me blij omdat ik eraan dacht dat dit in elk geval voor Amanda geldt.

En dan vers 6: Welzalig (gelukkig) de mens van wie de kracht in U is – in hun hart zijn de gebaande wegen. Gaan zij door het dorre dal van de moerbeibomen, dan maken zij God tot hun bron; ook zal de regen hen overvloedig bedekken (in de voetnoot staat: zegenen). Zij gaan voort van kracht tot kracht. Er staat nog meer in de psalm, maar ik besloot deze woorden vooral op me in te laten werken. Te danken voor de gebaande wegen in mijn hart en dat ik God kennelijk tot mijn bron kan maken. En dat ik in Zijn kracht altijd weer verder kan gaan.

Vervolgens lag er een brief op de mat van een van onze sponsorkinderen[i]. Ze reageerde op het bericht over Amanda en zij schreef: “I want to encourage you to keep going because in life we sometimes go up and sometimes we go down, but the important thing is to move forward.” Ik glimlach omdat het perfect aansluit bij wat ik net heb gelezen. Ik ga voort van kracht tot kracht. En ik vertrouw erop dat God me wel zal laten zien hoe je dat dan precies doet.

[i] We sponsoren kinderen via Compassion.nl. Door een financiële bijdrage zorgen zij dat een kind dat anders kansloos is, eten, onderwijs en gezondheidszorg krijgt en je schrijft met het kind om het te bemoedigen. Zo’n briefwisseling gaat vaak erg traag, het kan soms maanden duren voordat je reactie krijgt op de brief die je schreef.

Ik weet niet wat ik moet zeggen

For English, click here

Het is alweer even geleden dat ik mezelf moed insprak en de stad in ging om kleren te kopen. Ik wilde geen zwangerschapskleren meer dragen, maar mijn oude kleren waren nog te klein. Ik wist niet welke maat ik nu weer had en besloot maar gewoon één winkel te kiezen en alles uit de rekken te halen wat me wel mooi leek.

Ik ging met stapels kleren naar het pashokje en probeerde zo rustig mogelijk te passen. Hoe confronterend. Mijn ontzwangerende lijf. De onzekerheid over wat nu bij me past. De kleuren. Ik wilde me mooi voelen, maar niet te uitbundige kleren aan. Per slot van rekening ben ik in de rouw.

Ik paste elk kledingstuk en een heleboel was te klein, te groot, te blij, te kort. Ik besloot van sommige items om een andere maat te vragen en verzamelde moed om een echt mens onder ogen te komen.
Als ik nu maar niet ga janken.

Ik had veel te veel kleren meegenomen in het pashokje, mopperde de verkoopster. Ik stamelde: ‘Het spijt me, hier hebt u wat ik sowieso niet ga kopen.’ Ze bond wat in en gaf me de kleren in een andere maat. Gelukkig. Ik kan wel wat vriendelijkheid gebruiken.

Ik stapte het pashokje weer in, paste de kleren en koos vier of vijf dingen uit die ik mezelf cadeau zou doen. Bij de kassa geneerde ik me. Ik vond het toch wel wat veel en om me te verontschuldigen zei ik: ‘ach ja, je kent het wel, ik was zwanger.’

O nee! Wat doe je nu? Dacht ik en ik hoopte dat ze me niet verstaan had. Maar de verkoopster – dezelfde als bij de pashokjes – reageerde: ‘O wat leuk! Wat is het geworden?’ ‘Een meisje’ fluisterde ik en in gedachten zei ik erachteraan: ‘nu niets meer zeggen!’ Maar ze vroeg verder: ‘O, wat leuk, hoe gaat het nu met haar?’

Ik aarzelde. ‘Ze is overleden’ perste ik eruit en er liepen tranen over mijn wangen. De verkoopster reageerde geschokt: ‘O, wat erg. … ik weet niet wat ik moet zeggen. … wat erg. Ik heb zelf net een kleinkind gekregen.’ Ze moest ook bijna huilen. De klanten achter mij in de rij waren ook geschrokken en de verkoopster en de andere klanten zeiden dingen die ik niet verstond. Het enige wat ik wist te zeggen was: ‘Dat geeft toch niet, ik vind het ook heel erg.’

Ik rekende af en wist mijn fiets te bereiken. Terwijl ik snikkend naar huis reed, realiseerde ik me dat het me goed gedaan had. Dat dit gebeurde, was eigenlijk zo’n zegen voor mij, ook al was het heel pijnlijk voor iedereen die erbij was. Want het is toch ook gewoon erg, dat mijn dochtertje overleden is?

Je had misschien geen woorden, maar het was fijn voor mij om te horen dat het jou raakt, dat het je schokt. Je kunt niet meer doen dan dat. Jij kunt mijn verdriet niet wegnemen en onze situatie niet veranderen. Maar dat je liet zien dat het je raakte en iets bemoedigends wilde zeggen, dat deed mij goed. Dank je wel!

Ik mis je zo

For English click here

Mijn kind, ik mis je zo.

Je zou twee maanden zijn geweest gisteren.

Ik zou je net hebben gevoed, boertje laten, knuffelen.

Je zou naar me hebben gelachen en gekraaid naar pappa die met je stoeit.

Ik zou je mee hebben genomen naar het feest.

Je zou mee op de foto.

Maar je was er niet.

Je naam werd niet genoemd.

Ik moest met mn incomplete gezin op de foto.

Met dat hartverscheurende gevoel dat het nooit meer hetzelfde zal zijn.

Je nooit met zn allen op de foto komt.

Niet hier.

Ik weet niet hoe ik verder moet zonder jou.

Maar ik weet dat ik wel zal moeten.

Ik mis je zo, mijn kind.

Love with no place to go

You have to face it. At some point you need to cry hard, instead of running away from your emotions. I am so aware of this and at the same time so not capable of doing it. So here I am. I sit down, try to write, try to let you know how I feel so I can feel as well. I write in English this time since some of my dear friends do not understand Dutch at all and some of them are in as much pain as I am at this very moment.

Where I am right now really is a valley and it seems darker then it was before. I miss my baby girl like crazy. My body still longs to hold her, feed her, protect her, cherish her. It is a very soft and tender feeling and so very painful at the same time. I have this special love for my other children as well and I came to realize how wonderful it is to give it to them. But there also is this love towards Amanda and she isn’t here to receive it.

I’ve never been aware of this before she was born. I discovered that as a mother you need your child just as much as she needs you.
I mean, I was aware of a baby desperately needing his or her mum and dad. And when you have a child, you know you are happy to give yourself to him or her – most of the time. But when my baby was born still, I found out that I needed her just as much. At that very moment, new love was born and it was only hers to receive.

I remember that when I had my fourth child, I was so afraid that I couldn’t love him as much as I loved my other children. Who is capable of loving four children the same with deep and sacrificial love? I found out however when giving birth to that precious boy that my heart grew larger, and new love was born, especially for him. Apparently you can love four children with real parental love.

When I gave birth to my fifth child it happened again. Though we knew she had died before she was born, that moment that she came into the world, both our hearts flooded with love, compassion, a willingness to sacrifice, nourish, cherish and protect this precious child.

And then reality kicks in. You find yourself having this love and feelings, but no place, no soul to pour it into. She didn’t need it anymore. She didn’t need you.

The last few days words from a song came to my mind over and over again. I have listened to it a hundred times the last few months. It’s comforting to know that I am not the only one feeling this way right now:

There were photographs I wanted to take
Things I wanted to show you
Sing sweet lullabies,
wipe your teary eyes
Who could love you like this?

People say that I am brave but I’m not
Truth is I’m barely hanging on

But there’s a greater story
Written long before me
Because He loves you like this

So I will carry you
While your heart beats here
Long beyond the empty cradle
Through the coming years

I will carry you
All my life
And I will praise the One
Who’s chosen me
To carry you

Such a short time
Such a long road
All this madness
But I know
That the silence
Has brought me to His voice

And He says
I’ve shown her photographs of time beginning
Walked her through the parted seas
Angel lullabies,
no more teary eyes
Who could love her like this?

I will carry you
While your heart beats here
Long beyond the empty cradle
Through the coming years
I will carry you
All your life
And I will praise the One
Who’s chosen Me
To carry you

I will carry you from Selah)

Weer naar school

For English click here

De kinderen gaan weer naar school. Bij mij starten ze allemaal een groep of klas hoger. Wat worden ze gróót. Wat worden ze zelfstandig. Zoals ze ieder op hun eigen manier bezig zijn de wereld te begrijpen, grijpen, veroveren. Het ontroert me elk jaar opnieuw.

Ik fietste in mn eentje naar huis. Wat later zwaaide ik de oudsten in mn eentje uit. Hoe anders had ik me dat voorgesteld voor dit nieuwe schooljaar.

Ze zou met me mee in de bakfiets. Samen met mij haar grootste broer en zus uitzwaaien. Ik zou zeker niet alle tijd van de wereld hebben, zoals nu. Wat is de stilte dan stil en de leegte leeg.

Ga met je lege armen en je verdriet naar God toe, drukte iemand me op het hart. Waarom is dat toch steeds zo moeilijk? Omdat ik daarmee accepteer dat de zaken zijn zoals ze zijn en ik dat moeilijk vind, soms zelfs koppig weersta?

Ik zat vandaag flarden liedtekst over te schrijven in mijn ‘hookbook’ waarin ik bruikbare zinnen noteer om er misschien ooit een lied over te schrijven. Ik had heel wat kladblaadjes verzameld en vond dit refreintje:

Don’t want to go there
Don’t want to feel
Just want to run somewhere
But I know it’s time to heal.

Het raakte me.
Ik weet niet meer waarom ik het destijds opschreef, maar het beschrijft precies waar ik me nu bevind. Als ik naar God ga, kan ik genezing, troost, voor mijn ziel ontvangen. Maar het betekent ook dat ik moet voelen wat ik voel. Dat ik erken wat er zich in mij roert en de tranen huil die nog te huilen zijn. En het betekent loslaten, ruimte geven. Als ik mijn verdriet aan Hem geef, kan Hij er iets mee doen. En soms wil ik dat nog even niet. Wil ik vasthouden aan het verlangen naar Amanda in de box op de plek die ik had bedacht. Al weet ik dat dat niet meer gaat gebeuren.

Don’t want to go there
Don’t want to feel
Just want to run somewhere
But I know it’s time to heal

Verdriet of zelfmedelijden

For English click here

Geen maxi cosi nodig. Morgen gaan we naar een familieverjaardag toe. Plotseling realiseer ik me dat dit er ook bij hoort. Dat je dan naar een feestje gaat en je kindje niet mee kunt nemen.

Ik blijk zo mijn ideeën en verwachtingen te hebben gehad over hoe het zou zijn met haar erbij. En herinneringen aan hoe het was met mijn andere kinderen komen bovendrijven: Trotse opa en oma, ooms en tantes en nu zijn er ook een neefje en nichtjes, die waren er toen ik mijn andere baby’s kreeg nog niet. Het is zo leuk om te zien hoe kinderen omgaan met een kleine baby.

En gewoon, voeden, tutten, kroelen, knuffelen. Ik mis het zo. Ik mis haar zo.

Het ging een paar dagen lang zo goed met mij! Afgelopen zondag zei een spreker in de kerk tegen me dat ik God moet danken dat ze bij Hem is. Dat haar zoveel lijden bespaard blijft. Dat ze geen keuze hoefde te maken. Dat het heel goed met haar gaat. En ik deed het. Ik dankte God ervoor en ik meende het ook. Ik ging heel wat lichter uit die kerk weg.

Ik had een armbandje met haar naam gemaakt en droeg het elke dag, tot het vorige week stuk ging. Ik had de neiging om in huilen uit te barsten, vond mezelf kinderachtig, maar ging toch op zoek naar een zilveren naambandje op internet. Na zondag had ik die behoefte niet meer. Ik had rust gekregen en kon accepteren dat ze nu bij Hem is en dat ik voor het oog van de wereld vier kinderen heb en geen vijf.

Tot vandaag. Nu is die drang er weer, het verlangen naar iets tastbaars, iets wat zichtbaar is, iets waardoor ik niet het gevoel heb dat ik haar moet negeren of ontkennen. Iets wat mij helpt te accepteren dat ik vijf min één kinderen heb.

Is het zelfmedelijden of verdriet? Ik weet het niet precies. Zelfmedelijden ligt steeds op de loer en daar wil ik niet in zwelgen. Verdriet – rouw – is liefde die je niet kwijt kunt. Dat is normaal, goed, misschien zelfs mooi. Maar waar ligt de grens tussen die twee?

Ik ga maar weer eens op haar kamertje zitten en huil even flink. Nee, laat ik eerlijk zijn. Eerst appte ik mijn man, toen at ik chocola en daarna herinnerde ik me pas dat ik hiermee ook naar God toe zou kunnen gaan en zocht ik even de eenzaamheid op.

Ik laat mijn tranen toe en ga naar God toe met de verwarring, het verdriet en ook met mijn zelfmedelijden.

Ik realiseer me weer dat het ok is wat is voel, dat ik haar mis, dat ze gewenst was en kostbaar en uniek. En terwijl ik alles aan God vertel, merk ik dat ik nieuwe rust van Hem krijg. Al gaat de maxi cosi niet mee morgen.

Je huilt nooit alleen

For English, click here

Je huilt nooit alleen. De woorden sloegen in als een bom. ‘Ons gebroken hart breekt altijd Gods hart in tweeën. Je huilt nooit alleen.’[i] Zoals vaker met de berichten en boeken van Ann Voskamp, weten haar woorden diep tot me door te dringen.

Ik worstel met dingen die gebeuren, keer op keer op keer op keer: ‘Ze zijn uit elkaar’. ‘Hij is opgenomen en het gaat niet beter’. ‘De kanker is terug’. En, nog niet zo lang geleden: ‘Het spijt me heel erg, maar uw kindje is overleden’.

Koud om mijn hart. Misselijk. Totale apathie strijdt met totale wanhoop en omdat ik niet kan kiezen, schiet ik in ‘freeze’ zoals mijn kinderen zeggen als ze teveel ijs hebben doorgeslikt. Hoe kom ik hieruit. Wat is de oplossing. Vertel me wat ik moet doen. Maar er is niets wat iemand of ikzelf kan doen. Het is te groot. Dus zit ik maar, voel me verslagen. Ik zoek naar woorden, een oplossing, een strategie om ermee om te gaan.

Vroeger, als ik weer eens geopereerd moest worden, deed ik alsof ik ergens anders was totdat het beter ging. Ik schoot in een stand van: ik ben er even niet, zeg het me als je klaar bent en ik weer ‘normaal’ kan doen. En op een bepaald moment was het weer voorbij. Daarna was je beter, of niet, werd je nog een keer geopereerd, maar er zat een zekere vooruitgang in. Dat werkt niet altijd. Een scheiding is definitief. De dood is definitief. Sommige ziektes gaan niet over en sommige situaties gaan niet voorbij.

En dan moet je accepteren, rouwen, een nieuwe weg vinden. Maar je huilt nooit alleen. ‘Wie kan weten waarom God toestaat dat je hart breekt, maar toch moet het antwoord belangrijk genoeg zijn omdat God zijn hart ook liet breken.’[ii] Het is niet te bevatten en ik snap het ook nu nog steeds niet. Mensen hebben het al vaak tegen me gezegd de afgelopen maanden: God huilt met je mee. Ik denk daar vaak aan, maar op dit moment kan ik er nog niet zoveel mee.

En toch geloof ik ergens wel dat het waar is. Ik snap niet wat er gebeurt. Dat mensen door zulke vreselijke verliezen, behandelingen of jarenlange trajecten moeten gaan. Dat wij ons kindje zijn verloren. Maar ik huil niet alleen. Een aparte vorm van troost. Je zou willen dat de situatie gewoon veranderde. Dat de relatie herstelt, de ziekte of gedragsstoornis verdwijnt, het kindje levend wordt. Maar dat gebeurt vaak niet.

Misschien kwam Hij niet om ons leven gemakkelijker te maken. Misschien kwam Hij om met ons mee te leven, het ons te helpen dragen. Hij heeft zelf ook oneindig geleden. God verloor Zijn eigen kind aan de dood. Hij begrijpt ons. Hij kent ons. Ergens staat er in de bijbel dat Hij onze tranen opvangt. Dat er geen enkele traan onopgemerkt blijft. Dat troost me wel echt, moet ik zeggen. En in dat opzicht is het al waar: je huilt dus nooit alleen.

[i] Ann Voskamp: Gebroken leven. Franeker, 2016, p. 52      [ii] Id.

20 weken

For English click here

20 weken geleden. We gingen met verontruste gedachten en gevoelens naar het ziekenhuis voor een controle-echo. We wisten dat de baby een groei-achterstand had en dat dat waarschijnlijk kwam door een niet goed werkende placenta. Ik was aspirine gaan slikken, ben heel rustig aan gaan doen en heb bewust genoten van elke beweging die ik voelde. Vrijdags had ik haar nog krachtig gevoeld, toen ik pianoles had.

Zaterdags hadden we een begrafenis. Een lieve vriend van vroeger was overleden en ik voelde me onbestemd. Ik kwam er andere oude vrienden tegen en vertelde vol trots dat ik zwanger was. Een vriendin zei nog: dood en nieuw leven. En zo voelde het ook. Ik was blij met nieuw leven in mij en zo verdrietig om de dood van deze lieve vader van jonge kinderen. En toch was ik er niet gerust op. Ik had de week ervoor een vreemde drang gekregen om alles klaar te maken. Ik had al prematuurkleertjes gekocht en gezorgd dat de wieg klaar stond en de bekleding weer tevoorschijn was gehaald.

En toen kwam die maandag, nu precies 20 weken geleden. Ik had bijna niet geslapen omdat ik zo zenuwachtig was. We hadden zoveel gebeden dat ze zou groeien, dat ze veilig kon blijven zitten in mijn buik tot ze groot genoeg was om geboren te worden. Mijn man was ook ontzettend nerveus. Ik voel me alsof ik een heel belangrijk examen moet doen, zei hij. Ik vond het fijn om er zo samen in te zitten, maar ik voelde me er ook nog nerveuzer door.

En toen de echo. Doodse stilte. Letterlijk. Schrik om mijn hart. Ongeloof en zeker weten tegelijk. Nee! God, nee! Heer, dit kan toch niet? En tegelijk weten dat het echt zo is. Heer, help, wat nu? Hoe vertel ik dit aan mijn kinderen? Kan ons huwelijk dit aan? We hebben al zo vreselijk veel meegemaakt en wonderlijk overwonnen. Zullen wij het redden? En hoe moet ik ooit bevallen van een dode baby? Wat staat ons allemaal te wachten?

En nu zijn we 20 weken verder. We moesten hier doorheen, of we nu wilden of niet. We maakten keuzes. We zouden de ander laten rouwen op hun manier, ruimte geven om te praten of te zwijgen, te huilen of juist niet. We zouden onszelf zijn en eerlijk zijn en nee, God voelde niet dichtbij. We hebben geen idee hoe dit kon gebeuren en weten niet precies hoe we verder moeten. Nog steeds reageren we soms op manieren die we niet kennen van onszelf of van de ander. Nog steeds worden we soms overspoeld door een golf van verdriet en zelden tegelijkertijd.

En toch, als ik nu terugkijk en zie hoe elke week anders was, andere gevoelens bij mij boven bracht en hoe ik worstelde met God en Zijn beloften die niet leken te gelden voor Amanda, toch kan ik nu zeggen dat Hij mij geen seconde alleen gelaten heeft. Ik voelde Hem niet. Mijn verdriet was te groot. Maar ik ging er niet aan onderdoor. Ik ben er nog. Ik loop nog, al val ik onderweg regelmatig. Ik stond weer op en besloot terug te denken aan de momenten dat ik het wél zeker wist. Ik heb steeds weer gebeden: God, laat me zien dat U er bent. U kent mij toch. U weet dat ik U wil vinden, maar het lukt me niet, ik vind de rust niet om gewoon te zitten en te wachten.

En Hij heeft het gedaan! Op talloze manieren. Door een appje van iemand, een kaart, een mailtje, een lied, een bijbeltekst, een gedachte, een herinnering, iets wat ik ergens ineens las of hoorde. Al die dingen samen geven me nu een besef dat ik niet allen gelaten ben. Hij heeft mij niet losgelaten. Ik hoorde vorige week een lied van de band Lev en nu kan ik het meezingen:

Als er niets meer klopt, klopt het hart van God. God die overwint, Hij is met ons. Dus laat de hoop niet los. Los van wat er komt, komt er redding, want God is met ons.

 

Eeuwig leven

For English click here

Vandaag was ik weer even bij het grafje van mijn dochtertje. Op de fiets naar de begraafplaats drong weer even die bizarre werkelijkheid tot mij door dat ze echt mijn kindje is, mijn baby. En dat ze daar ligt, onder de grond.

Van de week stuurde iemand me een foto van haar baby’tje, een leeftijdgenootje van mijn dochter. Ineens werd het verlies veel concreter. Eerst leefde ik naar de uitgerekende datum toe, de tijd waarin ze geboren had moeten worden. Nu weet ik niet waar ik naartoe moet leven; kan ik niet meer zeggen: als die datum nou maar voorbij is, dan…

Eerst was het het gemis van de baby in mijn buik, nu is het het gemis van de baby die in mijn armen had moeten liggen, in de armen van mijn man, mijn grotere kinderen. Bij haar opa’s en oma’s en tantes en ooms en neefjes en nichtjes.
Dit is een nieuwe soort pijn en ik weet er nog niet zo goed raad mee. Ook hier moet ik mijn weg in vinden, moet ik mee leren leven.

‘Begraafplaats sluit om 17:00’ staat er op het bord bij de ingang. Ik denk terug aan die keer dat ik naar haar grafje wilde en de begraafplaats dicht was en ik paniek voelde opkomen. Ik kan niet bij mijn dochter komen. Hoe bestaat het dat je niet bij je eigen kind mag zijn, dacht ik en terwijl ik terug naar huis fietste corrigeerde ik mijn gedachtegang. Het is alleen haar lichaam dat daar ligt. Amanda zelf is er niet meer. Niet meer hier.

Ik kniel neer bij het graf, haal onkruid weg, maak het weer netjes. Ik laat mijn tranen even de vrije loop en besef dat het inderdaad een nieuwe laag is. Op deze manier huilde ik nog niet eerder. Ik bid zachtjes tot mijn God. Help me alstublieft, help me dit verlies te dragen en er echt doorheen te gaan. En laat me zien dat er een eind komt aan dit diepe dal vol schaduw van de dood.

De zon breekt door en warmt mijn rug. Het voelt als een knipoog. En de woorden in mijn hoofd zijn die van een geliefd lied uit mijn jeugd dat ik toevallig van de week weer hoorde: ‘de dood is tenietgedaan, Jezus is opgestaan, Jezus, de leeuw van Juda overwon de dood.’
En ik herinner me de woorden die iemand mij vanmorgen appte: God is je Heer! Hij zal niet loslaten of toestaan dat je hier aan onderdoor gaat. Met Hem kom je er doorheen en je zult samen met Hem en Amanda eeuwig leven!!!!

Ik kan weer even verder

Verblijd u

For English, click here

Deze week las ik elke dag een andere psalm (met behulp van het boekje over Psalmen van Derek Prince). Het viel me op dat deze psalmen steeds beginnen met: ‘Loof de Heer’. En dat er vaak opgeroepen wordt om blijde liederen te zingen. Ik vind het moeilijk. Loof de Heer? Blij zijn? Ik worstel met verdriet en boosheid. Mijn kind is dood! En tegelijk voelt het vertrouwd en logisch. Als God God is, is Hij toch onze lof waard?

En nu lees ik Filippenzen 4:4-9, omdat het over die tekst gaat in ‘Our Daily Bread’, het bijbels dagboekje dat ik altijd gebruik. “Verblijd u altijd in de Heere; ik zeg het opnieuw: Verblijd u.” Weer is mijn eerste reactie protest. Verblijden? Ik wil helemaal niet blij zijn en me al helemaal niet verblijden, geen blijde gedachten toelaten.

Het is onze trouwtekst, Filippenzen 4:4-9. Toen we trouwden, waren er dingen waar we niet blij mee waren. Ik was chronisch ziek zonder zicht op verbetering. Ik kon amper lopen, steeds minder met mijn handen doen en had altijd pijn. Het lukte maar moeizaam om mijn studie af te ronden. Psychisch zat ik best wel in de knoop. Maar toch vonden we dat er ook veel was om blij over te zijn. We hadden elkaar gevonden en zagen een toekomst samen zitten. We kenden God al bleek dat we Hem nog veel beter zouden leren kennen in de loop van de jaren. We waren dankbaar en wilden dankbaar blijven, wat er ook gebeurt.

En vandaag, precies vier maanden na de geboorte van onze levenloze dochter, ons vijfde kindje, lees ik opnieuw deze tekst. Verblijd u. En: wees in geen ding bezorgd, maar laat uw verlangens in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God en de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaken in Christus Jezus.

En het ís zo, weet je. Daar word ik de laatste weken steeds opnieuw bij bepaald. Het is zo dat er een vrede is die alle begrip te boven gaat. Ik heb die vrede ervaren toen ik dat ongelofelijk moeilijke moest doen: een dood kindje baren. Ik heb die vrede ervaren toen ik met mijn kleine dochtertje in mijn handen zat en me verwonderde over hoe mooi ze was. Verdriet en verwondering en blijdschap en boosheid, maar in dat alles toch vrede.

Is dat misschien het verblijden waar het hier om gaat? Niet dat je blij bent met wat er gebeurt of staat te gebeuren. Maar door te kijken naar wat mooi en goed is, je te verheugen in een goede God? Toen ik mijn meisje zag, was ik een en al verwondering en trots. Ik kon zien dat ze zorgvuldig door God geschapen was, ook al was haar leven in mijn ogen veel en veel te kort. Ik was blij dat Hij zoveel aandacht aan haar besteed had, nageltjes, haartjes, oogjes, ribbetjes, voetjes, ze was zo compleet en perfect. Als ik daar aan denk, heb ik toch wat reden om blij te zijn. Of, ik moet het anders zeggen: Door daaraan te denken, verblijd ik mij.