Zwijgen

Het is vandaag 8 juli. Twee jaar geleden was ik uitgerekend en liep ik op deze dag naar het grafje om er iets neer te leggen bij wijze van verjaardagscadeau. Vorig jaar en vandaag deed ik dat weer. Vandaag voelt het anders dan de vorige twee keer, hoewel ik wel mijn tranen moest bedwingen toen ik de lelies afrekende bij de bloemist en me te fleurig voelde toen ik in mijn bontgekleurde jas over de begraafplaats banjerde.

Misschien heb ik toch al wat leren leven met het gemis van onze jongste. Mijn hart voelt wel nog wat zwaar. Eigenlijk al sinds 17 juni, de dag waarvan ik bad dat het haar geboortedatum zou zijn, omdat ik dan precies 37 weken zwanger zou zijn geweest. Ik blijf het vreemd vinden hoe mijn geheugen werkt. Het is niet de datum an sich, maar het is de geur, de temperatuur en de kleuren om me heen, die me herinneren aan deze periode twee jaar geleden, toen ik zo kwetsbaar rondliep, verdwaasd zoekend naar het kind dat hier niet meer is.

Ik wist niet dat het verlies van een kind zó ingrijpend was. Dat de pijn zo diep gaat dat eigenlijk niets meer hetzelfde is. In mijn perceptie tenminste, want uiterlijk is het meeste hetzelfde gebleven. Ik leef in hetzelfde huis, in dezelfde buurt, heb dezelfde familie, maar ik beleef het anders. Dat verbaast me nog regelmatig. Ik kan echt niet terug naar wie ik vroeger was. Er is een leven voor en een leven na Amanda.

De laatste tijd merk ik dat er ook in mijn houding ten opzichte van andere mensen dingen zijn verschoven. Het maakt uit of Amanda genoemd mag worden of niet. Voor mensen die haar nog doder zwijgen dan ze al is, kost ruimte maken in mijn hart heel veel moeite.

Ik hoorde van andere rouwenden dat zij sommige relaties op den duur verbraken. Toen ik dat hoorde, besloot ik dat ik dat wilde voorkomen. Ik wilde me open blijven stellen. Maar nu, meer dan twee jaar later, merk ik soms dat de rek eruit is en ik mijn hart vaker afsluit voor anderen. Dat vind ik moeilijk, het geeft nieuw verdriet.

Ik wilde er altijd voor iedereen zijn, hoe zij zich ook ten opzichte van mij gedragen. Dat lukte me door Gods genade ook heel vaak. Maar nu kan ik het soms niet meer opbrengen. Als ik haar moet verzwijgen, die zo reëel voor me is alsof ze hier nu haar tweede verjaardag zou vieren met feestmuts en taart, waarom zou ik dan naar hun verhaal luisteren?

Opnieuw heb ik genade nodig. Meer genade, meer begrip, meer ruimte in mijn hart. Want ik geloof toch dat we anderen moeten behandelen zoals we zelf behandeld willen worden. Niet zoals we zelf behandeld worden. Dat is een wezenlijk verschil, merk ik nu opnieuw en je kunt nooit weten waaróm mensen doen zoals ze doen. Vaak zit er een goede bedoeling achter, al kunnen goede bedoelingen dus ook goed pijn doen.

Dus ik buig opnieuw mijn hoofd, stort mijn verdriet en boosheid uit bij de God die het allang weet, om meer genade te ontvangen en meer liefde om er opnieuw te zijn voor die ander, hoe hij of zij ook met mij omgaat. En vervolgens ga ik opnieuw naar het graf van mijn dochter, die twee jaar had moeten worden als alles was gegaan zoals het hoort, zette een nieuw vlindertje neer en een verse bos lelies. Gefeliciteerd lieve kleine dochter van mij. En: doet U haar de groeten, Heer.

Opnieuw vraag ik me af waar de grens is tussen verdriet en zelfmedelijden. Of moet je misschien eerst door zelfmedelijden heen voordat je bij het verdriet kunt komen? Verzwijgen heeft in elk geval geen zin, want dat verstikt nog meer. Dus hier ben ik dan weer, broken but real en bereid om weer die weg te gaan om anderen met genade en woorden tegemoet te treden. Zelfs al zwijgen zij over mijn geliefde kindje, die uiterlijk vandaag twee jaar had moeten worden.

 

Bereaved Mothers’ day

Volgende week is het weer moederdag. Een dag waarop veel moeders even het stralende middelpunt zijn en ontbijt en zelfgemaakte cadeautjes krijgen. Een dag waarop de pijn van de kinderen die er niet meer zijn of die er nooit zijn gekomen, ook scherp naar voren komt.

Ik vind Moederdag best ingewikkeld. Ik ben heel erg blij met de kinderen die in mijn huis opgroeien. Ik geniet ervan ze te koesteren, onderwijzen, coachen, verzorgen, plezier met ze te maken en te zien hoe ze langzaam maar zeker zelfstandige mensen worden met een eigen identiteit. Het ontroert me en maakt me nederig: ‘Wow, is dit werkelijk míjn kind?’

Maar juist door stil te staan bij mijn moederschap, vlamt automatisch het gemis op van het kind dat er niet meer is. Het kind voor wie ik niets meer kan doen en dat ik niet zie opgroeien tot een autonoom persoon. Dat is echt vervelend. Vooral op Moederdag, als je levende kinderen zo hun best voor je doen. Dan wil ik me eigenlijk niet bezighouden met mijn overleden kind, maar gewoon genieten van zij die hier zijn. Het voelt alsof ik mijn levende kinderen onrecht aan doe om juist op zo’n dag aan Amanda te denken. Dus doe ik erg mijn best om me vooral op de levenden te richten.

Je kunt natuurlijk niet helemaal voorkomen dat heftig verdriet ineens de kop op steekt. Maar misschien helpt het wel om er op een ander moment ruimte aan te geven. Dat las ik vanmorgen toen ik het gevoel had dat ik iets moest schrijven over vandaag. Vandaag is het namelijk International bereaved mothers’ day. Deze dag er is om speciaal bij je overleden kinderen stil te staan, bij je miskramen, of bij je verdriet dat je, ondanks dat je er zo ontzettend voor gebeden en op gehoopt hebt, nooit moeder bent geworden.

Bereaved mother’s day is Moederdag voor hen die hun kinderen zijn verloren en voor hen die geen kinderen kregen terwijl ze er wanhopig naar verlangden. Een dag om bij je overleden kindje stil te staan, bij de miskramen die je had, bij je ongewenste kinderloosheid. Een dag om een bereaved mother een hart onder de riem te steken en nog eens extra duidelijk te maken dat ook zij kostbaar is en geliefd.

Iemand schreef over vandaag iets met de volgende strekking: ‘Als we vandaag stilstaan bij wat we verloren hebben, kunnen we volgende week op Moederdag oprecht blij zijn met wat we wel hebben’. Ik weet niet of dat echt zo werkt. Vorig jaar schreef ik over Moederdag dat ik evenveel moeder ben van mijn levende kinderen als van mijn overleden kindje. Mijn hart maakt geen onderscheid.

Toch ga ik het proberen. We hadden toevallig al afgesproken om vanmiddag even naar het graf te gaan om de nieuwe plank neer te leggen. De oude is onleesbaar geworden, de grafsteen moet nog steeds besteld, en tijdens onze vakantie afgelopen week was er een mogelijkheid om hout te branden en hebben mijn Lief en ik samen een nieuwe plank gemaakt. Komt dat even goed uit.

Vandaag probeer ik stil te staan bij mijn moederschap van Amanda en bij de miskraam die ik had en vandaag bid ik voor de vrouwen die ik ken die geen kinderen konden krijgen, die miskramen hadden, of die net als ik een kind kregen dat overleed. Hoe zeg je dat? ‘Happy bereaved mothers’ day?’ Laat ik het zo zeggen:

Lieve vrouw. Je bent geliefd, gezien en kostbaar en ook jouw verdriet is kostbaar. Sta er vandaag nog eens bij stil als je de kans hebt. Het mag er zijn. Juist vandaag.

plank Amanda

Aanwezig in afwezigheid

Ik wil een boek schrijven. Ter voorbereiding haalde ik stapels boeken uit de bieb over rouwen en de dood. Geen gezellig onderwerp en erover lezen doet me veel. Zo word ik er onder andere heel kwaad van. Maar ik weet nog niet precies waarom. Ben ik kwaad op de dood? Op hoe mensen reageren? Op het feit dat mijn kinderen hiermee moeten leven terwijl ik ze zo graag alle leed bespaar? Op mijn lege armen en lege buik? Op God?

Het speelt allemaal een rol, denk ik. Het lezen van deze boeken haalt heel wat naar boven. Dus waarom doe ik het eigenlijk? Nou, ik word er niet alleen boos om, ik kom er ook achter waar ik het zelf over wil hebben en ik vind herkenning. Het is erg prettig om dingen te lezen die woorden geven aan wat er sluimert onder de oppervlakte. Zoals het gevoel dat Amanda er is in afwezigheid.

Marinus van de Berg gebruikt in zijn boek: Verdriet dat niet verdwijnt de term ‘levenslooplang’. Hij zegt: “Ik wil ermee aangeven dat je de dood van een kind – of van kinderen – de rest van je leven met je meedraagt als een niet te vergeten gebeurtenis. Philip Freriks heeft in zijn boek Jantje geschreven over zijn broer die aan het eind van de oorlog werd doodgeschoten. Wie zoals hij heel jong een broer heeft verloren, heeft bij het ouder-worden steeds meer momenten waarop die broer er had kunnen zijn, maar er niet is. Hij is er in de afwezigheid: levenslooplang. Dat beïnvloedt je leven meer dan je denkt.”

Ik schold inwendig toen ik dit las. Dit is wat ik zie bij mijn levende kinderen. De dood van hun zusje beïnvloedt hen meer dan ik denk en vooral: dan hun omgeving denkt. In elke ontwikkelingsfase duiken nieuwe gedachten, vragen en emoties op. Moeten ze als het ware opnieuw leren leven met het gemis. Ze zijn er niet voortdurend mee bezig, maar het maakt wel deel uit van hun leven en hun ontwikkeling. Dat komt op sommige momenten indringend naar voren en ik vind het moeilijk om mijn kind zo te zien, zeker omdat het iets is waar ik helemaal niets aan kan veranderen.

Een van de eerste dingen die ik dacht toen we erachter kwamen dat onze dochter was overleden, was: ‘Hoe vertel ik het mijn kinderen?’ ‘Hoe moeten zij daar mee leven?!’ Woest was ik. Dat ik zoiets mee moest maken was nog tot daar aan toe. Maar mijn kinderen? Nee! Ik wil mijn kinderen koste wat kost beschermen tegen leed, verdriet, ellende. En dat kon ik dus niet. Het was niet terug te draaien. Nog steeds kan ik er niets aan veranderen. Ze moeten er mee leren leven dat hun zusje er is in haar afwezigheid.

Hoe ik ze kan helpen om dat te doen, daar hoop ik wijzer in te worden en dus ben ik blij dat er boeken over geschreven zijn. Naarmate mijn kinderen ouder worden, realiseren ze zich steeds meer wat ze missen. Ze vragen zich af hoe het zou zijn geweest met haar erbij. Dus ook al is Amanda er niet, toch is ze er op een bepaalde manier. Het is fijn om dat nu te kunnen benoemen: zij is er in haar afwezigheid.

We are not alone

Het is twee jaar geleden vandaag dat we de meest vreselijke boodschap hoorden die je maar kan krijgen over je kind: ‘Het spijt me, …’

De dood kwam nog nooit zo dichtbij. Binnenin mij was onze dochter gestorven.

Onze dochter is nog steeds gestorven. Wij zijn ouders van een overleden kind. En wat dat betekent, weet je niet als je het net gehoord hebt. Wij dachten dat dit iets was wat je even verwerkt. Waar je even doorheen moet, wat je moet doorstaan. We realiseerden ons niet dat als je kind sterft, er een hele toekomst sterft en je de rest van je leven ouders blijft van een persoon die je niet kunt leren kennen. Een meisje dat deel uitmaakt van je gezin zonder dat ze erbij is. Dat is werkelijk heel apart en pijnlijk. Maar je zult er mee moeten leren leven, dus dat zijn we maar gaan doen. Daar zijn we mee bezig.

‘Je moet ruimte houden’, zeiden mensen die het konden weten tegen ons. Houd ruimte voor de momenten waarop verdriet je ineens overvalt. Zodat je dat even toe kunt laten als dat nodig is. Dat deden we. De eerste weken wandelden we elke dag. Samen. We probeerden te vertellen wat we dachten en voelden, voor zover we wisten wat we dachten en voelden. We probeerden te blijven communiceren zodat we in elk geval open lijnen hadden tussen ons.

Ik dank God nog steeds voor dat heldere moment vlak na de doodstijding. Ik was zo bang dat ons huwelijk dit, na alles wat we al hadden meegemaakt, alsnog de kop zou kosten. Ik besefte dat het cruciaal was om te rouwen zoals ik nodig had en hem de ruimte te geven om te rouwen zoals hij nodig had én daarbij te blijven vertellen wat ik denk en voel, zonder te verwachten dat hij hetzelfde denkt, hetzelfde ervaart. We gaven elkaar de ruimte terwijl we wel steeds mededeelzaam probeerden te zijn. We ontdekten dat we toch veel gevoelens en gedachten deelden, ook al uitten we ons heel verschillend.

Vandaag wandelden we weer en herinnerden elkaar aan twee jaar geleden. Hoe we toen wandelden en niet wisten hoe we verder moesten. Hoe verdriet nog steeds op de vreemdste momenten de kop op steekt. Hoe alles wat we geloofden overhoop werd gehaald en we helemaal opnieuw ons geloof, ons doel, onze identiteit terug moesten vinden en alle vanzelfsprekendheid verdwenen was.

Eigenlijk was het enige wat voor mij overeind bleef staan, het lied dat een vriendin me stuurde op de dag van haar dood: ‘We are not alone, we are not alone, we are not alone, God is with us’. Dat lied luisterden we twee jaar geleden keer op keer als we het niet meer zagen zitten. Dat liedje luister ik vandaag weer, omdat ik geloof dat het waar is, ook al zegt mijn gevoel vaak iets anders.

Terug bij af

We zijn weer terug bij af. Zo voelt het tenminste. Maar het is niet zo.
Maar toch voelt het zo.

We zijn weer terug bij af. Twee jaar geleden waren we vol blijde verwachting. En we vroegen ons af waar het kleintje moest slapen. Wat de andere kinderen nodig hadden. Kind voor kind bespraken we. En we kwamen op een plan dat waarschijnlijk voor alle vijf het beste was. Er kwam een aparte babykamer. Twee kinderen kwamen bij elkaar op de kamer. En de andere twee kregen elk een eigen kamer op zolder. We begonnen na de kerstdagen al met de verhuizing, zodat we in de meivakantie, mocht het zo niet blijken te werken, de boel nog konden veranderen.

Twee maanden later werd ze ineens al geboren. Veel te vroeg. In maart. Terwijl ze al in de volgende wereld was, kwam ze in deze wereld. Wat een geluk bij een ongeluk dat we er al zo vroeg bij waren geweest en de kamers al omgegooid waren. Dat er een babykamer was waar de wieg kon staan, waar we haar op konden baren, bekijken, vasthouden.

Na de begrafenis werd dit kamertje een plek om bij haar stil te staan. Om even te huilen. Even het gevoel te hebben dat we dicht bij haar konden zijn. Het was fijn om zo’n plek te hebben en ieder van ons ging er zo nu en dan even naartoe.

Maar als je vier levende kinderen hebt en vier slaapkamers te verdelen, is het op een gegeven moment tijd om elk kind weer een eigen kamer te geven, vonden wij. En dus ruimden we een jaar geleden in de tijd tussen kerst en oud en nieuw de kamer van Amanda op.

En het was goed. Het is fijn dat elk van onze kinderen hier een eigen plek heeft en Amanda heeft geen eigen kamer nodig. En wij hadden die kamer ook niet perse nodig al was het moeilijk om er afstand van te doen omdat het voelde alsof we opnieuw afstand van haar deden.

Afgelopen jaar bleek het nodig om de kamers nogmaals opnieuw in te delen en afgelopen dagen, opnieuw na kerst, hebben we dat gedaan. Nu is het weer bijna hetzelfde als voordat Amanda er was. En vandaag, nu het meeste werk gedaan is, besef ik pas hoeveel verdriet me het eigenlijk doet. Naast dat het ook gewoon oudejaarsdag is, we de kerstdagen hebben gehad en het gewoon zo incompleet blijft voelen om ‘gezellig met z’n allen’ kerst en oud en nieuw te vieren.

We zijn weer terug bij af. Ons huis is weer zo’n beetje zoals het was voordat Amanda kwam. Elk kind heeft een eigen kamer. Een plek die bij hem of haar past. Waar het zich kan ontwikkelen, terug kan trekken, op kan laden. En het is goed en het is niet goed. Het is goed omdat het hopelijk de kinderen ten goede komt. Maar ik voel me zo gebroken en verdrietig. Eigenlijk nam ik op de een of andere manier weer een beetje meer afscheid van dat kleine meisje dat we zo verschrikkelijk missen.

Als ik Amanda zo mis, dan ga ik meestal maar weer bidden. Omdat God weet hoe het met haar gaat. Omdat hij dichtbij haar is. En omdat ik niet meer voor haar kan bidden zoals ik dat voor mijn andere kinderen doe (ze heeft per slot van rekening ook dat niet meer nodig), zei ik: “dank U wel dat ze het fijner heeft dan waar ook ter wereld. Dat het zo ontzettend goed met haar gaat”. En ik bedenk me nu pas: “dat zij haar eigen kamer eigenlijk ook al heeft”.

Hmm. Misschien zijn we toch niet zo terug bij af als het voelt. We zijn natuurlijk sowieso verder gegaan en niet teruggegaan, maar dit gaat dieper al vind ik het moeilijk te accepteren: Misschien zijn we nu wel ieder precies waar we zijn moeten, op dit moment in time and space.

Het is oudejaarsdag vandaag. Vanavond gaan we weer danken voor het afgelopen jaar en bidden voor het nieuwe. Ieder van ons heeft dingen opgeschreven en vanavond gaan we het met elkaar doornemen, herinneringen ophalen en het nieuwe jaar en onszelf in Gods handen leggen. Daarna steken we weer vuurwerk af en wensen we elkaar gelukkig nieuwjaar. Ik vond het vorig jaar vreselijk moeilijk en vandaag zie ik er eigenlijk ook heel erg tegenop. Omdat zij er weer niet bij is en ik niet met een peuter op mijn arm voor het raam zal staan kijken dit jaar.

Vorig jaar bedacht ik me tijdens het kijken naar het vuurwerk: zou ze het kunnen zien? Is dat iets waar we allebei van zullen genieten? Ik weet het niet en ik verzucht: Heer, doet U Amanda alstublieft de groeten. Ik hou van haar en ik mis haar. En doordat zij hier geweest is, zijn we in elk geval niet terug bij af. Maar we gaan gewoon maar weer verder. Ieder op zijn eigen plek.

Golven

Ineens is het er weer. Grotesk, opdringerig, ongelofelijk pijnlijk. Een schreeuw die eruit wil maar blijft steken ergens halverwege. Een snik die gehoord moet worden, maar stokt, nog niet wil komen.

Zo heb ik een aantal dagen rondgelopen. Ik voelde druk achter mijn ogen en een chagrijn bezit van me nemen waar geen gebed tegen leek te helpen. Pas gisteren werd het allemaal ineens teveel en kon ik eindelijk huilen. En nu lukt het me bijna niet om te stoppen. Steeds opnieuw stromen de tranen over mijn wangen. En het besef dat ik haar mis, slaat als een golf over me heen.

Ik mis armpjes om mij heen. Gejengel achter me in de kerk vanmorgen riep het verlangen wakker naar mijn jengelende Amanda, die nooit jengelde, omdat ze niet zolang geleefd heeft dat ze jengelen kon. Ik mis haar gezichtje tegen mijn benen terwijl ik sta te praten met iemand. Dat ze naar me toe rent omdat ze blij is om me weer te zien. De doffe pijn van dit gemis is moeilijk te bevatten en op dit moment ook niet te onderdrukken.

Het is gewoon zo raar. Hoe kun je nou missen wat je niet hebt gehad? Hoe kan ik háár nu missen als anderhalfjarige, terwijl ik haar alleen maar heb gekend als heel klein baby’tje? En opnieuw klinken de woorden van Manlief in mijn hoofd: ‘ze groeit gewoon mee in ons gezin. Ze groeit gewoon mee op’. En dus mis ik nu een dreumes die leven in de brouwerij brengt en me voortdurend alert houdt. Ik hoor moeders blij zijn dat hun kinderen nu niet meer die constante aandacht nodig hebben omdat ze ouder geworden zijn, maar ik denk alleen maar: ik zou de wereld geven om dat nu te mogen hebben. Om haar in de gaten te moeten houden en geen seconde alleen te kunnen laten.

Ze lijkt te verdwijnen, vergeten te worden. Ze maakt geen zichtbaar deel uit van ons gezin. Vanbuiten lijkt ons gezin compleet en zijn we met zes personen hier. Voor veel mensen is dat al druk genoeg. Maar ik kom een kind tekort en de paniek die dat geeft, blijft opduiken. Ongewenst, maar toch daar. En ik wil het niet voelen. Ik wil niet toegeven dat het gemis blijft bestaan, dat niets lijkt te helpen om de pijn te verzachten. Het is mooi geweest. Het moet afgelopen zijn. Het is 28 oktober. Gisteren een jaar en zeven maanden geleden hebben we haar begraven. Ervaren hoe verschrikkelijk het is je kind achter te moeten laten.

We moesten toen direct weer door en ik wil ook nu gewoon door. En het lukt aardig. Ik zorg, ik schrijf, ik zing, ik speel, ik probeer er voor de mensen om mij heen te zijn. Maar ondertussen knaagt het overal onderdoor gewoon verder. En ik begrijp alweer een beetje beter waarom mensen zeggen dat ‘rouwen hard werken is’. Het is inderdaad een soort van werken, doorwerken, verwerken, op je laten inwerken, ermee verder werken. En er zit wel een progressie, een ontwikkeling in.

De afgelopen weken heb ik een aantal blogs van vorig jaar vertaald naar het Engels. Ik was daardoor bezig met veel van wat ik vorig jaar schreef. Ik zag hoe ik worstelde met God. Hoe ik zocht naar hoe je moet leven met zo’n diep gemis. Ik ontdekte dat er iets meer rust is gekomen in mijn gedachten, dat ik God weer meer vertrouw en dat ik inderdaad leer om het gemis te verweven met mijn bestaan, zoals ze dat zo mooi zeggen. Ik dacht eigenlijk zelfs dat het minder was geworden, leefbaarder. Totdat het nu dus ineens weer pontificaal voor mijn neus staat en ik nu toch weer wanhoop voel, intens verdriet, een zeer scherpe pijn. En hoe het precies komt, weet ik niet.

Ik zoek het niet op. Ik leef gewoon. Werk gewoon. Doe gewoon de dingen die ik zou moeten doen. Maar kennelijk is het zoals ze zeggen over rouw: verdriet komt in golven. En je moet ruimte houden in je leven om daarmee om te kunnen gaan. Zodat je kunt huilen als je moet huilen. Of zodat je kunt schrijven, zoals ik nu doe, want schrijven betekent woorden geven, erkennen en ruimte geven om het te laten bestaan. Ik zal haar blijven missen. Ze is mijn dochter en had hier gewoon moeten zijn. Het besef dat dat niet zo is, is als een golf die over me heen komt, me de adem beneemt en helemaal uit evenwicht slaat. Ik kan alleen maar zeggen, voor de zoveelste keer, dat God mijn anker is, en de rots waarop ik sta. Ik probeer te blijven staan en de golven dan maar tegen me aan te laten beuken. En ik wacht tot de zee weer wat rustiger wordt en de golven niet meer over me heen slaan – voorlopig.

De stilte doorbreken

‘Hoe oud zijn je kinderen?’ vroeg een vriendelijke vrouw die ik nog niet kende op een verjaardag. Ik slikte, dacht even na, en besloot de waarheid te vertellen: ‘15, 13, 11, 9 en de jongste is overleden.’ Het was even stil. Toen vroeg ze: ‘Joh, hoe oud zou die geweest zijn?’ Opgelucht en dankbaar antwoordde ik: ‘Anderhalf’. ‘Sjonge, wat erg’, zei ze. Ik zei: ‘ja he. Inderdaad.’ Het was weer even stil. We wisten allebei niet zo goed wat we nog meer moesten zeggen. En vervolgens praatten we verder over andere dingen.

Soms reageren mensen zo fijn op wat zo vreselijk is. Soms mag het verdriet en je kind er gewoon zijn. Kun je het er gewoon over hebben als je dat zou willen. Want het is nou eenmaal zo. Haar niet benoemen neemt de realiteit van haar afwezigheid niet weg. Het verdriet, haar plek in ons gezin, het feit dat we nu een anderhalf jaar oude peuter bij ons hadden gehad als ze wel was blijven leven, dat allemaal: het ís er gewoon. Als je dat niet erkent, of verzwijgt ‘omdat je niet weet wat je moet zeggen’ (dat weet ik ook niet!) dan negeer je een wezenlijk deel van wie wij nu zijn.

Benoemen
Ik heb gemerkt dat het een wereld van verschil maakt of Amanda genoemd wordt of niet. Als ze genoemd wordt, erkend wordt dat ook zij bij ons hoort, dan kunnen we behoorlijk ontspannen ergens zijn. Dan kunnen we ook lachen en genieten, want we kunnen eventueel ook huilen. Maar het tegenovergestelde is helaas ook het geval. Het is net alsof je, als je het gevoel hebt dat je haar niet mag noemen en niet eventueel mag huilen, dat je dan ook niet kunt lachen. Je moet dan eigenlijk alle gevoelens onderdrukken, want stel dat je toch moet huilen. En dit heeft tot gevolg dat ik er op sommige verjaardagen of bijeenkomsten wat apathisch bij zit, als ik het al kan opbrengen om te komen.

Hoeveel kinderen heb je?
Noem je je kindje of niet? Het is een vraag die regelmatig door rouwende moeders wordt gesteld. En we worden vindingrijk in hoe we recht doen aan het bestaan van onze overleden kindje(s) zonder het het achterste van onze tong te laten zien. Zo zeg ik bijvoorbeeld: ‘ik heb vier kinderen in huis rondlopen’. Voorlopig werkt dat, want mijn kinderen wonen allemaal nog thuis. Of: ‘ik heb hier vier kinderen’. Ik denk niet dat ik ooit kan zeggen: ik heb vier kinderen. Want dat is niet zo. Ik heb er vijf. Ik kan mijn nu-weer-jongste ook niet als mijn jongste zien en noem hem ook niet zo. Want dat is hij niet. Hij is misschien mijn jongste hier, maar mijn jongste is niet meer hier.

Verzwijgen
Soms zeggen mensen tegen ons dat we het maar beter niet moeten zeggen: dat we een kindje zijn verloren, want dat geeft anderen zo’n ongemakkelijk gevoel. Ik heb soms begrijpend ‘ja’ geknikt. Want ik, die altijd en overal teveel rekening probeer te houden met iedereen, dacht: ja, daar zit wat in. Totdat ik besefte dat het aan me bleef knagen. Want wacht eens even, het geeft de ánder een ongemakkelijk gevoel? Voor hoe lang eigenlijk? Een paar minuten? Misschien een dag? Is dat eigenlijk zo erg? Het ís toch ook gewoon hoogst ongemakkelijk? En jij hebt daar maar even last van. Wij moeten er elke dag mee leven.

Als ik haar verzwijg, dan doe ik meer dan de ander sparen. Ik negeer een deel van wie ik ben. Ik negeer dat ik moeder ben van vijf kinderen en dat ik zo vaak aan haar denk en haar zo mis. Het voelt als verraad tegenover haar, en ook tegenover mijn kinderen en mijn man. Want zij hebben nog een zusje. Hij heeft drie dochters. En we zijn zo trots op haar. Zo blij dat ze hier geweest is. Daarom zijn we ook zo verdrietig.

Stil verdriet
Bovendien sterven er heel veel baby’s rondom de geboorte en is er veel stil verdriet om stille baby’s. Als ik mijn kleine Amanda benoem, hoor ik vaak een verhaal terug over andere vrouwen die ook hun kindje verloren. Veel oudere vrouwen rouwen in stilte om hun dode kinderen. Maar door het te verzwijgen, werd hun verdriet niet minder. En ik merk dat door te vertellen over mijn kleine meisje, er ruimte komt voor anderen om te vertellen over hun kleine kinderen.

Daarom denk ik dat je beter iets dan niets kunt zeggen als je weet dat iemand nog een kindje heeft dat niet meer leeft. Misschien kun je zelfs wel helpen door mensen te laten praten, te laten huilen, zodat het meer en meer verweven wordt in hun leven en ze júist kunnen lachen, omdat ze ook mogen huilen.

Ga er niet vanuit dat wij er zelf over beginnen. Misschien hebben we wel het gevoel dat dat niet mag. Maar vraag naar onze kinderen. Noem hun namen. Erken hun bestaan. En laten we vooral samen huilen én lachen.

beeld van zeven

Oktober is pregnancy and infant loss awareness month las ik op Facebook. Tijdens het schrijven van deze blog, realiseerde ik me dat deze blog daar eigenlijk heel goed bij past. Wil je meer weten over hoe je er kunt zijn voor rouwende moeders in jouw omgeving, ook als ze al veel ouder zijn, of worstel je zelf met verlies van een kindje, kijk dan eens op: www.stillelevens.nl.
En natuurlijk mag je mij ook persoonlijk benaderen.