Ze staat erbij

‘Met een lach en een traan. Ze staat erbij.’ Dat mailt mijn Lief bij het doorgestuurde bericht dat hij van de gemeente kreeg.

Onze dochter staat in de basisregistratie personen. Ze is als bestaand persoon erkend, ons vijfde kind. Ze is nog even dood als eerst, maar nog altijd ons kind en nu staat dat ook zwart op wit. Ze is een dochter en een zus.

Erkenning. Wat is dat toch belangrijk. Ik weet niet precies waarom, behalve dat het belangrijk is en ervoor zorgt dat er ruimte komt, ook voor andere emoties dan verdriet. En in dit geval is erkenning fijn omdat het gewoon pijnlijk is als ze er niet bij staat als expliciet opgesomd wordt wie onze kinderen zijn.

Bepalen mijn kinderen mijn identiteit? Nee, ik geloof dat dat niet meer zo het geval is. Maar ze maken wel deel uit van wie ik ben. Dat heeft de pijn van het verlies van Amanda me wel duidelijk gemaakt. Die pijn gaat dieper dan ik dacht dat kon. Die pijn is regelmatig lijfelijk aanwezig.

Nog steeds kunnen we aan tafel gaan zitten om te eten en check ik of iedereen er is en vlamt ineens heftige paniek op. Er klopt iets niet. Ik maan mezelf tot kalmte, tel rustig opnieuw en realiseer me dat ik haar wéér heb meegeteld terwijl ze er inmiddels langer niet dan wel is. Wat is dat toch apart. Mijn lijf weet beter wie bij me hoort dan m’n verstand.

Ze hoort er dus bij, is deel van mij. Ze is mijn dochter en nu staat ze er dan eindelijk bij in onze kinderrij. Wat een heerlijk en verdrietig gevoel geeft dat.

Met een lach en een traan. Ze staat erbij.

Zwijgen

Het is vandaag 8 juli. Twee jaar geleden was ik uitgerekend en liep ik op deze dag naar het grafje om er iets neer te leggen bij wijze van verjaardagscadeau. Vorig jaar en vandaag deed ik dat weer. Vandaag voelt het anders dan de vorige twee keer, hoewel ik wel mijn tranen moest bedwingen toen ik de lelies afrekende bij de bloemist en me te fleurig voelde toen ik in mijn bontgekleurde jas over de begraafplaats banjerde.

Misschien heb ik toch al wat leren leven met het gemis van onze jongste. Mijn hart voelt wel nog wat zwaar. Eigenlijk al sinds 17 juni, de dag waarvan ik bad dat het haar geboortedatum zou zijn, omdat ik dan precies 37 weken zwanger zou zijn geweest. Ik blijf het vreemd vinden hoe mijn geheugen werkt. Het is niet de datum an sich, maar het is de geur, de temperatuur en de kleuren om me heen, die me herinneren aan deze periode twee jaar geleden, toen ik zo kwetsbaar rondliep, verdwaasd zoekend naar het kind dat hier niet meer is.

Ik wist niet dat het verlies van een kind zó ingrijpend was. Dat de pijn zo diep gaat dat eigenlijk niets meer hetzelfde is. In mijn perceptie tenminste, want uiterlijk is het meeste hetzelfde gebleven. Ik leef in hetzelfde huis, in dezelfde buurt, heb dezelfde familie, maar ik beleef het anders. Dat verbaast me nog regelmatig. Ik kan echt niet terug naar wie ik vroeger was. Er is een leven voor en een leven na Amanda.

De laatste tijd merk ik dat er ook in mijn houding ten opzichte van andere mensen dingen zijn verschoven. Het maakt uit of Amanda genoemd mag worden of niet. Voor mensen die haar nog doder zwijgen dan ze al is, kost ruimte maken in mijn hart heel veel moeite.

Ik hoorde van andere rouwenden dat zij sommige relaties op den duur verbraken. Toen ik dat hoorde, besloot ik dat ik dat wilde voorkomen. Ik wilde me open blijven stellen. Maar nu, meer dan twee jaar later, merk ik soms dat de rek eruit is en ik mijn hart vaker afsluit voor anderen. Dat vind ik moeilijk, het geeft nieuw verdriet.

Ik wilde er altijd voor iedereen zijn, hoe zij zich ook ten opzichte van mij gedragen. Dat lukte me door Gods genade ook heel vaak. Maar nu kan ik het soms niet meer opbrengen. Als ik haar moet verzwijgen, die zo reëel voor me is alsof ze hier nu haar tweede verjaardag zou vieren met feestmuts en taart, waarom zou ik dan naar hun verhaal luisteren?

Opnieuw heb ik genade nodig. Meer genade, meer begrip, meer ruimte in mijn hart. Want ik geloof toch dat we anderen moeten behandelen zoals we zelf behandeld willen worden. Niet zoals we zelf behandeld worden. Dat is een wezenlijk verschil, merk ik nu opnieuw en je kunt nooit weten waaróm mensen doen zoals ze doen. Vaak zit er een goede bedoeling achter, al kunnen goede bedoelingen dus ook goed pijn doen.

Dus ik buig opnieuw mijn hoofd, stort mijn verdriet en boosheid uit bij de God die het allang weet, om meer genade te ontvangen en meer liefde om er opnieuw te zijn voor die ander, hoe hij of zij ook met mij omgaat. En vervolgens ga ik opnieuw naar het graf van mijn dochter, die twee jaar had moeten worden als alles was gegaan zoals het hoort, zette een nieuw vlindertje neer en een verse bos lelies. Gefeliciteerd lieve kleine dochter van mij. En: doet U haar de groeten, Heer.

Opnieuw vraag ik me af waar de grens is tussen verdriet en zelfmedelijden. Of moet je misschien eerst door zelfmedelijden heen voordat je bij het verdriet kunt komen? Verzwijgen heeft in elk geval geen zin, want dat verstikt nog meer. Dus hier ben ik dan weer, broken but real en bereid om weer die weg te gaan om anderen met genade en woorden tegemoet te treden. Zelfs al zwijgen zij over mijn geliefde kindje, die uiterlijk vandaag twee jaar had moeten worden.

 

Bereaved Mothers’ day

Volgende week is het weer moederdag. Een dag waarop veel moeders even het stralende middelpunt zijn en ontbijt en zelfgemaakte cadeautjes krijgen. Een dag waarop de pijn van de kinderen die er niet meer zijn of die er nooit zijn gekomen, ook scherp naar voren komt.

Ik vind Moederdag best ingewikkeld. Ik ben heel erg blij met de kinderen die in mijn huis opgroeien. Ik geniet ervan ze te koesteren, onderwijzen, coachen, verzorgen, plezier met ze te maken en te zien hoe ze langzaam maar zeker zelfstandige mensen worden met een eigen identiteit. Het ontroert me en maakt me nederig: ‘Wow, is dit werkelijk míjn kind?’

Maar juist door stil te staan bij mijn moederschap, vlamt automatisch het gemis op van het kind dat er niet meer is. Het kind voor wie ik niets meer kan doen en dat ik niet zie opgroeien tot een autonoom persoon. Dat is echt vervelend. Vooral op Moederdag, als je levende kinderen zo hun best voor je doen. Dan wil ik me eigenlijk niet bezighouden met mijn overleden kind, maar gewoon genieten van zij die hier zijn. Het voelt alsof ik mijn levende kinderen onrecht aan doe om juist op zo’n dag aan Amanda te denken. Dus doe ik erg mijn best om me vooral op de levenden te richten.

Je kunt natuurlijk niet helemaal voorkomen dat heftig verdriet ineens de kop op steekt. Maar misschien helpt het wel om er op een ander moment ruimte aan te geven. Dat las ik vanmorgen toen ik het gevoel had dat ik iets moest schrijven over vandaag. Vandaag is het namelijk International bereaved mothers’ day. Deze dag er is om speciaal bij je overleden kinderen stil te staan, bij je miskramen, of bij je verdriet dat je, ondanks dat je er zo ontzettend voor gebeden en op gehoopt hebt, nooit moeder bent geworden.

Bereaved mother’s day is Moederdag voor hen die hun kinderen zijn verloren en voor hen die geen kinderen kregen terwijl ze er wanhopig naar verlangden. Een dag om bij je overleden kindje stil te staan, bij de miskramen die je had, bij je ongewenste kinderloosheid. Een dag om een bereaved mother een hart onder de riem te steken en nog eens extra duidelijk te maken dat ook zij kostbaar is en geliefd.

Iemand schreef over vandaag iets met de volgende strekking: ‘Als we vandaag stilstaan bij wat we verloren hebben, kunnen we volgende week op Moederdag oprecht blij zijn met wat we wel hebben’. Ik weet niet of dat echt zo werkt. Vorig jaar schreef ik over Moederdag dat ik evenveel moeder ben van mijn levende kinderen als van mijn overleden kindje. Mijn hart maakt geen onderscheid.

Toch ga ik het proberen. We hadden toevallig al afgesproken om vanmiddag even naar het graf te gaan om de nieuwe plank neer te leggen. De oude is onleesbaar geworden, de grafsteen moet nog steeds besteld, en tijdens onze vakantie afgelopen week was er een mogelijkheid om hout te branden en hebben mijn Lief en ik samen een nieuwe plank gemaakt. Komt dat even goed uit.

Vandaag probeer ik stil te staan bij mijn moederschap van Amanda en bij de miskraam die ik had en vandaag bid ik voor de vrouwen die ik ken die geen kinderen konden krijgen, die miskramen hadden, of die net als ik een kind kregen dat overleed. Hoe zeg je dat? ‘Happy bereaved mothers’ day?’ Laat ik het zo zeggen:

Lieve vrouw. Je bent geliefd, gezien en kostbaar en ook jouw verdriet is kostbaar. Sta er vandaag nog eens bij stil als je de kans hebt. Het mag er zijn. Juist vandaag.

plank Amanda

Aanwezig in afwezigheid

Ik wil een boek schrijven. Ter voorbereiding haalde ik stapels boeken uit de bieb over rouwen en de dood. Geen gezellig onderwerp en erover lezen doet me veel. Zo word ik er onder andere heel kwaad van. Maar ik weet nog niet precies waarom. Ben ik kwaad op de dood? Op hoe mensen reageren? Op het feit dat mijn kinderen hiermee moeten leven terwijl ik ze zo graag alle leed bespaar? Op mijn lege armen en lege buik? Op God?

Het speelt allemaal een rol, denk ik. Het lezen van deze boeken haalt heel wat naar boven. Dus waarom doe ik het eigenlijk? Nou, ik word er niet alleen boos om, ik kom er ook achter waar ik het zelf over wil hebben en ik vind herkenning. Het is erg prettig om dingen te lezen die woorden geven aan wat er sluimert onder de oppervlakte. Zoals het gevoel dat Amanda er is in afwezigheid.

Marinus van de Berg gebruikt in zijn boek: Verdriet dat niet verdwijnt de term ‘levenslooplang’. Hij zegt: “Ik wil ermee aangeven dat je de dood van een kind – of van kinderen – de rest van je leven met je meedraagt als een niet te vergeten gebeurtenis. Philip Freriks heeft in zijn boek Jantje geschreven over zijn broer die aan het eind van de oorlog werd doodgeschoten. Wie zoals hij heel jong een broer heeft verloren, heeft bij het ouder-worden steeds meer momenten waarop die broer er had kunnen zijn, maar er niet is. Hij is er in de afwezigheid: levenslooplang. Dat beïnvloedt je leven meer dan je denkt.”

Ik schold inwendig toen ik dit las. Dit is wat ik zie bij mijn levende kinderen. De dood van hun zusje beïnvloedt hen meer dan ik denk en vooral: dan hun omgeving denkt. In elke ontwikkelingsfase duiken nieuwe gedachten, vragen en emoties op. Moeten ze als het ware opnieuw leren leven met het gemis. Ze zijn er niet voortdurend mee bezig, maar het maakt wel deel uit van hun leven en hun ontwikkeling. Dat komt op sommige momenten indringend naar voren en ik vind het moeilijk om mijn kind zo te zien, zeker omdat het iets is waar ik helemaal niets aan kan veranderen.

Een van de eerste dingen die ik dacht toen we erachter kwamen dat onze dochter was overleden, was: ‘Hoe vertel ik het mijn kinderen?’ ‘Hoe moeten zij daar mee leven?!’ Woest was ik. Dat ik zoiets mee moest maken was nog tot daar aan toe. Maar mijn kinderen? Nee! Ik wil mijn kinderen koste wat kost beschermen tegen leed, verdriet, ellende. En dat kon ik dus niet. Het was niet terug te draaien. Nog steeds kan ik er niets aan veranderen. Ze moeten er mee leren leven dat hun zusje er is in haar afwezigheid.

Hoe ik ze kan helpen om dat te doen, daar hoop ik wijzer in te worden en dus ben ik blij dat er boeken over geschreven zijn. Naarmate mijn kinderen ouder worden, realiseren ze zich steeds meer wat ze missen. Ze vragen zich af hoe het zou zijn geweest met haar erbij. Dus ook al is Amanda er niet, toch is ze er op een bepaalde manier. Het is fijn om dat nu te kunnen benoemen: zij is er in haar afwezigheid.

Het tweede jaar door komen

‘Eerst moet je het eerste jaar door zien te komen’, zeiden ze, en dat deden we. ‘Daarna het tweede…’ kwam er direct achteraan. Ik kon er destijds niet over uit dat je hier niet overheen zou kunnen komen. Dat je het niet gewoon kon doorleven en dan achter je laten. Het maakte me kwaad, opstandig en zeer vastberaden om te laten zien dat dat heus wel kan. Maar het verlies van een kind gaat dieper dan ik dacht. Verdriet kruipt waar het niet gaan kan.

Het is weer lente. Het is heerlijk weer en er zijn weer andere geuren en kleuren buiten. ‘Kijk mam, er zijn alweer narcissen.’ zegt mijn dochter blij. Ik hum dat ik ze ook zie. Het was me al eerder opgevallen deze week en het geeft me een beklemmend gevoel. Narcissen doen me direct aan Amanda denken. Ze groeiden overal toen ik zwanger van haar was.

Vandaag twee jaar geleden gingen we naar het ziekenhuis voor een tweede twintigwekenecho. Ik weet het nog zo goed. Na jaren wachten was ik eindelijk zwanger en zó dankbaar dat God ons nog een kindje toevertrouwde én bezorgd omdat een ander dierbaar kleintje het jaar daarvoor bij de twintigwekenecho ernstige afwijkingen had. Ons kindje bleek bij de eerste twintigwekenecho helemaal gezond en de tranen liepen over mijn wangen toen we hoorden dat ze een meisje was.

Toch moesten we naar het ziekenhuis voor een tweede echo. Want helemaal goed was het niet. Ons meisje was te klein. We hielden het nog even voor ons, vierden verjaardagen en probeerden niet bezorgd te zijn. Eerst de tweede echo afwachten. Die week wandelde ik regelmatig door de geuren en de kleuren van de lente, voelde mijn toch best dikke buik, bad, sprak leven en gezondheid, en probeerde niet bezorgd te zijn.

23 februari 2017: Onze dochter groeit inderdaad niet goed. Ik zit in een voorstadium van zwangerschapsvergiftiging en moet aspirine gaan slikken, hoewel dat waarschijnlijk geen zin meer heeft. Verder is er weinig aan te doen. Behalve bidden natuurlijk. We schrijven een mail aan iedereen die dicht bij ons staat met uitleg en gebedsvraag. Ik maak maaltijden om in te vriezen, regel oppasadressen en lees alles wat ik kan vinden over couveusekinderen. Want met 24 weken mag ik weer langs komen voor een groei-echo. Zolang ze blijft groeien, kom ik wekelijks op controle. Als ze niet meer groeit, word ik opgenomen en moet ze waarschijnlijk snel geboren worden. Met alle risico’s vandien.

Ik neem rust ook al zeiden ze dat het geen zin heeft. Ik doe alleen nog het allerbelangrijkste in huis en met de kinderen en verder niets. Ik wil geen spijt krijgen dat ik er niet alles aan heb gedaan om mijn kindje te laten groeien. Ik snuif de geur van de lente, de belofte van nieuw leven. Ik maak elke beweging van mijn kleine meisje zo bewust mogelijk mee. Achteraf is het haar laatste levensmaand.

En nu, twee jaar later, loop en fiets ik weer door lentegeuren. Gisteren nog met mijn hele, niet hele gezin. We gaan gezellig samen eten bij Happietaria en hebben echt plezier. De kinderen zijn blij met een week vakantie en wij zijn blij dat we weer wat ondernemen na een slopend weekje griep.

Daar zit ik dan, met man en vier kinderen. Pijn vlamt op. Ik moet alle zeilen bij zetten om er niet aan te denken, maar voel nog eens extra aan het armbandje met haar naam om mijn pols. Ik voel me kinderachtig en vermaan mezelf: ‘Kom op zeg. Je bent rijk. Je hebt vier grote kinderen om je heen, die met elkaar lachen en stoeien en gekheid uithalen. Die met elkaar omgaan en van elkaar houden, zelfs als een van hen juist nu duidelijke beperkingen laat zien.’

Het lukt aardig. Maar steeds komt er weer een golf van pijn opzetten, terwijl ik lach met mijn dochter die zo duidelijk ouder is geworden en zich al bijna student voelt, net als het vrijwillige personeel dat ons bedient. Ik ben trots op mijn viertal en echt blij met hen. Ik realiseer me dat dit de onomkeerbaarheid is waarmee ik moet leven. Ik kom altijd een kind tekort. Hoe vol mijn tafel ook is. Hoe vol mijn hart ook is met liefde voor deze vier. Ik mis tegelijk mijn vijfde verschrikkelijk en de pijn is net zo hevig als de blijdschap en de dankbaarheid. Het is een ingewikkelde cocktail van emoties. Maar we moeten en komen ook deze laatste maand van het tweede jaar door.

Terug bij af

We zijn weer terug bij af. Zo voelt het tenminste. Maar het is niet zo.
Maar toch voelt het zo.

We zijn weer terug bij af. Twee jaar geleden waren we vol blijde verwachting. En we vroegen ons af waar het kleintje moest slapen. Wat de andere kinderen nodig hadden. Kind voor kind bespraken we. En we kwamen op een plan dat waarschijnlijk voor alle vijf het beste was. Er kwam een aparte babykamer. Twee kinderen kwamen bij elkaar op de kamer. En de andere twee kregen elk een eigen kamer op zolder. We begonnen na de kerstdagen al met de verhuizing, zodat we in de meivakantie, mocht het zo niet blijken te werken, de boel nog konden veranderen.

Twee maanden later werd ze ineens al geboren. Veel te vroeg. In maart. Terwijl ze al in de volgende wereld was, kwam ze in deze wereld. Wat een geluk bij een ongeluk dat we er al zo vroeg bij waren geweest en de kamers al omgegooid waren. Dat er een babykamer was waar de wieg kon staan, waar we haar op konden baren, bekijken, vasthouden.

Na de begrafenis werd dit kamertje een plek om bij haar stil te staan. Om even te huilen. Even het gevoel te hebben dat we dicht bij haar konden zijn. Het was fijn om zo’n plek te hebben en ieder van ons ging er zo nu en dan even naartoe.

Maar als je vier levende kinderen hebt en vier slaapkamers te verdelen, is het op een gegeven moment tijd om elk kind weer een eigen kamer te geven, vonden wij. En dus ruimden we een jaar geleden in de tijd tussen kerst en oud en nieuw de kamer van Amanda op.

En het was goed. Het is fijn dat elk van onze kinderen hier een eigen plek heeft en Amanda heeft geen eigen kamer nodig. En wij hadden die kamer ook niet perse nodig al was het moeilijk om er afstand van te doen omdat het voelde alsof we opnieuw afstand van haar deden.

Afgelopen jaar bleek het nodig om de kamers nogmaals opnieuw in te delen en afgelopen dagen, opnieuw na kerst, hebben we dat gedaan. Nu is het weer bijna hetzelfde als voordat Amanda er was. En vandaag, nu het meeste werk gedaan is, besef ik pas hoeveel verdriet me het eigenlijk doet. Naast dat het ook gewoon oudejaarsdag is, we de kerstdagen hebben gehad en het gewoon zo incompleet blijft voelen om ‘gezellig met z’n allen’ kerst en oud en nieuw te vieren.

We zijn weer terug bij af. Ons huis is weer zo’n beetje zoals het was voordat Amanda kwam. Elk kind heeft een eigen kamer. Een plek die bij hem of haar past. Waar het zich kan ontwikkelen, terug kan trekken, op kan laden. En het is goed en het is niet goed. Het is goed omdat het hopelijk de kinderen ten goede komt. Maar ik voel me zo gebroken en verdrietig. Eigenlijk nam ik op de een of andere manier weer een beetje meer afscheid van dat kleine meisje dat we zo verschrikkelijk missen.

Als ik Amanda zo mis, dan ga ik meestal maar weer bidden. Omdat God weet hoe het met haar gaat. Omdat hij dichtbij haar is. En omdat ik niet meer voor haar kan bidden zoals ik dat voor mijn andere kinderen doe (ze heeft per slot van rekening ook dat niet meer nodig), zei ik: “dank U wel dat ze het fijner heeft dan waar ook ter wereld. Dat het zo ontzettend goed met haar gaat”. En ik bedenk me nu pas: “dat zij haar eigen kamer eigenlijk ook al heeft”.

Hmm. Misschien zijn we toch niet zo terug bij af als het voelt. We zijn natuurlijk sowieso verder gegaan en niet teruggegaan, maar dit gaat dieper al vind ik het moeilijk te accepteren: Misschien zijn we nu wel ieder precies waar we zijn moeten, op dit moment in time and space.

Het is oudejaarsdag vandaag. Vanavond gaan we weer danken voor het afgelopen jaar en bidden voor het nieuwe. Ieder van ons heeft dingen opgeschreven en vanavond gaan we het met elkaar doornemen, herinneringen ophalen en het nieuwe jaar en onszelf in Gods handen leggen. Daarna steken we weer vuurwerk af en wensen we elkaar gelukkig nieuwjaar. Ik vond het vorig jaar vreselijk moeilijk en vandaag zie ik er eigenlijk ook heel erg tegenop. Omdat zij er weer niet bij is en ik niet met een peuter op mijn arm voor het raam zal staan kijken dit jaar.

Vorig jaar bedacht ik me tijdens het kijken naar het vuurwerk: zou ze het kunnen zien? Is dat iets waar we allebei van zullen genieten? Ik weet het niet en ik verzucht: Heer, doet U Amanda alstublieft de groeten. Ik hou van haar en ik mis haar. En doordat zij hier geweest is, zijn we in elk geval niet terug bij af. Maar we gaan gewoon maar weer verder. Ieder op zijn eigen plek.

De stilte doorbreken

‘Hoe oud zijn je kinderen?’ vroeg een vriendelijke vrouw die ik nog niet kende op een verjaardag. Ik slikte, dacht even na, en besloot de waarheid te vertellen: ‘15, 13, 11, 9 en de jongste is overleden.’ Het was even stil. Toen vroeg ze: ‘Joh, hoe oud zou die geweest zijn?’ Opgelucht en dankbaar antwoordde ik: ‘Anderhalf’. ‘Sjonge, wat erg’, zei ze. Ik zei: ‘ja he. Inderdaad.’ Het was weer even stil. We wisten allebei niet zo goed wat we nog meer moesten zeggen. En vervolgens praatten we verder over andere dingen.

Soms reageren mensen zo fijn op wat zo vreselijk is. Soms mag het verdriet en je kind er gewoon zijn. Kun je het er gewoon over hebben als je dat zou willen. Want het is nou eenmaal zo. Haar niet benoemen neemt de realiteit van haar afwezigheid niet weg. Het verdriet, haar plek in ons gezin, het feit dat we nu een anderhalf jaar oude peuter bij ons hadden gehad als ze wel was blijven leven, dat allemaal: het ís er gewoon. Als je dat niet erkent, of verzwijgt ‘omdat je niet weet wat je moet zeggen’ (dat weet ik ook niet!) dan negeer je een wezenlijk deel van wie wij nu zijn.

Benoemen
Ik heb gemerkt dat het een wereld van verschil maakt of Amanda genoemd wordt of niet. Als ze genoemd wordt, erkend wordt dat ook zij bij ons hoort, dan kunnen we behoorlijk ontspannen ergens zijn. Dan kunnen we ook lachen en genieten, want we kunnen eventueel ook huilen. Maar het tegenovergestelde is helaas ook het geval. Het is net alsof je, als je het gevoel hebt dat je haar niet mag noemen en niet eventueel mag huilen, dat je dan ook niet kunt lachen. Je moet dan eigenlijk alle gevoelens onderdrukken, want stel dat je toch moet huilen. En dit heeft tot gevolg dat ik er op sommige verjaardagen of bijeenkomsten wat apathisch bij zit, als ik het al kan opbrengen om te komen.

Hoeveel kinderen heb je?
Noem je je kindje of niet? Het is een vraag die regelmatig door rouwende moeders wordt gesteld. En we worden vindingrijk in hoe we recht doen aan het bestaan van onze overleden kindje(s) zonder het het achterste van onze tong te laten zien. Zo zeg ik bijvoorbeeld: ‘ik heb vier kinderen in huis rondlopen’. Voorlopig werkt dat, want mijn kinderen wonen allemaal nog thuis. Of: ‘ik heb hier vier kinderen’. Ik denk niet dat ik ooit kan zeggen: ik heb vier kinderen. Want dat is niet zo. Ik heb er vijf. Ik kan mijn nu-weer-jongste ook niet als mijn jongste zien en noem hem ook niet zo. Want dat is hij niet. Hij is misschien mijn jongste hier, maar mijn jongste is niet meer hier.

Verzwijgen
Soms zeggen mensen tegen ons dat we het maar beter niet moeten zeggen: dat we een kindje zijn verloren, want dat geeft anderen zo’n ongemakkelijk gevoel. Ik heb soms begrijpend ‘ja’ geknikt. Want ik, die altijd en overal teveel rekening probeer te houden met iedereen, dacht: ja, daar zit wat in. Totdat ik besefte dat het aan me bleef knagen. Want wacht eens even, het geeft de ánder een ongemakkelijk gevoel? Voor hoe lang eigenlijk? Een paar minuten? Misschien een dag? Is dat eigenlijk zo erg? Het ís toch ook gewoon hoogst ongemakkelijk? En jij hebt daar maar even last van. Wij moeten er elke dag mee leven.

Als ik haar verzwijg, dan doe ik meer dan de ander sparen. Ik negeer een deel van wie ik ben. Ik negeer dat ik moeder ben van vijf kinderen en dat ik zo vaak aan haar denk en haar zo mis. Het voelt als verraad tegenover haar, en ook tegenover mijn kinderen en mijn man. Want zij hebben nog een zusje. Hij heeft drie dochters. En we zijn zo trots op haar. Zo blij dat ze hier geweest is. Daarom zijn we ook zo verdrietig.

Stil verdriet
Bovendien sterven er heel veel baby’s rondom de geboorte en is er veel stil verdriet om stille baby’s. Als ik mijn kleine Amanda benoem, hoor ik vaak een verhaal terug over andere vrouwen die ook hun kindje verloren. Veel oudere vrouwen rouwen in stilte om hun dode kinderen. Maar door het te verzwijgen, werd hun verdriet niet minder. En ik merk dat door te vertellen over mijn kleine meisje, er ruimte komt voor anderen om te vertellen over hun kleine kinderen.

Daarom denk ik dat je beter iets dan niets kunt zeggen als je weet dat iemand nog een kindje heeft dat niet meer leeft. Misschien kun je zelfs wel helpen door mensen te laten praten, te laten huilen, zodat het meer en meer verweven wordt in hun leven en ze júist kunnen lachen, omdat ze ook mogen huilen.

Ga er niet vanuit dat wij er zelf over beginnen. Misschien hebben we wel het gevoel dat dat niet mag. Maar vraag naar onze kinderen. Noem hun namen. Erken hun bestaan. En laten we vooral samen huilen én lachen.

beeld van zeven

Oktober is pregnancy and infant loss awareness month las ik op Facebook. Tijdens het schrijven van deze blog, realiseerde ik me dat deze blog daar eigenlijk heel goed bij past. Wil je meer weten over hoe je er kunt zijn voor rouwende moeders in jouw omgeving, ook als ze al veel ouder zijn, of worstel je zelf met verlies van een kindje, kijk dan eens op: www.stillelevens.nl.
En natuurlijk mag je mij ook persoonlijk benaderen.