Gelovig Rouwen Leven Liefhebben

Het is haar sterfdag. Hoewel we dat niet eens zeker weten. Het is de dag waarop het vreselijkste beeld ooit zichtbaar werd en ons leven voorgoed veranderde.
Die dag neem ik altijd wat meer ruimte, want ik weet niet hoe ik dan ben. Ik weet van eerdere jaren dat deze dag het moeilijkst is in deze periode van vaker overvallen worden door verdriet dan anders. Dus ik zorg er meestal voor dat ik geen afspraken heb.
Dit jaar deed ik dat minder rigoureus. Ik heb die ochtend toch een afspraak. Als ik me aanmeld bij de balie, blijk ik een uur te vroeg. Ik check op mijn telefoon de sms die ik niet gelezen had. Het klopt. De baliemedewerker vraagt of ik een bakkie koffie wil. ‘Nee,’ zeg ik, ‘ik kom straks wel terug’ en besluit nu vóór mijn afspraak naar de begraafplaats te gaan en niet erna.
Het is maar negen minuten fietsen. Onderweg merk ik hoe veel gedachten, gevoelens, beelden opgeslagen zijn in mijn hart en ook in m’n lijf. Het gefiets, de plekken waar ik langs rijd, de geuren, de kleuren. Ze dragen herinneringen en brengen naar voren hoezeer die zijn gegraveerd in mijn hart.
Ik heb nog dertig minuten. Loop het pad. Vraag me voor de zoveelste keer af wat ik er doe en voel hoe verdriet omhoog kruipt.
Het mag even. Nu.
Dus ik loop door. Weet ook wel wat ik daar doe. Zondag is haar verjaardag. Dan gaan we er met z’n zessen heen en ik wil weten hoe het eruitziet. Eerst alleen daar zijn zodat ik mijn aandacht zondag op mijn levende kinderen kan richten. Ik wil er voor ze zijn. Maar ook voor haar, al is dat niet nodig, want ze kan het niet ontvangen.
De boom staat weer in volle bloei, net als negen jaar geleden. De zon warmt mijn gezicht. Er vliegt een hommel bij het grafje naast haar. Onbewust van de locatie. De narcissen die mijn Lief geplant had zijn alweer aan het verwelken. Ze bloeiden zonder getuigen. Het is alweer een jaar geleden dat ik hier was.
‘Dag meisje,’ zeg ik, ‘maar je bent hier niet en dat weet ik ook wel.’
Het idee dat mijn kind hier ligt vervult me nog steeds met afschuw. Het is bepaald niet rustig hier. De hommel en bloeiende boom doen lieflijk aan, maar ik hoor de auto’s op de weg vlakbij, er rijd werkverkeer over het terrein en bij het watertje zijn ganzen keihard aan het vechten.
‘Is dat wel fijn voor je?’
Zoiets denken slaat nergens op. Ik wil hier zijn en ik wil hier niet zijn. Ik wil m’n gevoelens de vrije loop laten en ik wil er een kurk op duwen. Ik wil je plekje mooi maken en ik wil wegrennen, want je bent hier toch niet en het heeft geen zin.
‘Ik ben je niet vergeten, meisje. Ik heb je verweven in mijn leven en draag je in me mee.’ Nu ik hier sta vraag ik me af of dat wel klopt. Misschien duw ik je ook wel weg, omdat er echt verdriet is en gemis en ik weet dat het geen zin heeft om daar ook maar iets mee te doen, want ik krijg je niet terug.
Het helpt wel om te weten dat je veilig bent en dat je Susan bent.
Susan Amanda, lelie, gewenst, burcht en zoveel meer.
Ik hou van jou. Ik hou van jou. Ik hou van jou.
Misschien zijn er toch geen woorden.
Nee, dat zou te makkelijk zijn.
Ik wil ze vinden.
Pijn, zachtheid, verzinken
Zacht zinkt pijn
Kronkelt vloeibare liefde
Hunkering
jou te zien
je echt te leren kennen
te weten wie je bent
hoewel het lijkt
diep down insde
dat ik je ken
Ik weet wie je bent
net als je zussen
net als je broers
net als pappa en mezelf
Je hoort erbij
Ik draag je bij me
ongenoemd, ongekend
hoor jij erbij
Ik hou van jou

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.