Geur

Ik zit in de auto op weg naar de muziekwinkel. Een snaar op mijn nieuwe gitaar is geknapt toen ik hem iets te gedachteloos aan het stemmen was en omdat dit een bijzondere gitaar is, heb ik een bijzondere nieuwe snaar nodig. De volgende dag moet ik erop spelen en ik heb het al te lang uitgesteld, dit autoritje. Ik laat de radio bewust uit. Even stilte op deze hectische dag.

Ik geniet niet erg van autorijden, maar vandaag wel. Eindelijk doe ik wat ik al zo’n tijd had uitgesteld. Straks kan ik weer los op mijn nieuwe gitaar. Het is mooi weer, niet al te druk op de weg en eigenlijk is dit zo’n moment van ‘verstand op nul, blik op oneindig’ en dat heb ik even nodig.

Plotseling ruik ik iets en gaan er vanbinnen alarmbellen rinkelen. Ineens ben ik twee en een half jaar terug in de tijd.

Amanda.

Ik ruik de geur die verbonden is aan mijn meisje en kan ineens aan niemand anders meer denken. Herinneringen en gevoelens overspoelen me. Ik zie mezelf terug in haar kamertje. Ik zit weer bij de wieg me te verwonderen, liefde te voelen, verdriet te uiten. Ik neem haar weer in mijn handen en draag haar opnieuw op aan Hem die haar haar korte leven schonk.

Ik schrik hier behoorlijk van en zou het liefst als een klein kind willen brullen. Zelfmedelijden en kordaatheid strijden om de voorrang. Het zou goed zijn om weer eens te huilen, denk ik, maar het komt me nu niet goed uit. Ik ben op weg naar de muziekwinkel vol stoere creatieve mannen en ik voel me daar vaak een kneus die amateuristisch plukt aan snaren en ramt op toetsen. Een betraand gezicht en rode ogen helpen dan niet.

Dit is weer zo’n golf waar de rouwboeken het over hebben. Een golf verdriet die onverwachts met grote kracht over je heen spoelt en ervoor zorgt dat je je evenwicht en oriëntatie helemaal kwijt bent. Maar het is niet alleen maar naar en verdrietig. Ik voel ook diepe vreugde. Deze geur maakt me blij, want zij maakte me blij. Ik voel me weer even kersverse moeder van mijn kleintje en eventjes is ze heel dicht bij mij.

Ik zucht diep. Kordaatheid wint. Ik kan het me niet veroorloven nu te gaan zitten weeklagen. Ik dank voor dit moment omdat haar ruiken haar ervaren betekent en ik haar zo mis en dat weer even voel. Maar mijn lijstje moet afgewerkt en er staat veel op vandaag. Ik laat mijn gitaar repareren en voel me weer even thuis en niet thuis in de grote muzikantenwereld. Dan rijd ik terug. Naar huis. Naar mijn levende kinderen die elk mijn begeleiding en aansporing en liefkozing nodig hebben. Ik koester dit moment van herinnering en vertel het ’s avonds aan mijn Lief. Wat ben ik blij met haar geur en dat ik die weer even rook. Geur vol herinneringen. Geur van mijn kind.

Aanwezig in afwezigheid

Ik wil een boek schrijven. Ter voorbereiding haalde ik stapels boeken uit de bieb over rouwen en de dood. Geen gezellig onderwerp en erover lezen doet me veel. Zo word ik er onder andere heel kwaad van. Maar ik weet nog niet precies waarom. Ben ik kwaad op de dood? Op hoe mensen reageren? Op het feit dat mijn kinderen hiermee moeten leven terwijl ik ze zo graag alle leed bespaar? Op mijn lege armen en lege buik? Op God?

Het speelt allemaal een rol, denk ik. Het lezen van deze boeken haalt heel wat naar boven. Dus waarom doe ik het eigenlijk? Nou, ik word er niet alleen boos om, ik kom er ook achter waar ik het zelf over wil hebben en ik vind herkenning. Het is erg prettig om dingen te lezen die woorden geven aan wat er sluimert onder de oppervlakte. Zoals het gevoel dat Amanda er is in afwezigheid.

Marinus van de Berg gebruikt in zijn boek: Verdriet dat niet verdwijnt de term ‘levenslooplang’. Hij zegt: “Ik wil ermee aangeven dat je de dood van een kind – of van kinderen – de rest van je leven met je meedraagt als een niet te vergeten gebeurtenis. Philip Freriks heeft in zijn boek Jantje geschreven over zijn broer die aan het eind van de oorlog werd doodgeschoten. Wie zoals hij heel jong een broer heeft verloren, heeft bij het ouder-worden steeds meer momenten waarop die broer er had kunnen zijn, maar er niet is. Hij is er in de afwezigheid: levenslooplang. Dat beïnvloedt je leven meer dan je denkt.”

Ik schold inwendig toen ik dit las. Dit is wat ik zie bij mijn levende kinderen. De dood van hun zusje beïnvloedt hen meer dan ik denk en vooral: dan hun omgeving denkt. In elke ontwikkelingsfase duiken nieuwe gedachten, vragen en emoties op. Moeten ze als het ware opnieuw leren leven met het gemis. Ze zijn er niet voortdurend mee bezig, maar het maakt wel deel uit van hun leven en hun ontwikkeling. Dat komt op sommige momenten indringend naar voren en ik vind het moeilijk om mijn kind zo te zien, zeker omdat het iets is waar ik helemaal niets aan kan veranderen.

Een van de eerste dingen die ik dacht toen we erachter kwamen dat onze dochter was overleden, was: ‘Hoe vertel ik het mijn kinderen?’ ‘Hoe moeten zij daar mee leven?!’ Woest was ik. Dat ik zoiets mee moest maken was nog tot daar aan toe. Maar mijn kinderen? Nee! Ik wil mijn kinderen koste wat kost beschermen tegen leed, verdriet, ellende. En dat kon ik dus niet. Het was niet terug te draaien. Nog steeds kan ik er niets aan veranderen. Ze moeten er mee leren leven dat hun zusje er is in haar afwezigheid.

Hoe ik ze kan helpen om dat te doen, daar hoop ik wijzer in te worden en dus ben ik blij dat er boeken over geschreven zijn. Naarmate mijn kinderen ouder worden, realiseren ze zich steeds meer wat ze missen. Ze vragen zich af hoe het zou zijn geweest met haar erbij. Dus ook al is Amanda er niet, toch is ze er op een bepaalde manier. Het is fijn om dat nu te kunnen benoemen: zij is er in haar afwezigheid.

Welkom heten

‘Eerst moet je welkom heten. Want als je niet welkom heet, kun je geen afscheid nemen.’ Deze wijze en geruststellende woorden hoorden we vandaag anderhalf jaar geleden, toen we voor het eerst van ons leven een uitvaartverzorgster op bezoek kregen. Iemand die gespecialiseerd was in baby-uitvaarten nog wel.

Het was de Stille Tussendag. De dag na de Dag van Afschuw, toen we ontdekten dat onze dochter was overleden en we dat nieuws aan onze kinderen en ouders moesten gaan brengen terwijl we zelf niet eens konden bevatten wat dit betekende. En de dag voor de Dag van Verwondering, waarop we haar voor het eerst en bijna ook meteen voor het laatst ontmoetten en ontdekten dat je in zo verschrikkelijk veel verdriet ook zo dankbaar en blij kon zijn.

Op deze Stille Tussendag zaten we ons met een misselijk gevoel af te vragen hoe dat zou zijn, een dode baby baren. Gelukkig wist de uitvaartbegeleider waar ze het over had. Ze was zelf bevallen van een overleden kindje en, hoewel het ons allemaal nogal luguber voorkwam, wist ze ons in duidelijke taal voor te bereiden op wat er zou komen. Ze vertelde ons hoe het lichaampje eruit zou kunnen zien, waar we op moesten letten en hoe we voor haar lichaam konden zorgen.

Dat we voor haar lichaam konden zorgen. Wat een geruststelling was dat eigenlijk. Er viel toch nog iets te doen behalve bevallen. We konden haar welkom heten en we konden haar lichaam met zorg behandelen. Ik vond het nog steeds doodeng en ik voelde me zenuwachtig. Het idee dat ik een wandelend graf was, bleef maar in mijn gedachten komen. En dat ik geen leven ga schenken aan een kind, maar toch moet gaan bevallen. Maar ook daar kwam de uitvaartbegeleider over te spreken: ‘Je kunt haar niet meer het leven geven’, zei ze, ‘maar je kunt haar nog wel op de wereld zetten’.

Deze woorden gaven me perspectief. En moederkracht: Welkom heten. Lichaam verzorgen. Op de wereld zetten. Dat klinkt beter dan: Een dode baby baren. Voor niets pijn lijden. Een begrafenis voorbereiden. Wat zijn woorden toch krachtig. Wat zijn woorden belangrijk. Een goed gekozen woord kan zoveel goede dingen uitwerken, zoveel hoop geven en zelfs kracht als alles uitzichtloos lijkt. En slecht gekozen woorden (met goede bedoelingen, daar ben ik van overtuigd), die we helaas ook nogal eens hebben moeten incasseren, kunnen zoveel stuk maken, je op jezelf terugwerpen en laten verzinken in eenzaamheid.

De nachten tussen de Dag van Afschuw en de Dag van Verwondering heb ik nauwelijks geslapen. Hoe mooi en duidelijk de woorden ook waren, ik voelde me ondertussen wél een wandelend graf. Het kind in mij leefde niet meer. En ik moest nog steeds wél een dode baby baren. Het kindje moest geboren worden en ik zag er meer dan tegenop. Ik wilde er onderuit komen. En ik bad om kracht, om vrede, om alles om te kunnen doen wat ze zei: heet haar eerst maar welkom. Het afscheid nemen komt daarna al snel genoeg.

En we hebben het gedaan. Moeten doen. Morgen anderhalf jaar geleden werd ze geboren. Onze derde dochter, ons vijfde kind. Susan Amanda Marsman. Kleine gewenste lelie. Ze was al overleden. Maar toch heetten we haar welkom. Lieten we haar aan onze kinderen, ouders, zusjes en beste vriendinnen zien. Dit is ze. Onze dochter. We kregen kraambezoek, we waren vader en moeder geworden. Het was een week waarvan ik me bijna iedere minuut herinner. We beleefden, doorleefden, overdachten alles zo intens. En steeds zaten we weer bij haar wiegje, namen haar in onze handen, bekeken haar, verwelkomden haar en gaven haar in gebed terug aan God.

Het welkom heten helde al snel over naar afscheid nemen. Het was duidelijk dat we haar niet hier konden houden. En na vijf dagen kwam het definitieve moment, deden we de deksel van haar mandje dicht en gingen we het moeilijkste doen wat we ooit hebben gedaan.

Ik wou soms dat ik in een Oosters land was opgegroeid, waar je mag jammeren en jammeren tot het irritant wordt en dan nog steeds mag doorjammeren. Nu stonden we daar, (redelijk) nuchtere Hollanders met stille tranen over onze wangen en zachtjes snotterend, roerloos maar te staan. Bij het graf van ons kind. Toen welkom heten, definitief afscheid nemen geworden was. En wij voorgoed veranderd verder moesten leven nadat we haar, nu anderhalf jaar geleden, voor een kort moment welkom geheten hadden.

DSCF7750

Foto gemaakt door Ruth van den IJssel, van Ima Afscheidszorg

Weer naar school 2

Ineens staat het weer levensgroot voor me. Ik kan er niet omheen, maar probeer uit alle macht te doen alsof er niets aan de hand is. Ik zie moeders met baby’s en peuters. Ze zijn samen met mij op het schoolplein om grote broer en/of zus naar school te brengen. Ik voel pijn opvlammen en kijk snel de andere kant op terwijl ik de school binnenloop. En hoe schattig het dreumesje ook is dat ik daarna op de trap tegenkom, hoe dol ik ook ben op kinderen, op dit moment kan ik het niet opbrengen dit kindje wat aandacht te geven.

Ik loop langs moeder en kind de trap op zonder naar ze te kijken en richt me alleen op mijn eigen kind. Als ik mijn kinderen weggebracht heb, loop ik in mijn eentje naar huis en voel me leeg en meer alleen dan eerst. Ik loop daar zonder dreumes aan de hand of in de buggy. De eerste paar dagen lukt het me nog om dit gevoel snel weg te duwen. Er waren nog middelbare scholieren in mijn huis toen ik thuis kwam. Maar na een paar dagen moest ik hen ook uitzwaaien. Zonder kind op mijn arm.

Ik had er niet op gerekend dat ik me opnieuw zo zou voelen. Dat het gemis weer zo pijnlijk op de voorgrond zou komen. Ik weet er niet zo goed raad mee en ga maar snel aan het werk. Er is genoeg te doen. Ik heb allerlei nieuwe taken op me genomen waar ik graag aan werk en die ik niet was gaan doen als Amanda wel was blijven leven. Sommige dingen doe ik zelfs juist omdat ik haar verloor, zoals helpen bij een groep met lotgenoten. En bloggen.

Maar wat voelt dit allemaal leeg. En wat knaagt die leegte eigenlijk voortdurend, al is het meestal op de achtergrond. Ik realiseer me dat ik eigenlijk intens naar haar verlang. En dat het dus zo is dat ze er niet is. Dat ik een kindje heb gekregen, maar dat ik niets voor haar en niets met haar kan doen. Ze is hier echt niet meer. En dat besef is elke keer en nu opnieuw zo pijnlijk. En omdat het zo’n pijn doet en ik er gewoon helemaal niets mee kan, ga ik maar weer aan de slag.

Ik loop naar huis en kom opnieuw iemand tegen, met een peuter op zijn nek. Ik voel een steek van jaloezie en tranen branden achter mijn ogen. In mij schreeuwt: ik had je tegemoet moeten lopen met míjn peutertje, maar ik loop hier alleen. Zonder kind op de arm, zonder kind in de buggy en ook zonder kindje in mijn buik, want ik ben tot ons verdriet nog niet opnieuw zwanger geworden.

Dus hier zit ik dan weer. In ons lege huis. De tranen stromen eindelijk weer eens vrij over mijn wangen en ik besef opnieuw dat mensen ertoe doen. Hoe groot of hoe klein ze ook waren. Sommigen van ons moeten het verlies in zich opnemen van een geliefde die hier rond de negentig jaar mocht zijn. Anderen, zoals ik, hebben niet eens de kans gehad hun kind echt te leren kennen.

Maar al deze mensen, hoe oud of hoe jong ook, hebben betekenis omdat wij ze hebben liefgehad. Rouw is liefde die je niet kwijt kunt en al heb ik nieuwe dingen gevonden om mijn tijd en aandacht aan te schenken, al blijven er nog steeds vier kinderen die mijn aandacht nodig hebben, toch is daar nog steeds ook die diepe liefde voor dit ene specifieke kleine prachtige meisje dat enkel leefde in mijn buik. En ik mis haar. Mijn God, wat mis ik haar. Ik bid steeds vaker of God haar de groeten wil doen. En ben opnieuw verrast dat ik zulke dingen doe sinds haar overlijden. Het helpt een beetje.

Nu de kinderen weer naar school zijn, moet ik opnieuw wennen aan het lege huis, ook al is alles precies hetzelfde als voordat de zomervakantie begon. Ik moet opnieuw wennen aan een leven met enkel grote kinderen die naar school zijn en werk dat op me ligt te wachten. Ze zou nu zo ongeveer hebben kunnen lopen. We zouden samen de kinderen naar school hebben gebracht en weer rustig naar huis zijn gewandeld terwijl zij oog zou hebben gehad voor elk detail op de stoep, en ik haar stap voor stap zou leren functioneren op deze wereld.

Maar ik liep alleen naar huis en werd overvallen door een diep gemis, een intense pijn. Ik ga ermee naar God toe en het stelt me gerust dat het nu zo goed met haar gaat en op de beste plek is. Maar het gemis blijft wel bestaan, doet pijn, en ik moet er nog steeds mee leren leven. Ik weet eigenlijk nog steeds niet precies hoe dat moet. Dus ga maar weer aan het werk.

Mijn kleine lelie

IMG_8302

Consider the lilies, lees ik: Kijk naar de lelies in het veld. Deze mij o zo bekende woorden blijven doorklinken in mijn hoofd. Ik denk aan mijn eigen kleine lelie en denk in plaats van ‘kijk naar de lelies’: ‘kijk naar Amanda’. Hoewel het hier niet letterlijk over haar gaat, maar over bloemen, vind ik de vergelijking treffend.

Het zijn woorden van Jezus. Hij heeft het erover dat je je geen zorgen hoeft te maken, omdat God voor je zorgt. Maak je geen zorgen over eten en drinken, en ook niet over wat je aan moet, zegt Hij en dan staat er: ‘Kijk naar de lelies in het veld, hoe ze groeien; ze werken niet en spinnen niet; en ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet gekleed ging als één van deze.’ En nu ik dit overschrijf, denk ik meteen weer aan Amanda.

Amanda’s volledige naam is Susan Amanda. Susan betekent ‘lelie’ en Amanda betekent ‘gewenst’. De naam Susan kregen mijn man en ik allebei afzonderlijk in gedachten in de tijd dat we aan het bidden waren welke naam bij dit kindje zou passen. Dat vonden we bijzonder. Toen we de betekenis opzochten en erachter kwamen dat het lelie betekende, konden we er eigenlijk niet zoveel mee en parkeerden we het nog even. De baby zou voorlopig nog niet geboren worden, we hadden de tijd.

Totdat bleek dat ons dochtertje niet goed groeide in mijn buik en ze waarschijnlijk te vroeg geboren zou moeten worden. De zwangerschap werd zorgelijk en we deelden dat met onze familie en vrienden. Een van mijn beste vriendinnen appte me toen dat ze ons kindje een naam gegeven had, zodat ze gemakkelijker voor haar kon bidden. ‘Zolang ze in je buik zit, noem ik haar Lily’, zei ze, ‘dat betekent ‘kleintje’ in mijn moedertaal en het is ook nog gewoon een hele mooie bloem.’ Ik was diep ontroerd.

Kleine Lily, Susan Amanda, werd inderdaad te vroeg geboren. Niet omdat ze in gevaar was in mijn buik, maar omdat ze al was overleden voordat ze geboren kon worden. Ze heet Lelie en Gewenst. En nu hoor ik dus hier Jezus zeggen: Kijk naar de lelies. Kijk hoe mooi ze zijn. Ze bloeien maar kort, maar God heeft aandacht aan ze besteed en zelfs als niemand er naar kijkt, schittert zo’n bloem in eenvoudige en pure schoonheid.

Mijn eigen kleine Lelie was hier ook maar even. En toen we haar ontmoetten, werden we verrast door wat ze met ons deed. Onze harten stroomden vol met liefde, blijdschap en verwondering. Daar lag ons dochtertje en zoals je je kindje gewoon aanvaardt zoals het komt, zo omarmden wij dit kleine baby’tje vol liefde en tederheid. Ik vergeet nooit hoe mijn hart overstroomde van liefde en bewogenheid. Alsof mijn hart in een seconde groter werd. Er kwam ruimte voor moederliefde voor maar liefst vijf kinderen. En toen ik mijn man in de ogen keek zag ik dat bij hem hetzelfde was gebeurd. Wij waren opnieuw pappa en mamma geworden en ontmoetten onze dochter.

Wat was ze prachtig. Zo ontzettend mooi gemaakt. Zo klein als ze was, nog geen voldragen baby, was hier duidelijk een Meester aan het werk geweest. Ik heb uren bij haar wiegje gezeten, haar in mijn handen vastgehouden en vol verwondering en dankbaarheid naar haar gekeken, naar Zijn werk. Ondanks die diepe pijn dat deze dochter van mij niet meer leefde en daarmee een deel van mij zelf gestorven was, was ik ook zo ontzettend dankbaar dat Hij kennelijk de moeite voor haar had genomen. Om haar werkelijk wonderlijk mooi te weven zoals de psalm die ik tijdens mijn zwangerschap zo vaak las, het verwoordt.

Kijk naar de lelies in het veld. Het is alsof God zelf zegt: kijk naar Amanda, hoe ik haar heb gemaakt. Zo klein, te klein om te kunnen leven hier op aarde, maar toch met zoveel zorg. Handjes voetjes, neusje, oogjes, zelfs al wat haartjes en nageltjes op haar vingertjes en teentjes.

Mijn kleine lelie. Als ik aan jou denk, naar jou kijk, zie ik hoe groot God is. ‘Kijk naar de lelies in het veld, hoe ze groeien; ze werken niet en spinnen niet; en ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet gekleed ging als één van deze.’

IMG_8305

Ode aan het moederhart

Zondag 13 mei is het weer Moederdag. Een dag waar vooral de bloemist en de drogist van profiteert, dacht ik altijd, al worden met de jaren de werkjes van mijn kinderen mij dierbaarder en dierbaarder. Nu ze groter worden, zijn ze ook zeldzamer geworden.

In de kerk waar ik elke zondag heenga, krijgen alle vrouwen een roos op Moederdag. Niet alleen de moeders, al mogen alle kinderen hun eigen moeder of pleegmoeder een roos geven. Álle vrouwen krijgen een roos, omdat ze ofwel moeder zijn ofwel moeder zullen worden ofwel als een moeder zijn voor kinderen en jongeren om hen heen. Ik vind het mooi dat daarmee ook ongewild kinderloze vrouwen geëerd worden en erkend wordt dat hun rol in de gemeente onmisbaar en belangrijk is.

Een ode aan het moederhárt is Moederdag eigenlijk en het raakt me dit jaar op een nieuwe manier. Ook omdat ik pas op de dag zelf ontdekte dat afgelopen zondag, 6 mei ‘International Bereaved Mother’s’ Day’ was. Een dag die de Australische Carly Marie begon om recht te doen aan vrouwen die hun kindje verloren of tot hun grote verdriet nooit een kind hebben gekregen. Ze begon deze dag in 2010 in de hoop dat deze dag al snel niet meer nodig zou zijn. Haar doel is Moederdag weer voor alle moeders te maken, ook voor moeders die nooit moeder zijn geworden en moeders die hun kind verloren. Vrouwen die zich juist op Moederdag zo vreselijk geïsoleerd, genegeerd en eenzaam kunnen voelen, terwijl ze in hun hart wel moeders zijn, omdat ze hun hart hebben opengesteld voor een kind.

Een paar dagen geleden postte een moeder die net als ik een baby kreeg die al voor de geboorte was overleden het volgende bericht op Facebook: Bereaved Mothersday; ik werd er door verschillende mensen op gewezen. Maar eigenlijk wil ik daar helemaal geen aandacht aan besteden want dat maakt ons anders. Ik wil geen speciale dag want ik ben voor alle vier mijn kinderen dezelfde moeder. Dus vieren we volgende week gewoon moederdag. Noem hieronder al je kinderen zonder sterretjes of hartjes omdat er voor een moederhart geen verschil is. En omdat ik het ook zo ervaar, dat ik evenveel moeder ben van mijn vier levende kinderen als van mijn vijfde overleden kindje, schreef ik de namen van alle kinderen die ik ter wereld bracht onder het bericht. Met voldoening, moet ik zeggen, en met trots. Want ik ben hun moeder, of ze nu hier leven of al naar de hemel zijn.

En dat brengt me terug bij Moederdag. Moederdag werd voor het eerst gevierd op de eerste zondag van mei in 1906. ‘General Memorial Day of all Mothers’ heette het toen. Het was in het jaar nadat Ann, de moeder van de Amerikaanse Anna Javis, was overleden. Ann had meer dan twaalf kinderen gekregen, maar slechts vier van hen werden volwassen. De meeste van haar kinderen stierven aan Mazelen en Typhus. Dochter Anna wilde een ode brengen aan haar moeder en ze wilde dat ieder jaar blijven doen. In 1914 werd het een officiële feestdag en sinds 1928 is het ook een officiële feestdag in Nederland.

Moederdag was bedoeld om moeders te eren. Voor wie ze zijn en voor wat ze doen, en om hun moederhart te erkennen. En wat mij in het bijzonder aanspreekt, nu ik er zo over lees, is dat het een bereaved mother was waaromheen deze dag begon. Een vrouw die vier kinderen had. Nee, een vrouw die meer dan twaalf kinderen had. Ze droeg ze onder haar hart, ze mocht misschien nog wel een hele tijd na hun geboorte voor ze zorgen en ze begroef ze. Uit ervaring weet ik nu hoe hartverscheurend moeilijk dat is. En uit ervaring weet ik ook dat het niet uitmaakt in ervaring van ‘moederschap’ of moedergevoelens of je kindje nu leeft of niet. Ik ben evenveel moeder van al mijn vijf kinderen, ook al is mijn jongste al voordat ze geboren werd, naar haar hemelse Vader gegaan.

Aanstaande zondag is het Moederdag. Een dag om moeders te eren. Een dag om moeders te herdenken als ze er niet meer zijn. Een dag om moederharten te erkennen. Harten die verlangen naar een kind dat er niet kwam. Harten die gebroken zijn omdat het kind dat er was, is overleden. En harten die het geluk hebben kinderen op te mogen zien groeien met alles wat daarbij komt kijken.

Aan alle moeders, met en zonder levende kinderen om zich heen: ik wens je een hele goede Moederdag toe. Je mag er zijn.

Zie ook: Bereaved Mothers’ day

Deze blog schreef ik in eerste instantie voor Puurvandaag: https://www.puurvandaag.nl/binnen/gezin/ode-aan-het-moederhart/

Wat als je het er allemaal gewoon laat zijn

Soms weet ik het allemaal even niet meer. Dan staat verdriet zo pal voor m’n neus dat ik even niets anders meer kan zien. Het grijpt me naar de keel en beneemt me de adem. Ik wil rennen of heel boos worden of verslavende dingen gaan doen. Ik weet niet wat ik ermee moet en het liefst druk ik het weg. Diep weg.

Het komt op de gekste momenten opzetten, dat verdriet. Ik loop de trap op naar boven, ruik iets en poef! Ineens ben ik een jaar terug in de tijd, is het alsof ik net bevallen ben en Amanda nog op de babykamer ligt. In haar wiegje. Stil. Dan besef ik: ja! Ik heb verdorie nog een kind. Waar is ze nou?

Op zo’n moment is het zó reëel dat ik er verbaasd over ben. Want op andere momenten geniet ik gewoon van het leven en ook denk ik niet elke seconde van de dag bewust aan haar. En toch, als ik eerlijk ben, is het wel altijd sluimerend aanwezig. Als een draadje dat overal doorheen geweven zit en je er niet tussenuit kunt trekken.

‘Wat als je het er allemaal gewoon laat zijn. Dat je tegen God zegt hoe je je voelt. Hoe verdrietig je bent. Hoe moeilijk je het allemaal vindt. En dat je dan gewoon blijft zitten en God komt naast je zitten en slaat een arm om je heen.’

Dat is wat een lieve vrouw een paar weken geleden tegen me zei toen ik haar vertelde dat ik niet wist hoe ik nou om moest gaan met die diepe pijn vanbinnen terwijl ik er ook gewoon voor de kinderen wil zijn, mijn werk wil doen, het leven wil leven. Haar antwoord werkte bevrijdend. Het deed me denken aan Just be held, een lied dat ik heel vaak luisterde in de eerste weken na de geboorte van Amanda.

Ja. Wat als ik het er allemaal gewoon laat zijn? Dan voel ik de gebrokenheid. De gebrokenheid van mijn eigen hart, mijn leven. Dan voel ik hoe kwetsbaar ik ben en besef ik dat ik eigenlijk heel veel vragen heb. Waarom? Hoe zou ze nu zijn geweest? Hoe moet ik verder? Hoe help ik mijn kinderen? God, bent U er echt?

Als ik het er allemaal gewoon laat zijn, eerlijk word en God probeer toe te laten, dan besef ik dat God inderdaad naast me staat. Dat Hij luistert. Dat ik eigenlijk alleen maar mezelf hoef te zijn, mét mijn pijn en mijn vragen, ín mijn gebrokenheid en kwetsbaarheid. Precies de reden waarom deze website ‘broken but real’ heet.

Ik weet niet precies wat God dan gaat doen. Dat is ook de reden waarom ik het zo moeilijk vind, een beetje eng zelfs. Maar de keren dat ik het probeerde, om ‘alles er gewoon maar te laten zijn’, merkte ik wel dat Hij er was. Dat hij me hier écht doorheen wil dragen, al is me niet duidelijk waarom de dingen zijn gegaan zoals ze zijn gegaan en waarom er ook op dit moment van alles aan de hand is in onze levens.

Laatst vond ik een boekje dat mijn aandacht trok vanwege de titel: ‘Al treft u ’t felst verdriet’. Het werd in 1674 geschreven door John Flavel, iemand die vele geliefden moest begraven, waaronder een kind. Vanuit zijn geloof probeert hij te bemoedigen: ‘probeer het juk dat God op uw schouders heeft gelegd niet overhaast af te schudden. U moet niet vóór Gods tijd verlost willen worden van uw verdriet. Volhard in lijdzaamheid. Als God troost schenkt op Zijn tijd en wijze, is die troost vaak duurzaam en heilzaam.’

Ik moest huilen toen ik dat las en ik zag het verband met wat die vrouw tegen me zei. ik probeer mijn verdriet inderdaad steeds weer van me af te schudden. Ik probeer door te leven alsof er niets is gebeurd. Maar het is beter om het verdriet en de pijn er gewoon te laten zijn en God daarin naast me te laten zitten. Ook al krijg ik misschien geen antwoorden op mijn vragen. Ook al veranderen situaties niet altijd, blijven ziekte, dood, pestgedrag, echtscheidingen en allerlei andere ellende bestaan. Omdat we gebroken mensen zijn. Die er allemaal gewoon mogen zijn.