Alleen ik huilde

Ik zie mezelf zitten. In haar kamertje, bij de wieg. Ik kijk naar haar en neem haar in mijn handen, al heeft het geen zin want ze merkt het niet. Ik bekijk haar aandachtig en verwonder me. Dat ze zo klein, maar zo af is en alles heeft wat een mensje normaal gesproken heeft. Ik dank God dat Hij geen half werk heeft gedaan en de moeite nam haar zo mooi te maken.

Ik zie mezelf zitten. In mijn pijn en verdriet probeer ik me op God te richten. Ik hef mijn handen met mijn dochter erin omhoog en draag haar op aan degene die haar maakte. Steeds herhaal ik: ‘Ze is van U Heer.’ ‘Ik geef haar aan U terug Heer.’ Ook na haar begrafenis blijf ik dit in gedachten doen. De pijn wordt niet minder. Het wordt eerst nog veel erger. Dat had ik niet verwacht.

Ik zie mezelf zitten. Steeds met haar in mijn handen. Ik probeer haar over te geven aan de God die haar en mij schiep. Toch trek ik regelmatig mijn armen weer terug. Wil ik het toch niet? Als ik haar helemaal loslaat, raak ik haar nog meer kwijt. Toch blijf ik proberen. In de loop van de tijd – vandaag drie jaar – blijkt verdriet en gemis niet te verdwijnen. Het verandert. Het raakt meer verweven in mijn leven. Ik kan haar nu beter laten waar ze is, omdat ik steeds meer besef dat ze het beter heeft in die Eeuwige armen dan ze hier ooit zou hebben.

Ik zie mezelf zitten. Het beeld blijft me bij. Ik wil recht doen aan God die haar zo mooi maakte. En aan de pijn die er is en getuigt van Liefde die niet ophoudt bij de dood. Ook al weet ik dat ze veilig is en geborgen en wil ik het voor haar niet meer anders, het gat in mijn hart is er nog wel. En de liefde. De liefde die tegelijk met haar geboren werd.

Ik schreef er een lied over (vertaling vind je onderaan):

https://youtu.be/7e25SAcxElc

Only I cried

I held her tiny body in my hand
Admired her with awe and love
Amazed by how she looked and lay asleep
Reflecting life while she was gone

Only I moved,
Only I cried,
Only I was watching her
She did not look,
Made no sound at all
She could not receive my care

I held her tiny body in my hand
Hoping her heart would beat again
But she just lay there still and beautiful
Declaring wonders to my woe

Only I moved,
Only I cried,
Only I felt crushed inside
She did not feel,
Wasn’t there at all.
Still she showed me there’s a God

She was wonderfully made
She was crafted by an artist
A masterpiece of God
She called to worship Him
In all my ache and grief
She testified of God

Only I move,
Only I cry,
Only I can feel the void
She has no need,
She is safe with Him,
She just taught me He is God

I hold her tiny imprint in my heart
And honor Him who knows my pain

Lyrics and Music by Ineke Marsman-Polhuijs ©2020

Vertaling:
Ik hield haar kleine lijfje in mijn hand
Bewonderde haar met ontzag en liefde
Ik stond versteld over hoe ze eruitzag en lag te slapen
Ze weerspiegelde leven terwijl ze er niet meer was

Alleen ik bewoog
Alleen ik huilde
Alleen ik keek naar haar
Zij keek niet,
Maakte geen enkel geluid
Ze kon mijn zorg niet ontvangen

Ik hield haar kleine lijfje in mijn hand
Hoopte dat haar hart weer zou gaan kloppen
Maar ze lag daar maar, stil en mooi te zijn
Vertelde van wonderen aan mijn verdriet

Alleen ik bewoog
Alleen ik huilde
Alleen ik was kapot van binnen
Ze voelde niets
Was er niet eens
Toch liet ze me zien dat er een God is

Ze was wonderlijk gemaakt
Ze was geweven door een artiest
Een meesterwerk van God
Ze riep op om Hem te aanbidden
In al mijn pijn en rouw
Getuigde zij van God

Alleen ik beweeg
Alleen ik huil
Alleen ik voel de leegte
Zij heeft niets nodig
Zij is veilig bij Hem
Ze leerde me slechts dat Hij God is

Ik houd haar kleine afdruk in mijn hart
En eer Hem die mijn pijn kent

Tonio

Diep onder de indruk wandelen we door de binnenstad. Ook al hebben we ons eerder die avond tijdens ons dinertje keurig aan ‘dry January’ gehouden (en kennisgemaakt met lekkere alcoholvrije biertjes) nú ben ik vastbesloten om met mijn Lief naar de kroeg te gaan om een gewoon biertje te drinken en verwerken wat we zojuist hebben gezien. Of is het gewoon: zien drinken doet drinken?

Het was onze trouwdag en na ons etentje gingen we naar Tonio, een theatervoorstelling gebaseerd op het boek Tonio van A.F.Th. van der Heijden van wie ik tot voor kort – ondanks de overstelpende hoeveelheid Nederlandse literatuur die ik tijdens mijn studie moest verstouwen – nog nooit iets had gelezen. Maar óver dit boek las ik zeer vaak iets en toen ik het zag staan in een van de minibiebs van onze wijk, nam ik het mee en las het.

Ik verslond het. Het was zo herkenbaar wat hij schreef over zijn verongelukte eenentwintigjarige zoon dat ik soms huilde en soms lachte. De gevoelens en gedachten die hij beschrijft, de thema’s die voorbijkomen en ook in ons leven spelen; het was bijna eng om gedrukt te zien staan wat ik zelf soms dacht en voelde. Met dit verschil dat ons overleden kind niet ons enige kind was en zij niet had geleefd buiten de baarmoeder en we dus maar weinig herinneringen hebben om over te praten.

Maar ondanks dat zag ik zoveel overeenkomsten dat ik er graag heen wilde toen ik las dat deze voorstelling in ons Stadstheater zou komen. Ik wist niet of mijn Lief het ook wat zou vinden, maar tot mijn verbazing boekte hij, op onze trouwdag nog wel. Dus wij erheen. We luisterden ademloos, lachten soms zelfs, wat ongepast leek in deze setting. Maar het was zo herkenbaar en prettig om voor onze neus af te zien spelen wat er in ons huis, in ons hart, in ons huwelijk zich ook had afgespeeld. Natuurlijk niet precies zó, maar toch. Ook wij praatten langs elkaar heen, opgaand in onze eigen gedachten, ook wij dronken te veel, verdoofden de pijn, konden de buitenwereld niet meer volgen, zochten een weg in een wereld waarin voor iedereen alles doorging, behalve voor ons.

Allerlei zinnen die me in het boek ook al zo raakten, werden door de acteurs in de mond genomen en ondanks de slechte kritieken die ik net las op internet: ik vond de dans, het licht en de muziek het geheel draaglijker maken. Net als de hoofdpersonen in het theater praatten ook wij vaak langs elkaar heen, maakte ons verdriet ons ook regelmatig egoïstisch en vonden ook wij elkaar steeds terug. En in tegenstelling tot de hoofdpersonen dank ik God daarvoor in plaats van Hem te vloeken. Dat was eigenlijk het enige aanstootgevende in het stuk wat mij betreft: dat er zo heftig gevloekt werd. Al is het gebruik van stevige krachttermen soms erg prettig, en nodig ook denk ik.

Want je kind verliezen is heel ingrijpend.

Hier een paar treffende citaten:
‘Volgens Van Dale is kruipolie een ‘dunne olie van bijzondere samenstelling, die door capillaire werking tot moeilijk bereikbare plaatsen kan doordringen, en vooral wordt gebezigd om vastgeroeste delen los te krijgen’. De afgelopen weken heb ik mijn verdriet als een soort kruipolie leren kennen. Het dringt door tot in de haarvaten van mijn emotionele systeem, als dat bestaat, en weekt daar de geringste details van Tonio’s voorbije leven los, elke vergeten en halfvergeten herinnering. Alles lost op tot heimwee en melancholie.’ (p.288)

‘Ook in gestorven staat dien ik hem volledig te accepteren – en te verzorgen. Ik wist dat het kind waar ik mijn zinnen op had gezet sterfelijk zou zijn, zo gezond als het op de wereld mocht zijn gekomen. Ik had die sterfelijkheid destijds, zij het met krimpende maag, voor lief genomen.’ (p. 173)

‘We leven nu zes weken met een wurgend gemis. Het is geen loze beeldspraak. We hebben ervaren, en maken nog elke dag mee, hoe een dwingende afwezigheid met haar tentakels letterlijk je keel toe kan snoeren. De schreeuw blijft steken in de strot. Verlies is een worger die zijn slachtoffer niet meer protest dan wat gegorgel gunt.’ (p. 289)

n.a.v. Tonio. Een requiemroman. A.F. Th. Van der Heijden. En: Tonio

tonio-delamar-theater

Geur

Ik zit in de auto op weg naar de muziekwinkel. Een snaar op mijn nieuwe gitaar is geknapt toen ik hem iets te gedachteloos aan het stemmen was en omdat dit een bijzondere gitaar is, heb ik een bijzondere nieuwe snaar nodig. De volgende dag moet ik erop spelen en ik heb het al te lang uitgesteld, dit autoritje. Ik laat de radio bewust uit. Even stilte op deze hectische dag.

Ik geniet niet erg van autorijden, maar vandaag wel. Eindelijk doe ik wat ik al zo’n tijd had uitgesteld. Straks kan ik weer los op mijn nieuwe gitaar. Het is mooi weer, niet al te druk op de weg en eigenlijk is dit zo’n moment van ‘verstand op nul, blik op oneindig’ en dat heb ik even nodig.

Plotseling ruik ik iets en gaan er vanbinnen alarmbellen rinkelen. Ineens ben ik twee en een half jaar terug in de tijd.

Amanda.

Ik ruik de geur die verbonden is aan mijn meisje en kan ineens aan niemand anders meer denken. Herinneringen en gevoelens overspoelen me. Ik zie mezelf terug in haar kamertje. Ik zit weer bij de wieg me te verwonderen, liefde te voelen, verdriet te uiten. Ik neem haar weer in mijn handen en draag haar opnieuw op aan Hem die haar haar korte leven schonk.

Ik schrik hier behoorlijk van en zou het liefst als een klein kind willen brullen. Zelfmedelijden en kordaatheid strijden om de voorrang. Het zou goed zijn om weer eens te huilen, denk ik, maar het komt me nu niet goed uit. Ik ben op weg naar de muziekwinkel vol stoere creatieve mannen en ik voel me daar vaak een kneus die amateuristisch plukt aan snaren en ramt op toetsen. Een betraand gezicht en rode ogen helpen dan niet.

Dit is weer zo’n golf waar de rouwboeken het over hebben. Een golf verdriet die onverwachts met grote kracht over je heen spoelt en ervoor zorgt dat je je evenwicht en oriëntatie helemaal kwijt bent. Maar het is niet alleen maar naar en verdrietig. Ik voel ook diepe vreugde. Deze geur maakt me blij, want zij maakte me blij. Ik voel me weer even kersverse moeder van mijn kleintje en eventjes is ze heel dicht bij mij.

Ik zucht diep. Kordaatheid wint. Ik kan het me niet veroorloven nu te gaan zitten weeklagen. Ik dank voor dit moment omdat haar ruiken haar ervaren betekent en ik haar zo mis en dat weer even voel. Maar mijn lijstje moet afgewerkt en er staat veel op vandaag. Ik laat mijn gitaar repareren en voel me weer even thuis en niet thuis in de grote muzikantenwereld. Dan rijd ik terug. Naar huis. Naar mijn levende kinderen die elk mijn begeleiding en aansporing en liefkozing nodig hebben. Ik koester dit moment van herinnering en vertel het ’s avonds aan mijn Lief. Wat ben ik blij met haar geur en dat ik die weer even rook. Geur vol herinneringen. Geur van mijn kind.

Zwijgen

Het is vandaag 8 juli. Twee jaar geleden was ik uitgerekend en liep ik op deze dag naar het grafje om er iets neer te leggen bij wijze van verjaardagscadeau. Vorig jaar en vandaag deed ik dat weer. Vandaag voelt het anders dan de vorige twee keer, hoewel ik wel mijn tranen moest bedwingen toen ik de lelies afrekende bij de bloemist en me te fleurig voelde toen ik in mijn bontgekleurde jas over de begraafplaats banjerde.

Misschien heb ik toch al wat leren leven met het gemis van onze jongste. Mijn hart voelt wel nog wat zwaar. Eigenlijk al sinds 17 juni, de dag waarvan ik bad dat het haar geboortedatum zou zijn, omdat ik dan precies 37 weken zwanger zou zijn geweest. Ik blijf het vreemd vinden hoe mijn geheugen werkt. Het is niet de datum an sich, maar het is de geur, de temperatuur en de kleuren om me heen, die me herinneren aan deze periode twee jaar geleden, toen ik zo kwetsbaar rondliep, verdwaasd zoekend naar het kind dat hier niet meer is.

Ik wist niet dat het verlies van een kind zó ingrijpend was. Dat de pijn zo diep gaat dat eigenlijk niets meer hetzelfde is. In mijn perceptie tenminste, want uiterlijk is het meeste hetzelfde gebleven. Ik leef in hetzelfde huis, in dezelfde buurt, heb dezelfde familie, maar ik beleef het anders. Dat verbaast me nog regelmatig. Ik kan echt niet terug naar wie ik vroeger was. Er is een leven voor en een leven na Amanda.

De laatste tijd merk ik dat er ook in mijn houding ten opzichte van andere mensen dingen zijn verschoven. Het maakt uit of Amanda genoemd mag worden of niet. Voor mensen die haar nog doder zwijgen dan ze al is, kost ruimte maken in mijn hart heel veel moeite.

Ik hoorde van andere rouwenden dat zij sommige relaties op den duur verbraken. Toen ik dat hoorde, besloot ik dat ik dat wilde voorkomen. Ik wilde me open blijven stellen. Maar nu, meer dan twee jaar later, merk ik soms dat de rek eruit is en ik mijn hart vaker afsluit voor anderen. Dat vind ik moeilijk, het geeft nieuw verdriet.

Ik wilde er altijd voor iedereen zijn, hoe zij zich ook ten opzichte van mij gedragen. Dat lukte me door Gods genade ook heel vaak. Maar nu kan ik het soms niet meer opbrengen. Als ik haar moet verzwijgen, die zo reëel voor me is alsof ze hier nu haar tweede verjaardag zou vieren met feestmuts en taart, waarom zou ik dan naar hun verhaal luisteren?

Opnieuw heb ik genade nodig. Meer genade, meer begrip, meer ruimte in mijn hart. Want ik geloof toch dat we anderen moeten behandelen zoals we zelf behandeld willen worden. Niet zoals we zelf behandeld worden. Dat is een wezenlijk verschil, merk ik nu opnieuw en je kunt nooit weten waaróm mensen doen zoals ze doen. Vaak zit er een goede bedoeling achter, al kunnen goede bedoelingen dus ook goed pijn doen.

Dus ik buig opnieuw mijn hoofd, stort mijn verdriet en boosheid uit bij de God die het allang weet, om meer genade te ontvangen en meer liefde om er opnieuw te zijn voor die ander, hoe hij of zij ook met mij omgaat. En vervolgens ga ik opnieuw naar het graf van mijn dochter, die twee jaar had moeten worden als alles was gegaan zoals het hoort, zette een nieuw vlindertje neer en een verse bos lelies. Gefeliciteerd lieve kleine dochter van mij. En: doet U haar de groeten, Heer.

Opnieuw vraag ik me af waar de grens is tussen verdriet en zelfmedelijden. Of moet je misschien eerst door zelfmedelijden heen voordat je bij het verdriet kunt komen? Verzwijgen heeft in elk geval geen zin, want dat verstikt nog meer. Dus hier ben ik dan weer, broken but real en bereid om weer die weg te gaan om anderen met genade en woorden tegemoet te treden. Zelfs al zwijgen zij over mijn geliefde kindje, die uiterlijk vandaag twee jaar had moeten worden.

 

Aanwezig in afwezigheid

Ik wil een boek schrijven. Ter voorbereiding haalde ik stapels boeken uit de bieb over rouwen en de dood. Geen gezellig onderwerp en erover lezen doet me veel. Zo word ik er onder andere heel kwaad van. Maar ik weet nog niet precies waarom. Ben ik kwaad op de dood? Op hoe mensen reageren? Op het feit dat mijn kinderen hiermee moeten leven terwijl ik ze zo graag alle leed bespaar? Op mijn lege armen en lege buik? Op God?

Het speelt allemaal een rol, denk ik. Het lezen van deze boeken haalt heel wat naar boven. Dus waarom doe ik het eigenlijk? Nou, ik word er niet alleen boos om, ik kom er ook achter waar ik het zelf over wil hebben en ik vind herkenning. Het is erg prettig om dingen te lezen die woorden geven aan wat er sluimert onder de oppervlakte. Zoals het gevoel dat Amanda er is in afwezigheid.

Marinus van de Berg gebruikt in zijn boek: Verdriet dat niet verdwijnt de term ‘levenslooplang’. Hij zegt: “Ik wil ermee aangeven dat je de dood van een kind – of van kinderen – de rest van je leven met je meedraagt als een niet te vergeten gebeurtenis. Philip Freriks heeft in zijn boek Jantje geschreven over zijn broer die aan het eind van de oorlog werd doodgeschoten. Wie zoals hij heel jong een broer heeft verloren, heeft bij het ouder-worden steeds meer momenten waarop die broer er had kunnen zijn, maar er niet is. Hij is er in de afwezigheid: levenslooplang. Dat beïnvloedt je leven meer dan je denkt.”

Ik schold inwendig toen ik dit las. Dit is wat ik zie bij mijn levende kinderen. De dood van hun zusje beïnvloedt hen meer dan ik denk en vooral: dan hun omgeving denkt. In elke ontwikkelingsfase duiken nieuwe gedachten, vragen en emoties op. Moeten ze als het ware opnieuw leren leven met het gemis. Ze zijn er niet voortdurend mee bezig, maar het maakt wel deel uit van hun leven en hun ontwikkeling. Dat komt op sommige momenten indringend naar voren en ik vind het moeilijk om mijn kind zo te zien, zeker omdat het iets is waar ik helemaal niets aan kan veranderen.

Een van de eerste dingen die ik dacht toen we erachter kwamen dat onze dochter was overleden, was: ‘Hoe vertel ik het mijn kinderen?’ ‘Hoe moeten zij daar mee leven?!’ Woest was ik. Dat ik zoiets mee moest maken was nog tot daar aan toe. Maar mijn kinderen? Nee! Ik wil mijn kinderen koste wat kost beschermen tegen leed, verdriet, ellende. En dat kon ik dus niet. Het was niet terug te draaien. Nog steeds kan ik er niets aan veranderen. Ze moeten er mee leren leven dat hun zusje er is in haar afwezigheid.

Hoe ik ze kan helpen om dat te doen, daar hoop ik wijzer in te worden en dus ben ik blij dat er boeken over geschreven zijn. Naarmate mijn kinderen ouder worden, realiseren ze zich steeds meer wat ze missen. Ze vragen zich af hoe het zou zijn geweest met haar erbij. Dus ook al is Amanda er niet, toch is ze er op een bepaalde manier. Het is fijn om dat nu te kunnen benoemen: zij is er in haar afwezigheid.

We are not alone

Het is twee jaar geleden vandaag dat we de meest vreselijke boodschap hoorden die je maar kan krijgen over je kind: ‘Het spijt me, …’

De dood kwam nog nooit zo dichtbij. Binnenin mij was onze dochter gestorven.

Onze dochter is nog steeds gestorven. Wij zijn ouders van een overleden kind. En wat dat betekent, weet je niet als je het net gehoord hebt. Wij dachten dat dit iets was wat je even verwerkt. Waar je even doorheen moet, wat je moet doorstaan. We realiseerden ons niet dat als je kind sterft, er een hele toekomst sterft en je de rest van je leven ouders blijft van een persoon die je niet kunt leren kennen. Een meisje dat deel uitmaakt van je gezin zonder dat ze erbij is. Dat is werkelijk heel apart en pijnlijk. Maar je zult er mee moeten leren leven, dus dat zijn we maar gaan doen. Daar zijn we mee bezig.

‘Je moet ruimte houden’, zeiden mensen die het konden weten tegen ons. Houd ruimte voor de momenten waarop verdriet je ineens overvalt. Zodat je dat even toe kunt laten als dat nodig is. Dat deden we. De eerste weken wandelden we elke dag. Samen. We probeerden te vertellen wat we dachten en voelden, voor zover we wisten wat we dachten en voelden. We probeerden te blijven communiceren zodat we in elk geval open lijnen hadden tussen ons.

Ik dank God nog steeds voor dat heldere moment vlak na de doodstijding. Ik was zo bang dat ons huwelijk dit, na alles wat we al hadden meegemaakt, alsnog de kop zou kosten. Ik besefte dat het cruciaal was om te rouwen zoals ik nodig had en hem de ruimte te geven om te rouwen zoals hij nodig had én daarbij te blijven vertellen wat ik denk en voel, zonder te verwachten dat hij hetzelfde denkt, hetzelfde ervaart. We gaven elkaar de ruimte terwijl we wel steeds mededeelzaam probeerden te zijn. We ontdekten dat we toch veel gevoelens en gedachten deelden, ook al uitten we ons heel verschillend.

Vandaag wandelden we weer en herinnerden elkaar aan twee jaar geleden. Hoe we toen wandelden en niet wisten hoe we verder moesten. Hoe verdriet nog steeds op de vreemdste momenten de kop op steekt. Hoe alles wat we geloofden overhoop werd gehaald en we helemaal opnieuw ons geloof, ons doel, onze identiteit terug moesten vinden en alle vanzelfsprekendheid verdwenen was.

Eigenlijk was het enige wat voor mij overeind bleef staan, het lied dat een vriendin me stuurde op de dag van haar dood: ‘We are not alone, we are not alone, we are not alone, God is with us’. Dat lied luisterden we twee jaar geleden keer op keer als we het niet meer zagen zitten. Dat liedje luister ik vandaag weer, omdat ik geloof dat het waar is, ook al zegt mijn gevoel vaak iets anders.

Het tweede jaar door komen

‘Eerst moet je het eerste jaar door zien te komen’, zeiden ze, en dat deden we. ‘Daarna het tweede…’ kwam er direct achteraan. Ik kon er destijds niet over uit dat je hier niet overheen zou kunnen komen. Dat je het niet gewoon kon doorleven en dan achter je laten. Het maakte me kwaad, opstandig en zeer vastberaden om te laten zien dat dat heus wel kan. Maar het verlies van een kind gaat dieper dan ik dacht. Verdriet kruipt waar het niet gaan kan.

Het is weer lente. Het is heerlijk weer en er zijn weer andere geuren en kleuren buiten. ‘Kijk mam, er zijn alweer narcissen.’ zegt mijn dochter blij. Ik hum dat ik ze ook zie. Het was me al eerder opgevallen deze week en het geeft me een beklemmend gevoel. Narcissen doen me direct aan Amanda denken. Ze groeiden overal toen ik zwanger van haar was.

Vandaag twee jaar geleden gingen we naar het ziekenhuis voor een tweede twintigwekenecho. Ik weet het nog zo goed. Na jaren wachten was ik eindelijk zwanger en zó dankbaar dat God ons nog een kindje toevertrouwde én bezorgd omdat een ander dierbaar kleintje het jaar daarvoor bij de twintigwekenecho ernstige afwijkingen had. Ons kindje bleek bij de eerste twintigwekenecho helemaal gezond en de tranen liepen over mijn wangen toen we hoorden dat ze een meisje was.

Toch moesten we naar het ziekenhuis voor een tweede echo. Want helemaal goed was het niet. Ons meisje was te klein. We hielden het nog even voor ons, vierden verjaardagen en probeerden niet bezorgd te zijn. Eerst de tweede echo afwachten. Die week wandelde ik regelmatig door de geuren en de kleuren van de lente, voelde mijn toch best dikke buik, bad, sprak leven en gezondheid, en probeerde niet bezorgd te zijn.

23 februari 2017: Onze dochter groeit inderdaad niet goed. Ik zit in een voorstadium van zwangerschapsvergiftiging en moet aspirine gaan slikken, hoewel dat waarschijnlijk geen zin meer heeft. Verder is er weinig aan te doen. Behalve bidden natuurlijk. We schrijven een mail aan iedereen die dicht bij ons staat met uitleg en gebedsvraag. Ik maak maaltijden om in te vriezen, regel oppasadressen en lees alles wat ik kan vinden over couveusekinderen. Want met 24 weken mag ik weer langs komen voor een groei-echo. Zolang ze blijft groeien, kom ik wekelijks op controle. Als ze niet meer groeit, word ik opgenomen en moet ze waarschijnlijk snel geboren worden. Met alle risico’s vandien.

Ik neem rust ook al zeiden ze dat het geen zin heeft. Ik doe alleen nog het allerbelangrijkste in huis en met de kinderen en verder niets. Ik wil geen spijt krijgen dat ik er niet alles aan heb gedaan om mijn kindje te laten groeien. Ik snuif de geur van de lente, de belofte van nieuw leven. Ik maak elke beweging van mijn kleine meisje zo bewust mogelijk mee. Achteraf is het haar laatste levensmaand.

En nu, twee jaar later, loop en fiets ik weer door lentegeuren. Gisteren nog met mijn hele, niet hele gezin. We gaan gezellig samen eten bij Happietaria en hebben echt plezier. De kinderen zijn blij met een week vakantie en wij zijn blij dat we weer wat ondernemen na een slopend weekje griep.

Daar zit ik dan, met man en vier kinderen. Pijn vlamt op. Ik moet alle zeilen bij zetten om er niet aan te denken, maar voel nog eens extra aan het armbandje met haar naam om mijn pols. Ik voel me kinderachtig en vermaan mezelf: ‘Kom op zeg. Je bent rijk. Je hebt vier grote kinderen om je heen, die met elkaar lachen en stoeien en gekheid uithalen. Die met elkaar omgaan en van elkaar houden, zelfs als een van hen juist nu duidelijke beperkingen laat zien.’

Het lukt aardig. Maar steeds komt er weer een golf van pijn opzetten, terwijl ik lach met mijn dochter die zo duidelijk ouder is geworden en zich al bijna student voelt, net als het vrijwillige personeel dat ons bedient. Ik ben trots op mijn viertal en echt blij met hen. Ik realiseer me dat dit de onomkeerbaarheid is waarmee ik moet leven. Ik kom altijd een kind tekort. Hoe vol mijn tafel ook is. Hoe vol mijn hart ook is met liefde voor deze vier. Ik mis tegelijk mijn vijfde verschrikkelijk en de pijn is net zo hevig als de blijdschap en de dankbaarheid. Het is een ingewikkelde cocktail van emoties. Maar we moeten en komen ook deze laatste maand van het tweede jaar door.