Geloof ik nog

 

Mijn vriendin appte me: ‘Ik zie overal narcissen (paaslelies in haar moedertaal) en denk daardoor bijna dagelijks aan Lily-Amanda’. Het doet me goed dat ze aan haar denkt en het mij vertelt. Ik zie de narcissen ook, maar probeer niet teveel te denken aan drie jaar geleden, toen we ons zo’n zorgen maakten over ons kleine meisje Susan (lelie) Amanda. Ik stel het uit, merk ik en druk de gevoelens die erbij komen weg voor later. Over elf dagen is het drie jaar geleden dat ons leven schipbreuk leed en we als drenkelingen aan land kwamen. Berooid. Ontredderd. Op zoek naar vaste grond.

We werden jutters. Wat is nog bruikbaar van wat we vroeger geloofden? Geloof ik überhaupt nog? Ik weet nog hoe ik mijn Lief zei dat ik het niet meer wist. Hij zei: ‘Ik kijk naar wat er vroeger is gebeurd. Jij zat in een rolstoel en je bent genezen. We hebben andere wonderen meegemaakt. We hebben regelmatig gemerkt dat God er was. Dus ik kies er gewoon maar voor om te geloven en dan zie ik over drie jaar wel weer verder.’

Ik was verbaasd maar vooral heel erg gerustgesteld door zijn woorden. Hij weet het ook niet, maar maakt een keuze. Omdat ik niets beters kon verzinnen besloot ik hetzelfde te doen. In deze staat van ontreddering moet je geen levens veranderende beslissingen nemen, ook niet over wat je gelooft, maar overleven, doorgaan, wandelen door het dal vol schaduw van haar dood.

Nu is het zover. We zijn we bijna drie jaar verder. Wat geloof ik nog? Ik schrijf er een boek over met de voorlopige titel: God is met ons? Geloven in het dal. Hij is God, groter dan je je voor kan stellen. Hij ziet het hele plaatje waar ik hooguit 0,001% van kan zien en toch is Hij dichtbij, om mij, onder mij. Die armen waarover we op het geboorte-rouwkaartje schreven dat ze ons voor eeuwig dragen. Die eeuwige armen zijn om mij heen. Om jou heen.

Gisteren zongen we in de kerk een lied dat ik de afgelopen drie jaar vermeed: ‘Oceans’. Dat lied deed mij kort na Amanda’s dood beseffen dat ik het niet meer wou: mezelf aan God toevertrouwen. Toen ik dat ontdekte, worstelde ik maandenlang met ongeloof en koppigheid. Spirit lead me where my trust is without borders. Let me walk upon the waters, wherever you would call me? Nee! Schreeuwde ik in stilte. Nee! Niet als dat betekent dat er nog een kind sterft. Ik weiger dat. Deze hel wil ik nooit meer doormaken.

Op een bijzondere manier kwam ik erachter dat Jezus me toch bleef uitnodigen om bij Hem te komen. Ik schreef er een lied over dat ik vervolgens steeds weer zong. Ik kwam erachter dat ik God vertrouwde voor leven, voor toekomst hier. Maar gaandeweg besefte ik dat het gaat om God te vertrouwen, wat er ook gebeurt. Ik leerde mijzelf, mijn Lief en al mijn kinderen toevertrouwen aan Hem. Amanda is veilig bij Hem. Mijn andere gezinsleden zijn ook veilig bij Hem, al weet ik niet of dat betekent dat ze hier lang zullen leven.

Gisteren zongen we ‘Oceans’ weer. Ik realiseerde me dat ik nu dieper dan vroeger geloof dat ik en wij veilig zijn, wat er ook gebeurt. Zelfs al gebeuren de ergste dingen, zoals dat je kind sterft – en wil ik dat nog steeds niet nog een keer meemaken. Toch, in the presence of my savior, loop ik bij wijze van spreken weer op het water. Ik geloof dat God leidt, liefheeft, aanwezig is. Niet om elke storm tegen te houden of elk dal te slechten, hoewel Hij dat ook kan en doet. Maar om te wandelen door het dal, in de storm. Hij is met ons.

Nu de paaslelies weer bloeien en me herinneren aan de periode van angstige verwachting drie jaar geleden, de Dag van Afschuw op 20 maart, de Stille Tussendag en de Dag van Verwondering op 22 maart, de start van een totaal ander leven voor mij en mijn Lief, realiseer ik me dat hij gelijk had. Over drie jaar zien we wel weer en ontdekken we dat we nog geloven. God ís met ons.

zie ook: Welkom heten
en: Zegen dit zooitje

Het tweede jaar door komen

‘Eerst moet je het eerste jaar door zien te komen’, zeiden ze, en dat deden we. ‘Daarna het tweede…’ kwam er direct achteraan. Ik kon er destijds niet over uit dat je hier niet overheen zou kunnen komen. Dat je het niet gewoon kon doorleven en dan achter je laten. Het maakte me kwaad, opstandig en zeer vastberaden om te laten zien dat dat heus wel kan. Maar het verlies van een kind gaat dieper dan ik dacht. Verdriet kruipt waar het niet gaan kan.

Het is weer lente. Het is heerlijk weer en er zijn weer andere geuren en kleuren buiten. ‘Kijk mam, er zijn alweer narcissen.’ zegt mijn dochter blij. Ik hum dat ik ze ook zie. Het was me al eerder opgevallen deze week en het geeft me een beklemmend gevoel. Narcissen doen me direct aan Amanda denken. Ze groeiden overal toen ik zwanger van haar was.

Vandaag twee jaar geleden gingen we naar het ziekenhuis voor een tweede twintigwekenecho. Ik weet het nog zo goed. Na jaren wachten was ik eindelijk zwanger en zó dankbaar dat God ons nog een kindje toevertrouwde én bezorgd omdat een ander dierbaar kleintje het jaar daarvoor bij de twintigwekenecho ernstige afwijkingen had. Ons kindje bleek bij de eerste twintigwekenecho helemaal gezond en de tranen liepen over mijn wangen toen we hoorden dat ze een meisje was.

Toch moesten we naar het ziekenhuis voor een tweede echo. Want helemaal goed was het niet. Ons meisje was te klein. We hielden het nog even voor ons, vierden verjaardagen en probeerden niet bezorgd te zijn. Eerst de tweede echo afwachten. Die week wandelde ik regelmatig door de geuren en de kleuren van de lente, voelde mijn toch best dikke buik, bad, sprak leven en gezondheid, en probeerde niet bezorgd te zijn.

23 februari 2017: Onze dochter groeit inderdaad niet goed. Ik zit in een voorstadium van zwangerschapsvergiftiging en moet aspirine gaan slikken, hoewel dat waarschijnlijk geen zin meer heeft. Verder is er weinig aan te doen. Behalve bidden natuurlijk. We schrijven een mail aan iedereen die dicht bij ons staat met uitleg en gebedsvraag. Ik maak maaltijden om in te vriezen, regel oppasadressen en lees alles wat ik kan vinden over couveusekinderen. Want met 24 weken mag ik weer langs komen voor een groei-echo. Zolang ze blijft groeien, kom ik wekelijks op controle. Als ze niet meer groeit, word ik opgenomen en moet ze waarschijnlijk snel geboren worden. Met alle risico’s vandien.

Ik neem rust ook al zeiden ze dat het geen zin heeft. Ik doe alleen nog het allerbelangrijkste in huis en met de kinderen en verder niets. Ik wil geen spijt krijgen dat ik er niet alles aan heb gedaan om mijn kindje te laten groeien. Ik snuif de geur van de lente, de belofte van nieuw leven. Ik maak elke beweging van mijn kleine meisje zo bewust mogelijk mee. Achteraf is het haar laatste levensmaand.

En nu, twee jaar later, loop en fiets ik weer door lentegeuren. Gisteren nog met mijn hele, niet hele gezin. We gaan gezellig samen eten bij Happietaria en hebben echt plezier. De kinderen zijn blij met een week vakantie en wij zijn blij dat we weer wat ondernemen na een slopend weekje griep.

Daar zit ik dan, met man en vier kinderen. Pijn vlamt op. Ik moet alle zeilen bij zetten om er niet aan te denken, maar voel nog eens extra aan het armbandje met haar naam om mijn pols. Ik voel me kinderachtig en vermaan mezelf: ‘Kom op zeg. Je bent rijk. Je hebt vier grote kinderen om je heen, die met elkaar lachen en stoeien en gekheid uithalen. Die met elkaar omgaan en van elkaar houden, zelfs als een van hen juist nu duidelijke beperkingen laat zien.’

Het lukt aardig. Maar steeds komt er weer een golf van pijn opzetten, terwijl ik lach met mijn dochter die zo duidelijk ouder is geworden en zich al bijna student voelt, net als het vrijwillige personeel dat ons bedient. Ik ben trots op mijn viertal en echt blij met hen. Ik realiseer me dat dit de onomkeerbaarheid is waarmee ik moet leven. Ik kom altijd een kind tekort. Hoe vol mijn tafel ook is. Hoe vol mijn hart ook is met liefde voor deze vier. Ik mis tegelijk mijn vijfde verschrikkelijk en de pijn is net zo hevig als de blijdschap en de dankbaarheid. Het is een ingewikkelde cocktail van emoties. Maar we moeten en komen ook deze laatste maand van het tweede jaar door.