Ze staat erbij

‘Met een lach en een traan. Ze staat erbij.’ Dat mailt mijn Lief bij het doorgestuurde bericht dat hij van de gemeente kreeg.

Onze dochter staat in de basisregistratie personen. Ze is als bestaand persoon erkend, ons vijfde kind. Ze is nog even dood als eerst, maar nog altijd ons kind en nu staat dat ook zwart op wit. Ze is een dochter en een zus.

Erkenning. Wat is dat toch belangrijk. Ik weet niet precies waarom, behalve dat het belangrijk is en ervoor zorgt dat er ruimte komt, ook voor andere emoties dan verdriet. En in dit geval is erkenning fijn omdat het gewoon pijnlijk is als ze er niet bij staat als expliciet opgesomd wordt wie onze kinderen zijn.

Bepalen mijn kinderen mijn identiteit? Nee, ik geloof dat dat niet meer zo het geval is. Maar ze maken wel deel uit van wie ik ben. Dat heeft de pijn van het verlies van Amanda me wel duidelijk gemaakt. Die pijn gaat dieper dan ik dacht dat kon. Die pijn is regelmatig lijfelijk aanwezig.

Nog steeds kunnen we aan tafel gaan zitten om te eten en check ik of iedereen er is en vlamt ineens heftige paniek op. Er klopt iets niet. Ik maan mezelf tot kalmte, tel rustig opnieuw en realiseer me dat ik haar wéér heb meegeteld terwijl ze er inmiddels langer niet dan wel is. Wat is dat toch apart. Mijn lijf weet beter wie bij me hoort dan m’n verstand.

Ze hoort er dus bij, is deel van mij. Ze is mijn dochter en nu staat ze er dan eindelijk bij in onze kinderrij. Wat een heerlijk en verdrietig gevoel geeft dat.

Met een lach en een traan. Ze staat erbij.

We are not alone

Het is twee jaar geleden vandaag dat we de meest vreselijke boodschap hoorden die je maar kan krijgen over je kind: ‘Het spijt me, …’

De dood kwam nog nooit zo dichtbij. Binnenin mij was onze dochter gestorven.

Onze dochter is nog steeds gestorven. Wij zijn ouders van een overleden kind. En wat dat betekent, weet je niet als je het net gehoord hebt. Wij dachten dat dit iets was wat je even verwerkt. Waar je even doorheen moet, wat je moet doorstaan. We realiseerden ons niet dat als je kind sterft, er een hele toekomst sterft en je de rest van je leven ouders blijft van een persoon die je niet kunt leren kennen. Een meisje dat deel uitmaakt van je gezin zonder dat ze erbij is. Dat is werkelijk heel apart en pijnlijk. Maar je zult er mee moeten leren leven, dus dat zijn we maar gaan doen. Daar zijn we mee bezig.

‘Je moet ruimte houden’, zeiden mensen die het konden weten tegen ons. Houd ruimte voor de momenten waarop verdriet je ineens overvalt. Zodat je dat even toe kunt laten als dat nodig is. Dat deden we. De eerste weken wandelden we elke dag. Samen. We probeerden te vertellen wat we dachten en voelden, voor zover we wisten wat we dachten en voelden. We probeerden te blijven communiceren zodat we in elk geval open lijnen hadden tussen ons.

Ik dank God nog steeds voor dat heldere moment vlak na de doodstijding. Ik was zo bang dat ons huwelijk dit, na alles wat we al hadden meegemaakt, alsnog de kop zou kosten. Ik besefte dat het cruciaal was om te rouwen zoals ik nodig had en hem de ruimte te geven om te rouwen zoals hij nodig had én daarbij te blijven vertellen wat ik denk en voel, zonder te verwachten dat hij hetzelfde denkt, hetzelfde ervaart. We gaven elkaar de ruimte terwijl we wel steeds mededeelzaam probeerden te zijn. We ontdekten dat we toch veel gevoelens en gedachten deelden, ook al uitten we ons heel verschillend.

Vandaag wandelden we weer en herinnerden elkaar aan twee jaar geleden. Hoe we toen wandelden en niet wisten hoe we verder moesten. Hoe verdriet nog steeds op de vreemdste momenten de kop op steekt. Hoe alles wat we geloofden overhoop werd gehaald en we helemaal opnieuw ons geloof, ons doel, onze identiteit terug moesten vinden en alle vanzelfsprekendheid verdwenen was.

Eigenlijk was het enige wat voor mij overeind bleef staan, het lied dat een vriendin me stuurde op de dag van haar dood: ‘We are not alone, we are not alone, we are not alone, God is with us’. Dat lied luisterden we twee jaar geleden keer op keer als we het niet meer zagen zitten. Dat liedje luister ik vandaag weer, omdat ik geloof dat het waar is, ook al zegt mijn gevoel vaak iets anders.

Terug bij af

We zijn weer terug bij af. Zo voelt het tenminste. Maar het is niet zo.
Maar toch voelt het zo.

We zijn weer terug bij af. Twee jaar geleden waren we vol blijde verwachting. En we vroegen ons af waar het kleintje moest slapen. Wat de andere kinderen nodig hadden. Kind voor kind bespraken we. En we kwamen op een plan dat waarschijnlijk voor alle vijf het beste was. Er kwam een aparte babykamer. Twee kinderen kwamen bij elkaar op de kamer. En de andere twee kregen elk een eigen kamer op zolder. We begonnen na de kerstdagen al met de verhuizing, zodat we in de meivakantie, mocht het zo niet blijken te werken, de boel nog konden veranderen.

Twee maanden later werd ze ineens al geboren. Veel te vroeg. In maart. Terwijl ze al in de volgende wereld was, kwam ze in deze wereld. Wat een geluk bij een ongeluk dat we er al zo vroeg bij waren geweest en de kamers al omgegooid waren. Dat er een babykamer was waar de wieg kon staan, waar we haar op konden baren, bekijken, vasthouden.

Na de begrafenis werd dit kamertje een plek om bij haar stil te staan. Om even te huilen. Even het gevoel te hebben dat we dicht bij haar konden zijn. Het was fijn om zo’n plek te hebben en ieder van ons ging er zo nu en dan even naartoe.

Maar als je vier levende kinderen hebt en vier slaapkamers te verdelen, is het op een gegeven moment tijd om elk kind weer een eigen kamer te geven, vonden wij. En dus ruimden we een jaar geleden in de tijd tussen kerst en oud en nieuw de kamer van Amanda op.

En het was goed. Het is fijn dat elk van onze kinderen hier een eigen plek heeft en Amanda heeft geen eigen kamer nodig. En wij hadden die kamer ook niet perse nodig al was het moeilijk om er afstand van te doen omdat het voelde alsof we opnieuw afstand van haar deden.

Afgelopen jaar bleek het nodig om de kamers nogmaals opnieuw in te delen en afgelopen dagen, opnieuw na kerst, hebben we dat gedaan. Nu is het weer bijna hetzelfde als voordat Amanda er was. En vandaag, nu het meeste werk gedaan is, besef ik pas hoeveel verdriet me het eigenlijk doet. Naast dat het ook gewoon oudejaarsdag is, we de kerstdagen hebben gehad en het gewoon zo incompleet blijft voelen om ‘gezellig met z’n allen’ kerst en oud en nieuw te vieren.

We zijn weer terug bij af. Ons huis is weer zo’n beetje zoals het was voordat Amanda kwam. Elk kind heeft een eigen kamer. Een plek die bij hem of haar past. Waar het zich kan ontwikkelen, terug kan trekken, op kan laden. En het is goed en het is niet goed. Het is goed omdat het hopelijk de kinderen ten goede komt. Maar ik voel me zo gebroken en verdrietig. Eigenlijk nam ik op de een of andere manier weer een beetje meer afscheid van dat kleine meisje dat we zo verschrikkelijk missen.

Als ik Amanda zo mis, dan ga ik meestal maar weer bidden. Omdat God weet hoe het met haar gaat. Omdat hij dichtbij haar is. En omdat ik niet meer voor haar kan bidden zoals ik dat voor mijn andere kinderen doe (ze heeft per slot van rekening ook dat niet meer nodig), zei ik: “dank U wel dat ze het fijner heeft dan waar ook ter wereld. Dat het zo ontzettend goed met haar gaat”. En ik bedenk me nu pas: “dat zij haar eigen kamer eigenlijk ook al heeft”.

Hmm. Misschien zijn we toch niet zo terug bij af als het voelt. We zijn natuurlijk sowieso verder gegaan en niet teruggegaan, maar dit gaat dieper al vind ik het moeilijk te accepteren: Misschien zijn we nu wel ieder precies waar we zijn moeten, op dit moment in time and space.

Het is oudejaarsdag vandaag. Vanavond gaan we weer danken voor het afgelopen jaar en bidden voor het nieuwe. Ieder van ons heeft dingen opgeschreven en vanavond gaan we het met elkaar doornemen, herinneringen ophalen en het nieuwe jaar en onszelf in Gods handen leggen. Daarna steken we weer vuurwerk af en wensen we elkaar gelukkig nieuwjaar. Ik vond het vorig jaar vreselijk moeilijk en vandaag zie ik er eigenlijk ook heel erg tegenop. Omdat zij er weer niet bij is en ik niet met een peuter op mijn arm voor het raam zal staan kijken dit jaar.

Vorig jaar bedacht ik me tijdens het kijken naar het vuurwerk: zou ze het kunnen zien? Is dat iets waar we allebei van zullen genieten? Ik weet het niet en ik verzucht: Heer, doet U Amanda alstublieft de groeten. Ik hou van haar en ik mis haar. En doordat zij hier geweest is, zijn we in elk geval niet terug bij af. Maar we gaan gewoon maar weer verder. Ieder op zijn eigen plek.

Al hebben je voetjes niet gelopen

For English click here

Ik ben vandaag begonnen met een Baby-album ter herinnering aan Amanda. Ik schreef zo mooi ik kon haar namen op, haar geboortedatum, sterfdatum en de datum waarop ze begraven werd. Toen dacht ik aan de foto die we gisteren hadden nabesteld. Ik plakte er één van onder haar naam. Het is een foto van een afdruk van haar voetjes. Ik schreef er het volgende gedichtje bij:

Al hebben je voetjes niet gelopen
zelfs niet bewogen
toen je kwam.

Toch ben je onze wereld in geslopen
hebt ons bewogen
zette ons in vlam.

Je hebt een afdruk nagelaten
een spoor dat onuitwisbaar is
Ik kan er uren over praten,
zo groot is ons geluk en ons gemis.

Ons geluk, want je was welkom, prachtig en perfect.
We hebben zo vaak zitten danken voor je, jij was een geschenk.
En ons gemis, want wat hadden we je graag hier op zien groeien
Je zien spelen en je met de andere kinderen zien stoeien.

Jou toevertrouwen aan de aarde waaruit God je had gevormd was het moeilijkste wat er is.
Maar hoe klein je ook was, jouw kwetsbaar bestaan was tegelijk jouw krachtige getuigenis.

Je bewees het bestaan van een Schepper.
Zo wonderlijk mooi werd je gevormd in mijn schoot.
Je bewees het bestaan van Liefde.
Zo diep is onze trots en onze rouw sinds jouw dood.

Al hebben je voetjes niet gelopen
zelfs niet bewogen
toen je kwam
Toch liet je een afdruk achter,
een spoor,
en mijn hart getuigt ervan.