Bereaved Mothers’ day

Volgende week is het weer moederdag. Een dag waarop veel moeders even het stralende middelpunt zijn en ontbijt en zelfgemaakte cadeautjes krijgen. Een dag waarop de pijn van de kinderen die er niet meer zijn of die er nooit zijn gekomen, ook scherp naar voren komt.

Ik vind Moederdag best ingewikkeld. Ik ben heel erg blij met de kinderen die in mijn huis opgroeien. Ik geniet ervan ze te koesteren, onderwijzen, coachen, verzorgen, plezier met ze te maken en te zien hoe ze langzaam maar zeker zelfstandige mensen worden met een eigen identiteit. Het ontroert me en maakt me nederig: ‘Wow, is dit werkelijk míjn kind?’

Maar juist door stil te staan bij mijn moederschap, vlamt automatisch het gemis op van het kind dat er niet meer is. Het kind voor wie ik niets meer kan doen en dat ik niet zie opgroeien tot een autonoom persoon. Dat is echt vervelend. Vooral op Moederdag, als je levende kinderen zo hun best voor je doen. Dan wil ik me eigenlijk niet bezighouden met mijn overleden kind, maar gewoon genieten van zij die hier zijn. Het voelt alsof ik mijn levende kinderen onrecht aan doe om juist op zo’n dag aan Amanda te denken. Dus doe ik erg mijn best om me vooral op de levenden te richten.

Je kunt natuurlijk niet helemaal voorkomen dat heftig verdriet ineens de kop op steekt. Maar misschien helpt het wel om er op een ander moment ruimte aan te geven. Dat las ik vanmorgen toen ik het gevoel had dat ik iets moest schrijven over vandaag. Vandaag is het namelijk International bereaved mothers’ day. Deze dag er is om speciaal bij je overleden kinderen stil te staan, bij je miskramen, of bij je verdriet dat je, ondanks dat je er zo ontzettend voor gebeden en op gehoopt hebt, nooit moeder bent geworden.

Bereaved mother’s day is Moederdag voor hen die hun kinderen zijn verloren en voor hen die geen kinderen kregen terwijl ze er wanhopig naar verlangden. Een dag om bij je overleden kindje stil te staan, bij de miskramen die je had, bij je ongewenste kinderloosheid. Een dag om een bereaved mother een hart onder de riem te steken en nog eens extra duidelijk te maken dat ook zij kostbaar is en geliefd.

Iemand schreef over vandaag iets met de volgende strekking: ‘Als we vandaag stilstaan bij wat we verloren hebben, kunnen we volgende week op Moederdag oprecht blij zijn met wat we wel hebben’. Ik weet niet of dat echt zo werkt. Vorig jaar schreef ik over Moederdag dat ik evenveel moeder ben van mijn levende kinderen als van mijn overleden kindje. Mijn hart maakt geen onderscheid.

Toch ga ik het proberen. We hadden toevallig al afgesproken om vanmiddag even naar het graf te gaan om de nieuwe plank neer te leggen. De oude is onleesbaar geworden, de grafsteen moet nog steeds besteld, en tijdens onze vakantie afgelopen week was er een mogelijkheid om hout te branden en hebben mijn Lief en ik samen een nieuwe plank gemaakt. Komt dat even goed uit.

Vandaag probeer ik stil te staan bij mijn moederschap van Amanda en bij de miskraam die ik had en vandaag bid ik voor de vrouwen die ik ken die geen kinderen konden krijgen, die miskramen hadden, of die net als ik een kind kregen dat overleed. Hoe zeg je dat? ‘Happy bereaved mothers’ day?’ Laat ik het zo zeggen:

Lieve vrouw. Je bent geliefd, gezien en kostbaar en ook jouw verdriet is kostbaar. Sta er vandaag nog eens bij stil als je de kans hebt. Het mag er zijn. Juist vandaag.

plank Amanda

Aanwezig in afwezigheid

Ik wil een boek schrijven. Ter voorbereiding haalde ik stapels boeken uit de bieb over rouwen en de dood. Geen gezellig onderwerp en erover lezen doet me veel. Zo word ik er onder andere heel kwaad van. Maar ik weet nog niet precies waarom. Ben ik kwaad op de dood? Op hoe mensen reageren? Op het feit dat mijn kinderen hiermee moeten leven terwijl ik ze zo graag alle leed bespaar? Op mijn lege armen en lege buik? Op God?

Het speelt allemaal een rol, denk ik. Het lezen van deze boeken haalt heel wat naar boven. Dus waarom doe ik het eigenlijk? Nou, ik word er niet alleen boos om, ik kom er ook achter waar ik het zelf over wil hebben en ik vind herkenning. Het is erg prettig om dingen te lezen die woorden geven aan wat er sluimert onder de oppervlakte. Zoals het gevoel dat Amanda er is in afwezigheid.

Marinus van de Berg gebruikt in zijn boek: Verdriet dat niet verdwijnt de term ‘levenslooplang’. Hij zegt: “Ik wil ermee aangeven dat je de dood van een kind – of van kinderen – de rest van je leven met je meedraagt als een niet te vergeten gebeurtenis. Philip Freriks heeft in zijn boek Jantje geschreven over zijn broer die aan het eind van de oorlog werd doodgeschoten. Wie zoals hij heel jong een broer heeft verloren, heeft bij het ouder-worden steeds meer momenten waarop die broer er had kunnen zijn, maar er niet is. Hij is er in de afwezigheid: levenslooplang. Dat beïnvloedt je leven meer dan je denkt.”

Ik schold inwendig toen ik dit las. Dit is wat ik zie bij mijn levende kinderen. De dood van hun zusje beïnvloedt hen meer dan ik denk en vooral: dan hun omgeving denkt. In elke ontwikkelingsfase duiken nieuwe gedachten, vragen en emoties op. Moeten ze als het ware opnieuw leren leven met het gemis. Ze zijn er niet voortdurend mee bezig, maar het maakt wel deel uit van hun leven en hun ontwikkeling. Dat komt op sommige momenten indringend naar voren en ik vind het moeilijk om mijn kind zo te zien, zeker omdat het iets is waar ik helemaal niets aan kan veranderen.

Een van de eerste dingen die ik dacht toen we erachter kwamen dat onze dochter was overleden, was: ‘Hoe vertel ik het mijn kinderen?’ ‘Hoe moeten zij daar mee leven?!’ Woest was ik. Dat ik zoiets mee moest maken was nog tot daar aan toe. Maar mijn kinderen? Nee! Ik wil mijn kinderen koste wat kost beschermen tegen leed, verdriet, ellende. En dat kon ik dus niet. Het was niet terug te draaien. Nog steeds kan ik er niets aan veranderen. Ze moeten er mee leren leven dat hun zusje er is in haar afwezigheid.

Hoe ik ze kan helpen om dat te doen, daar hoop ik wijzer in te worden en dus ben ik blij dat er boeken over geschreven zijn. Naarmate mijn kinderen ouder worden, realiseren ze zich steeds meer wat ze missen. Ze vragen zich af hoe het zou zijn geweest met haar erbij. Dus ook al is Amanda er niet, toch is ze er op een bepaalde manier. Het is fijn om dat nu te kunnen benoemen: zij is er in haar afwezigheid.

Wandelen

wandelen

Een flinke wandeling herinnert me eraan: periodes in mijn leven komen en gaan. Zoals ik de ene voet voor de andere zet en gestaag doorwandel totdat ik vermoeid weer thuis ben, zo gaat in het leven ook de ene periode over in de andere. Of, zoals een oudere moeder tegen me zei toen ik met vier kleine, zeer levendige, kinderen thuis was en me overweldigd voelde: ‘this too shall pass’.

Ik wandelde net voor de zoveelste keer ‘m’n wandelingetje’. Vrijwel dagelijks loop ik een rondje door de polder bij mij in de buurt. Vaak een halfuurwandeling over asfalt langs het water, maar als ik meer tijd en energie heb, neem ik een langere route, over de zandpaadjes.

Dat doe ik vandaag. Door de zon is de meeste modder opgedroogd en vandaag heb ik eigenlijk alleen maar ruimte in mijn hoofd om te overdenken wat er de afgelopen weken allemaal is gebeurd. Ik besluit er de tijd voor te nemen. Ik wandel en laat mijn gedachten gaan. Opnieuw leren mijn vermoeide voeten mij dat ook deze huildag weer voorbij gaat. Zoals mijn benen meters maken over modderige stukjes, oneffen paden, plotselinge windvlagen of onverwachte warmte, zo gaat ook mijn leven door. Adem in, adem uit. Van de ene situatie in de andere en overal komt een einde aan. Net als aan mijn wandeling.

In de bijbel wordt het leven vaak vergeleken met een weg die je afloopt. Toen onze dochter overleden bleek te zijn en ik van haar moest gaan bevallen, zei iemand ons, op basis van Psalm 23: ‘Je moet wandelen door het dal. Je moet er niet in gaan zitten. Je moet er niet door heen hollen. Je moet erdoorheen lopen.’ Op de een of andere manier gaf dat een handvat voor waarin we ons bevonden. Het dal van de schaduw van de dood. Nou ja, schaduw van de dood… Het is maar hoe je het bekijkt. Onze dochter was werkelijk dood. Wij niet. Wij kwamen dus eigenlijk in de schaduw van háár dood, niet die van onszelf, te wandelen. Dat dat een dal was, was duidelijk en dat er een einde aan zou komen, leek toen volkomen logisch, maar na verloop van maanden niet meer. Toen voelde het alsof er nooit een einde aan kwam.

Maar zoals aan elke wandeling een einde komt, komt aan het leven een einde en ook aan seizoenen en periodes in ons leven. In de vele rouwboeken en -artikelen die ik las, trof één zin me bijzonder hard: ‘ons leven is een aaneenschakeling van verliezen’. Wat is dat waar en dat gaat niet alleen over de dood of over uitsluitend verdrietige dingen. Verlies is iets waar iedereen mee moet leren leven.

Deze wandeling herinnert me daaraan. 22 maart was het twee jaar geleden dat Amanda geboren werd. 20 maart bleek ze overleden te zijn en 27 maart hebben we haar begraven. Deze dagen vielen tussen allerlei dagelijkse beslommeringen en speciale gebeurtenissen zoals een vrijgezellenfeest, een promotiefilmpje maken voor mijn boek, mijn lief die een paar dagen van huis was. Eigenlijk heb ik maar weinig tijd gehad om echt bij haar stil te staan, al hadden we op haar sterf- en geboortedag vrij genomen.

We hebben – jawel – gewandeld op haar sterfdag. Lang en flink. Op haar geboortedag gingen we naar de begraafplaats. ’s Ochtends samen, om opnieuw over een grafsteen na te denken en haar grafje netjes te maken. ’s Middags met de kinderen. Kaarsje met een ‘2’ aangestoken, sterretjes gebrand, mijn lief gaf een kleine speech. Huilen, elkaar omarmen, omgaan met de verschillende reacties van verschillende kinderen die nu eenmaal de dingen elk op hun eigen jongens- dan wel meisjesachtige manier beleven in hun eigen ontwikkelingsfase. Het was uitputtend en mooi.

Daarna gingen we uit eten. Net als vorig jaar. Hiep hoi. Lekker uit eten, want onze dochter is twee jaar geworden. Ik bedoel: Onze dochter had twee jaar moeten worden. O nee, als ze op tijd geboren was, was ze nu nog geen twee geweest. Het moet zijn: onze dochter werd twee jaar geleden levenloos geboren en ondanks ons verdriet zijn we toch blij dat ze deel uitmaakt van ons gezin en daarom doen we vandaag haar bestaan eer aan door met elkaar haar korte leven een soort van te vieren.

Het was ook dit jaar moeilijk en vreemd om de geboortedag te vieren van iemand die er niet meer is, die we zelfs niet echt hebben kunnen leren kennen. Maar het was toch anders dan vorig jaar. Rouw was weer even rauw, maar toch niet zo rauw als vorig jaar. Al kan rouw me soms nog steeds rauw op mijn dak vallen, de periodes ertussen worden langer.

Misschien ben ik niet echt uit het dal, toch ben ik door dat dal aan het lopen en leer mijn verdriet figuurlijk uit te wandelen. Al zal het misschien wel nooit totaal verdwijnen, het raakt wel meer verweven met wie ik ben en er zijn periodes, tijden, momenten. Net zoals in mijn fysieke wandeling het pad me langs modder en rotzooi en moeiten brengt, maar ook langs prachtige uitzichten, zachte briesjes, momenten van besef dat ik het niet alleen hoef te doen en dat er een einde aan komt. Ik denk dat ik morgen maar weer ga wandelen.

sterretjes twee jaar

grafje

We are not alone

Het is twee jaar geleden vandaag dat we de meest vreselijke boodschap hoorden die je maar kan krijgen over je kind: ‘Het spijt me, …’

De dood kwam nog nooit zo dichtbij. Binnenin mij was onze dochter gestorven.

Onze dochter is nog steeds gestorven. Wij zijn ouders van een overleden kind. En wat dat betekent, weet je niet als je het net gehoord hebt. Wij dachten dat dit iets was wat je even verwerkt. Waar je even doorheen moet, wat je moet doorstaan. We realiseerden ons niet dat als je kind sterft, er een hele toekomst sterft en je de rest van je leven ouders blijft van een persoon die je niet kunt leren kennen. Een meisje dat deel uitmaakt van je gezin zonder dat ze erbij is. Dat is werkelijk heel apart en pijnlijk. Maar je zult er mee moeten leren leven, dus dat zijn we maar gaan doen. Daar zijn we mee bezig.

‘Je moet ruimte houden’, zeiden mensen die het konden weten tegen ons. Houd ruimte voor de momenten waarop verdriet je ineens overvalt. Zodat je dat even toe kunt laten als dat nodig is. Dat deden we. De eerste weken wandelden we elke dag. Samen. We probeerden te vertellen wat we dachten en voelden, voor zover we wisten wat we dachten en voelden. We probeerden te blijven communiceren zodat we in elk geval open lijnen hadden tussen ons.

Ik dank God nog steeds voor dat heldere moment vlak na de doodstijding. Ik was zo bang dat ons huwelijk dit, na alles wat we al hadden meegemaakt, alsnog de kop zou kosten. Ik besefte dat het cruciaal was om te rouwen zoals ik nodig had en hem de ruimte te geven om te rouwen zoals hij nodig had én daarbij te blijven vertellen wat ik denk en voel, zonder te verwachten dat hij hetzelfde denkt, hetzelfde ervaart. We gaven elkaar de ruimte terwijl we wel steeds mededeelzaam probeerden te zijn. We ontdekten dat we toch veel gevoelens en gedachten deelden, ook al uitten we ons heel verschillend.

Vandaag wandelden we weer en herinnerden elkaar aan twee jaar geleden. Hoe we toen wandelden en niet wisten hoe we verder moesten. Hoe verdriet nog steeds op de vreemdste momenten de kop op steekt. Hoe alles wat we geloofden overhoop werd gehaald en we helemaal opnieuw ons geloof, ons doel, onze identiteit terug moesten vinden en alle vanzelfsprekendheid verdwenen was.

Eigenlijk was het enige wat voor mij overeind bleef staan, het lied dat een vriendin me stuurde op de dag van haar dood: ‘We are not alone, we are not alone, we are not alone, God is with us’. Dat lied luisterden we twee jaar geleden keer op keer als we het niet meer zagen zitten. Dat liedje luister ik vandaag weer, omdat ik geloof dat het waar is, ook al zegt mijn gevoel vaak iets anders.

Het tweede jaar door komen

‘Eerst moet je het eerste jaar door zien te komen’, zeiden ze, en dat deden we. ‘Daarna het tweede…’ kwam er direct achteraan. Ik kon er destijds niet over uit dat je hier niet overheen zou kunnen komen. Dat je het niet gewoon kon doorleven en dan achter je laten. Het maakte me kwaad, opstandig en zeer vastberaden om te laten zien dat dat heus wel kan. Maar het verlies van een kind gaat dieper dan ik dacht. Verdriet kruipt waar het niet gaan kan.

Het is weer lente. Het is heerlijk weer en er zijn weer andere geuren en kleuren buiten. ‘Kijk mam, er zijn alweer narcissen.’ zegt mijn dochter blij. Ik hum dat ik ze ook zie. Het was me al eerder opgevallen deze week en het geeft me een beklemmend gevoel. Narcissen doen me direct aan Amanda denken. Ze groeiden overal toen ik zwanger van haar was.

Vandaag twee jaar geleden gingen we naar het ziekenhuis voor een tweede twintigwekenecho. Ik weet het nog zo goed. Na jaren wachten was ik eindelijk zwanger en zó dankbaar dat God ons nog een kindje toevertrouwde én bezorgd omdat een ander dierbaar kleintje het jaar daarvoor bij de twintigwekenecho ernstige afwijkingen had. Ons kindje bleek bij de eerste twintigwekenecho helemaal gezond en de tranen liepen over mijn wangen toen we hoorden dat ze een meisje was.

Toch moesten we naar het ziekenhuis voor een tweede echo. Want helemaal goed was het niet. Ons meisje was te klein. We hielden het nog even voor ons, vierden verjaardagen en probeerden niet bezorgd te zijn. Eerst de tweede echo afwachten. Die week wandelde ik regelmatig door de geuren en de kleuren van de lente, voelde mijn toch best dikke buik, bad, sprak leven en gezondheid, en probeerde niet bezorgd te zijn.

23 februari 2017: Onze dochter groeit inderdaad niet goed. Ik zit in een voorstadium van zwangerschapsvergiftiging en moet aspirine gaan slikken, hoewel dat waarschijnlijk geen zin meer heeft. Verder is er weinig aan te doen. Behalve bidden natuurlijk. We schrijven een mail aan iedereen die dicht bij ons staat met uitleg en gebedsvraag. Ik maak maaltijden om in te vriezen, regel oppasadressen en lees alles wat ik kan vinden over couveusekinderen. Want met 24 weken mag ik weer langs komen voor een groei-echo. Zolang ze blijft groeien, kom ik wekelijks op controle. Als ze niet meer groeit, word ik opgenomen en moet ze waarschijnlijk snel geboren worden. Met alle risico’s vandien.

Ik neem rust ook al zeiden ze dat het geen zin heeft. Ik doe alleen nog het allerbelangrijkste in huis en met de kinderen en verder niets. Ik wil geen spijt krijgen dat ik er niet alles aan heb gedaan om mijn kindje te laten groeien. Ik snuif de geur van de lente, de belofte van nieuw leven. Ik maak elke beweging van mijn kleine meisje zo bewust mogelijk mee. Achteraf is het haar laatste levensmaand.

En nu, twee jaar later, loop en fiets ik weer door lentegeuren. Gisteren nog met mijn hele, niet hele gezin. We gaan gezellig samen eten bij Happietaria en hebben echt plezier. De kinderen zijn blij met een week vakantie en wij zijn blij dat we weer wat ondernemen na een slopend weekje griep.

Daar zit ik dan, met man en vier kinderen. Pijn vlamt op. Ik moet alle zeilen bij zetten om er niet aan te denken, maar voel nog eens extra aan het armbandje met haar naam om mijn pols. Ik voel me kinderachtig en vermaan mezelf: ‘Kom op zeg. Je bent rijk. Je hebt vier grote kinderen om je heen, die met elkaar lachen en stoeien en gekheid uithalen. Die met elkaar omgaan en van elkaar houden, zelfs als een van hen juist nu duidelijke beperkingen laat zien.’

Het lukt aardig. Maar steeds komt er weer een golf van pijn opzetten, terwijl ik lach met mijn dochter die zo duidelijk ouder is geworden en zich al bijna student voelt, net als het vrijwillige personeel dat ons bedient. Ik ben trots op mijn viertal en echt blij met hen. Ik realiseer me dat dit de onomkeerbaarheid is waarmee ik moet leven. Ik kom altijd een kind tekort. Hoe vol mijn tafel ook is. Hoe vol mijn hart ook is met liefde voor deze vier. Ik mis tegelijk mijn vijfde verschrikkelijk en de pijn is net zo hevig als de blijdschap en de dankbaarheid. Het is een ingewikkelde cocktail van emoties. Maar we moeten en komen ook deze laatste maand van het tweede jaar door.

Fijne verjaardag

wittewereld

Morgen is mijn liefste jarig. Ik loop nog even naar de winkel om wat lekkers te kopen voor het ontbijt. Een vriendin had me aangemoedigd: ‘ga toch even lekker de natuur in Ineke. Dat zal je goed doen’. Dus ik neem een omweg, via het park. Ik kies de weg die mijn kinderen zouden kiezen: over de stenen op het water naar de overkant. Verdriet overvalt me heel even, maar vlijmscherp: Ik hoef niet om te lopen, want ik heb geen buggy bij me. Ik ben maar alleen.

Ik kijk om me heen en zie de schoonheid van een witte wereld. Hier en daar voetstappen en viezigheid, maar verder nog puur. Het witte bedekt de lelijkheid maar eventjes, maar wat een verademing als het gebeurt. Ik herinner me wat ik ergens las. Als er sneeuw ligt wordt de aarde doordrenkt, diep gevoed. Zo is het ook in ons leven, soms zie je aan de buitenkant niks gebeuren, terwijl er van binnen van alles gebeurt. Ik schud die gedachte van me af en akker door de sneeuw naar het centrum van mijn wijk.

Ik loop door de supermarkt, bedenk wat hij lekker vindt en kies dingen die ik anders vrijwel nooit koop. Ik moet niet teveel meenemen als ik thuis wil komen met mijn tenniselleboog en mijn pijnlijke rug. Voorzichtig kies ik de kortste route naar huis. Dan loop ik langs bloemen en planten. ‘Lelies!’ Schiet het door me heen. Ik moet lelies hebben, want morgen is hij jarig en zij is er opnieuw niet bij. Als we lelies hebben is dat in elk geval een teken dat ze erbij had moeten zijn.

Ik loop naar binnen en hoor mezelf zeggen dat ik lelies wil, want dat is het symbool voor onze overleden dochter en we hebben een jarige. Dus. Ik snap zelf niet waarom ik het zeg en de man geeft geen woorden terug. Hij noemt een hoge prijs en ik geef hem het bedrag gepast. Ik trek mijn handschoenen aan voordat ik de kou weer inga. ‘Fijne verjaardag.’ Zegt hij bij wijze van gedag.

Ineens moet ik huilen. Ik ben boos op mezelf. In de veiligheid van mijn eigen huis huil ik niet, lukt het niet, vlucht ik in bezigheden en vermaak. Maar hier, in de kou met mijn tas op mijn rug, boodschappentas in mijn goeie en bos lelies in mijn tennisarm, kan ik het plotseling niet meer tegenhouden. Ik loop voorzichtig, mensen ontwijkend, op huis aan.

Ik bid in stilte. God, nu zou een mooi moment zijn om me te laten merken dat ik niet alleen ben. Tot mijn verbazing geeft mijn telefoon het bekende signaal. Opnieuw lopen de tranen over mijn wangen.

Ik begrijp niets van mezelf. Ik heb geen controle over rouwen. Het enige wat ik kan doen is de weg die voor me ligt lopen, letterlijk en figuurlijk. En proberen niet teveel tegen te houden, omdat ik dat al veel te veel doe. Ik zeg tegen mezelf: ‘thuis mag je huilen, loop nu maar zo hard je kunt’. Maar ik kom iemand tegen die geen voelsprieten heeft en zichzelf graag hoort praten. Ik moet bot zijn om hem van me af te schudden, maar bot op een moment van groot verdriet is bij mij vaak echt té bot, dus ik houd me in.

Eenmaal thuis smijt ik de lelies op tafel. Het helpt niet. Deze lelies zijn koud en stijf en al aan het doodgaan sinds ze geplukt zijn. Ik wil mijn dochter naast me hebben lopen, ratelend over wat we voor haar pappa hebben gekocht. Enthousiast vertellend aan haar broer en zus die zo komen lunchen. Maar dat gaat dus niet gebeuren. Ik kan er niets mee. Het is een feit en dat heb ik maar te accepteren. Maar hoe je dat doet, is me eigenlijk nog steeds een raadsel.

Rouw is liefde die je niet kwijt kunt. En zo is het. Ik ga zitten en schrijf mijn kaart vol met lieve woordjes. Fijne verjaardag mijn liefste. En in de rij met namen schrijf ik vol overtuiging ook de hare, al is ze fysiek slechts aanwezig bij wijze van lelie.

Alleen de kleur nog

Daar liepen we weer. Net als bijna een jaar geleden, toen we er voor het eerst en het laatst waren geweest. Keer op keer hadden we het uitgesteld al stond het maand in maand uit op ons bespreeklijstje. Er waren steeds dingen belangrijker, urgenter, maar vooral: gemakkelijker, dan: Grafsteen uitkiezen.

Maar nu waren we er dan toch. Bij de steenhouwer en in de showroom met verschillende natuurstenen graven. Ik voelde een constante misselijkheid. Een bizarre tweestrijd, weerstand, aversie. Daar zat ik dan met mijn liefste aan tafel bij iemand die we nauwelijks kennen, te bespreken hoe we willen dat het graf van onze dochter eruit moet komen te zien. Alsof het om een nieuwe keuken gaat, of een of andere verbouwing. Welke indeling, materiaalsoort, lettertype? En dat alles zat ik daar zakelijk te bespreken, met zoveel mogelijk gladgestreken gezicht. Nu even geen emoties alstublieft. Niet dat niet zou mogen, dat denk ik tenminste, maar ik wilde dat niet. Laten we rationeel, als wijze ouders, beslissen wat er nu gebeuren moet.

Als ik iets ontdek heb in deze weg van rouw, is het wel dat ik het erg goed kan: mijn gevoelens verdringen. Ik ben er niet trots op, want het is eigenlijk behoorlijk vervelend. Ik heb zelf niet eens door dat ik het doe namelijk. Ik kom er gewoon pas later op een vervelende manier achter dat iets mij eigenlijk toch wel heel veel doet. Te laat, want eerst ga ik domme dingen doen, word ik soms zelfs ziek, word ik steeds chagrijniger. ‘Hoe kan dat nou?’ Vraag ik me af en pas na een paar dagen, als ik eindelijk om het één of ander dan toch in tranen of woede uitbarst en me afvraag waar dat in vredesnaam vandaan komt, besef ik: ‘o joh. Ik heb gewoon verdriet!’ ‘Ik voelde me gewoon gekwetst!’ Of in dit geval: ‘Ik zag er eigenlijk gewoon heel erg tegen op!’ Ik denk zelfs dat ik mezelf deze griepweek zieker had gemaakt dan ik was door dit knagende gevoel niet te willen voelen. Dit knagende gevoel van weerzin om deze aankoop dan nu toch eindelijk te gaan doen.

Maar het moet gebeuren. Het plankje dat onze lieve oudste maakte, is bijna niet meer leesbaar. Bovendien willen we niet verplicht naar het grafje toe om het steeds netjes te maken, ook al komen we er nog steeds nu en dan. We willen het niet móeten doen. Ze is het zo waard, benadrukt mijn liefste steeds en zelf wil ik het kunnen zien als ik daar ben: Hier ligt ons dochtertje, rechtstreeks vanuit mama’s buik in de armen van haar Hemelse Vader. Susan Amanda Marsman. Misschien wel omdat ik het nog steeds haast niet kan geloven, laat staan bevatten.

Hoe vreemd het ook klinkt. Ik kan het soms nog steeds niet geloven dat ik werkelijk nog een vijfde kindje heb, maar er niet voor kan en mag zorgen. Ik vóel het soms, omdat ik nog steeds paniekgevoelens heb als we met z’n allen weggaan, omdat ik nog steeds in verwarring raak als iemand me vraagt hoeveel kinderen ik heb en omdat de pijn op onverwachte momenten opvlamt als ik op straat loop, als ik in huis zit, of als ik wakker word.

Dus ook dit hoort erbij. Rationeel een steen uitkiezen terwijl je hele ziel zich ertegen verzet. Omgaan met misselijke gevoelens terwijl je je zogenaamd ‘vermant’. Net als bevallen van een dode baby: je wilt het niet, maar je zult wel moeten. Net als het begraven van je eigen kind: je wilt het niet, maar je zult wel moeten. Zo ook nu, hoewel sommige mensen misschien vinden dat het niet hoeft, wij vinden dat we het zullen moeten doen: een waardige steen op haar grafje leggen. En dat moet dus nu nog steeds gebeuren, maar we zijn er uit wat de tekst wordt en de vorm. Alleen de kleur nog.