Geur

Ik zit in de auto op weg naar de muziekwinkel. Een snaar op mijn nieuwe gitaar is geknapt toen ik hem iets te gedachteloos aan het stemmen was en omdat dit een bijzondere gitaar is, heb ik een bijzondere nieuwe snaar nodig. De volgende dag moet ik erop spelen en ik heb het al te lang uitgesteld, dit autoritje. Ik laat de radio bewust uit. Even stilte op deze hectische dag.

Ik geniet niet erg van autorijden, maar vandaag wel. Eindelijk doe ik wat ik al zo’n tijd had uitgesteld. Straks kan ik weer los op mijn nieuwe gitaar. Het is mooi weer, niet al te druk op de weg en eigenlijk is dit zo’n moment van ‘verstand op nul, blik op oneindig’ en dat heb ik even nodig.

Plotseling ruik ik iets en gaan er vanbinnen alarmbellen rinkelen. Ineens ben ik twee en een half jaar terug in de tijd.

Amanda.

Ik ruik de geur die verbonden is aan mijn meisje en kan ineens aan niemand anders meer denken. Herinneringen en gevoelens overspoelen me. Ik zie mezelf terug in haar kamertje. Ik zit weer bij de wieg me te verwonderen, liefde te voelen, verdriet te uiten. Ik neem haar weer in mijn handen en draag haar opnieuw op aan Hem die haar haar korte leven schonk.

Ik schrik hier behoorlijk van en zou het liefst als een klein kind willen brullen. Zelfmedelijden en kordaatheid strijden om de voorrang. Het zou goed zijn om weer eens te huilen, denk ik, maar het komt me nu niet goed uit. Ik ben op weg naar de muziekwinkel vol stoere creatieve mannen en ik voel me daar vaak een kneus die amateuristisch plukt aan snaren en ramt op toetsen. Een betraand gezicht en rode ogen helpen dan niet.

Dit is weer zo’n golf waar de rouwboeken het over hebben. Een golf verdriet die onverwachts met grote kracht over je heen spoelt en ervoor zorgt dat je je evenwicht en oriëntatie helemaal kwijt bent. Maar het is niet alleen maar naar en verdrietig. Ik voel ook diepe vreugde. Deze geur maakt me blij, want zij maakte me blij. Ik voel me weer even kersverse moeder van mijn kleintje en eventjes is ze heel dicht bij mij.

Ik zucht diep. Kordaatheid wint. Ik kan het me niet veroorloven nu te gaan zitten weeklagen. Ik dank voor dit moment omdat haar ruiken haar ervaren betekent en ik haar zo mis en dat weer even voel. Maar mijn lijstje moet afgewerkt en er staat veel op vandaag. Ik laat mijn gitaar repareren en voel me weer even thuis en niet thuis in de grote muzikantenwereld. Dan rijd ik terug. Naar huis. Naar mijn levende kinderen die elk mijn begeleiding en aansporing en liefkozing nodig hebben. Ik koester dit moment van herinnering en vertel het ’s avonds aan mijn Lief. Wat ben ik blij met haar geur en dat ik die weer even rook. Geur vol herinneringen. Geur van mijn kind.

Golven

Ineens is het er weer. Grotesk, opdringerig, ongelofelijk pijnlijk. Een schreeuw die eruit wil maar blijft steken ergens halverwege. Een snik die gehoord moet worden, maar stokt, nog niet wil komen.

Zo heb ik een aantal dagen rondgelopen. Ik voelde druk achter mijn ogen en een chagrijn bezit van me nemen waar geen gebed tegen leek te helpen. Pas gisteren werd het allemaal ineens teveel en kon ik eindelijk huilen. En nu lukt het me bijna niet om te stoppen. Steeds opnieuw stromen de tranen over mijn wangen. En het besef dat ik haar mis, slaat als een golf over me heen.

Ik mis armpjes om mij heen. Gejengel achter me in de kerk vanmorgen riep het verlangen wakker naar mijn jengelende Amanda, die nooit jengelde, omdat ze niet zolang geleefd heeft dat ze jengelen kon. Ik mis haar gezichtje tegen mijn benen terwijl ik sta te praten met iemand. Dat ze naar me toe rent omdat ze blij is om me weer te zien. De doffe pijn van dit gemis is moeilijk te bevatten en op dit moment ook niet te onderdrukken.

Het is gewoon zo raar. Hoe kun je nou missen wat je niet hebt gehad? Hoe kan ik háár nu missen als anderhalfjarige, terwijl ik haar alleen maar heb gekend als heel klein baby’tje? En opnieuw klinken de woorden van Manlief in mijn hoofd: ‘ze groeit gewoon mee in ons gezin. Ze groeit gewoon mee op’. En dus mis ik nu een dreumes die leven in de brouwerij brengt en me voortdurend alert houdt. Ik hoor moeders blij zijn dat hun kinderen nu niet meer die constante aandacht nodig hebben omdat ze ouder geworden zijn, maar ik denk alleen maar: ik zou de wereld geven om dat nu te mogen hebben. Om haar in de gaten te moeten houden en geen seconde alleen te kunnen laten.

Ze lijkt te verdwijnen, vergeten te worden. Ze maakt geen zichtbaar deel uit van ons gezin. Vanbuiten lijkt ons gezin compleet en zijn we met zes personen hier. Voor veel mensen is dat al druk genoeg. Maar ik kom een kind tekort en de paniek die dat geeft, blijft opduiken. Ongewenst, maar toch daar. En ik wil het niet voelen. Ik wil niet toegeven dat het gemis blijft bestaan, dat niets lijkt te helpen om de pijn te verzachten. Het is mooi geweest. Het moet afgelopen zijn. Het is 28 oktober. Gisteren een jaar en zeven maanden geleden hebben we haar begraven. Ervaren hoe verschrikkelijk het is je kind achter te moeten laten.

We moesten toen direct weer door en ik wil ook nu gewoon door. En het lukt aardig. Ik zorg, ik schrijf, ik zing, ik speel, ik probeer er voor de mensen om mij heen te zijn. Maar ondertussen knaagt het overal onderdoor gewoon verder. En ik begrijp alweer een beetje beter waarom mensen zeggen dat ‘rouwen hard werken is’. Het is inderdaad een soort van werken, doorwerken, verwerken, op je laten inwerken, ermee verder werken. En er zit wel een progressie, een ontwikkeling in.

De afgelopen weken heb ik een aantal blogs van vorig jaar vertaald naar het Engels. Ik was daardoor bezig met veel van wat ik vorig jaar schreef. Ik zag hoe ik worstelde met God. Hoe ik zocht naar hoe je moet leven met zo’n diep gemis. Ik ontdekte dat er iets meer rust is gekomen in mijn gedachten, dat ik God weer meer vertrouw en dat ik inderdaad leer om het gemis te verweven met mijn bestaan, zoals ze dat zo mooi zeggen. Ik dacht eigenlijk zelfs dat het minder was geworden, leefbaarder. Totdat het nu dus ineens weer pontificaal voor mijn neus staat en ik nu toch weer wanhoop voel, intens verdriet, een zeer scherpe pijn. En hoe het precies komt, weet ik niet.

Ik zoek het niet op. Ik leef gewoon. Werk gewoon. Doe gewoon de dingen die ik zou moeten doen. Maar kennelijk is het zoals ze zeggen over rouw: verdriet komt in golven. En je moet ruimte houden in je leven om daarmee om te kunnen gaan. Zodat je kunt huilen als je moet huilen. Of zodat je kunt schrijven, zoals ik nu doe, want schrijven betekent woorden geven, erkennen en ruimte geven om het te laten bestaan. Ik zal haar blijven missen. Ze is mijn dochter en had hier gewoon moeten zijn. Het besef dat dat niet zo is, is als een golf die over me heen komt, me de adem beneemt en helemaal uit evenwicht slaat. Ik kan alleen maar zeggen, voor de zoveelste keer, dat God mijn anker is, en de rots waarop ik sta. Ik probeer te blijven staan en de golven dan maar tegen me aan te laten beuken. En ik wacht tot de zee weer wat rustiger wordt en de golven niet meer over me heen slaan – voorlopig.