We are not alone

Het is twee jaar geleden vandaag dat we de meest vreselijke boodschap hoorden die je maar kan krijgen over je kind: ‘Het spijt me, …’

De dood kwam nog nooit zo dichtbij. Binnenin mij was onze dochter gestorven.

Onze dochter is nog steeds gestorven. Wij zijn ouders van een overleden kind. En wat dat betekent, weet je niet als je het net gehoord hebt. Wij dachten dat dit iets was wat je even verwerkt. Waar je even doorheen moet, wat je moet doorstaan. We realiseerden ons niet dat als je kind sterft, er een hele toekomst sterft en je de rest van je leven ouders blijft van een persoon die je niet kunt leren kennen. Een meisje dat deel uitmaakt van je gezin zonder dat ze erbij is. Dat is werkelijk heel apart en pijnlijk. Maar je zult er mee moeten leren leven, dus dat zijn we maar gaan doen. Daar zijn we mee bezig.

‘Je moet ruimte houden’, zeiden mensen die het konden weten tegen ons. Houd ruimte voor de momenten waarop verdriet je ineens overvalt. Zodat je dat even toe kunt laten als dat nodig is. Dat deden we. De eerste weken wandelden we elke dag. Samen. We probeerden te vertellen wat we dachten en voelden, voor zover we wisten wat we dachten en voelden. We probeerden te blijven communiceren zodat we in elk geval open lijnen hadden tussen ons.

Ik dank God nog steeds voor dat heldere moment vlak na de doodstijding. Ik was zo bang dat ons huwelijk dit, na alles wat we al hadden meegemaakt, alsnog de kop zou kosten. Ik besefte dat het cruciaal was om te rouwen zoals ik nodig had en hem de ruimte te geven om te rouwen zoals hij nodig had én daarbij te blijven vertellen wat ik denk en voel, zonder te verwachten dat hij hetzelfde denkt, hetzelfde ervaart. We gaven elkaar de ruimte terwijl we wel steeds mededeelzaam probeerden te zijn. We ontdekten dat we toch veel gevoelens en gedachten deelden, ook al uitten we ons heel verschillend.

Vandaag wandelden we weer en herinnerden elkaar aan twee jaar geleden. Hoe we toen wandelden en niet wisten hoe we verder moesten. Hoe verdriet nog steeds op de vreemdste momenten de kop op steekt. Hoe alles wat we geloofden overhoop werd gehaald en we helemaal opnieuw ons geloof, ons doel, onze identiteit terug moesten vinden en alle vanzelfsprekendheid verdwenen was.

Eigenlijk was het enige wat voor mij overeind bleef staan, het lied dat een vriendin me stuurde op de dag van haar dood: ‘We are not alone, we are not alone, we are not alone, God is with us’. Dat lied luisterden we twee jaar geleden keer op keer als we het niet meer zagen zitten. Dat liedje luister ik vandaag weer, omdat ik geloof dat het waar is, ook al zegt mijn gevoel vaak iets anders.

Golven

Ineens is het er weer. Grotesk, opdringerig, ongelofelijk pijnlijk. Een schreeuw die eruit wil maar blijft steken ergens halverwege. Een snik die gehoord moet worden, maar stokt, nog niet wil komen.

Zo heb ik een aantal dagen rondgelopen. Ik voelde druk achter mijn ogen en een chagrijn bezit van me nemen waar geen gebed tegen leek te helpen. Pas gisteren werd het allemaal ineens teveel en kon ik eindelijk huilen. En nu lukt het me bijna niet om te stoppen. Steeds opnieuw stromen de tranen over mijn wangen. En het besef dat ik haar mis, slaat als een golf over me heen.

Ik mis armpjes om mij heen. Gejengel achter me in de kerk vanmorgen riep het verlangen wakker naar mijn jengelende Amanda, die nooit jengelde, omdat ze niet zolang geleefd heeft dat ze jengelen kon. Ik mis haar gezichtje tegen mijn benen terwijl ik sta te praten met iemand. Dat ze naar me toe rent omdat ze blij is om me weer te zien. De doffe pijn van dit gemis is moeilijk te bevatten en op dit moment ook niet te onderdrukken.

Het is gewoon zo raar. Hoe kun je nou missen wat je niet hebt gehad? Hoe kan ik háár nu missen als anderhalfjarige, terwijl ik haar alleen maar heb gekend als heel klein baby’tje? En opnieuw klinken de woorden van Manlief in mijn hoofd: ‘ze groeit gewoon mee in ons gezin. Ze groeit gewoon mee op’. En dus mis ik nu een dreumes die leven in de brouwerij brengt en me voortdurend alert houdt. Ik hoor moeders blij zijn dat hun kinderen nu niet meer die constante aandacht nodig hebben omdat ze ouder geworden zijn, maar ik denk alleen maar: ik zou de wereld geven om dat nu te mogen hebben. Om haar in de gaten te moeten houden en geen seconde alleen te kunnen laten.

Ze lijkt te verdwijnen, vergeten te worden. Ze maakt geen zichtbaar deel uit van ons gezin. Vanbuiten lijkt ons gezin compleet en zijn we met zes personen hier. Voor veel mensen is dat al druk genoeg. Maar ik kom een kind tekort en de paniek die dat geeft, blijft opduiken. Ongewenst, maar toch daar. En ik wil het niet voelen. Ik wil niet toegeven dat het gemis blijft bestaan, dat niets lijkt te helpen om de pijn te verzachten. Het is mooi geweest. Het moet afgelopen zijn. Het is 28 oktober. Gisteren een jaar en zeven maanden geleden hebben we haar begraven. Ervaren hoe verschrikkelijk het is je kind achter te moeten laten.

We moesten toen direct weer door en ik wil ook nu gewoon door. En het lukt aardig. Ik zorg, ik schrijf, ik zing, ik speel, ik probeer er voor de mensen om mij heen te zijn. Maar ondertussen knaagt het overal onderdoor gewoon verder. En ik begrijp alweer een beetje beter waarom mensen zeggen dat ‘rouwen hard werken is’. Het is inderdaad een soort van werken, doorwerken, verwerken, op je laten inwerken, ermee verder werken. En er zit wel een progressie, een ontwikkeling in.

De afgelopen weken heb ik een aantal blogs van vorig jaar vertaald naar het Engels. Ik was daardoor bezig met veel van wat ik vorig jaar schreef. Ik zag hoe ik worstelde met God. Hoe ik zocht naar hoe je moet leven met zo’n diep gemis. Ik ontdekte dat er iets meer rust is gekomen in mijn gedachten, dat ik God weer meer vertrouw en dat ik inderdaad leer om het gemis te verweven met mijn bestaan, zoals ze dat zo mooi zeggen. Ik dacht eigenlijk zelfs dat het minder was geworden, leefbaarder. Totdat het nu dus ineens weer pontificaal voor mijn neus staat en ik nu toch weer wanhoop voel, intens verdriet, een zeer scherpe pijn. En hoe het precies komt, weet ik niet.

Ik zoek het niet op. Ik leef gewoon. Werk gewoon. Doe gewoon de dingen die ik zou moeten doen. Maar kennelijk is het zoals ze zeggen over rouw: verdriet komt in golven. En je moet ruimte houden in je leven om daarmee om te kunnen gaan. Zodat je kunt huilen als je moet huilen. Of zodat je kunt schrijven, zoals ik nu doe, want schrijven betekent woorden geven, erkennen en ruimte geven om het te laten bestaan. Ik zal haar blijven missen. Ze is mijn dochter en had hier gewoon moeten zijn. Het besef dat dat niet zo is, is als een golf die over me heen komt, me de adem beneemt en helemaal uit evenwicht slaat. Ik kan alleen maar zeggen, voor de zoveelste keer, dat God mijn anker is, en de rots waarop ik sta. Ik probeer te blijven staan en de golven dan maar tegen me aan te laten beuken. En ik wacht tot de zee weer wat rustiger wordt en de golven niet meer over me heen slaan – voorlopig.

Weer naar school 2

Ineens staat het weer levensgroot voor me. Ik kan er niet omheen, maar probeer uit alle macht te doen alsof er niets aan de hand is. Ik zie moeders met baby’s en peuters. Ze zijn samen met mij op het schoolplein om grote broer en/of zus naar school te brengen. Ik voel pijn opvlammen en kijk snel de andere kant op terwijl ik de school binnenloop. En hoe schattig het dreumesje ook is dat ik daarna op de trap tegenkom, hoe dol ik ook ben op kinderen, op dit moment kan ik het niet opbrengen dit kindje wat aandacht te geven.

Ik loop langs moeder en kind de trap op zonder naar ze te kijken en richt me alleen op mijn eigen kind. Als ik mijn kinderen weggebracht heb, loop ik in mijn eentje naar huis en voel me leeg en meer alleen dan eerst. Ik loop daar zonder dreumes aan de hand of in de buggy. De eerste paar dagen lukt het me nog om dit gevoel snel weg te duwen. Er waren nog middelbare scholieren in mijn huis toen ik thuis kwam. Maar na een paar dagen moest ik hen ook uitzwaaien. Zonder kind op mijn arm.

Ik had er niet op gerekend dat ik me opnieuw zo zou voelen. Dat het gemis weer zo pijnlijk op de voorgrond zou komen. Ik weet er niet zo goed raad mee en ga maar snel aan het werk. Er is genoeg te doen. Ik heb allerlei nieuwe taken op me genomen waar ik graag aan werk en die ik niet was gaan doen als Amanda wel was blijven leven. Sommige dingen doe ik zelfs juist omdat ik haar verloor, zoals helpen bij een groep met lotgenoten. En bloggen.

Maar wat voelt dit allemaal leeg. En wat knaagt die leegte eigenlijk voortdurend, al is het meestal op de achtergrond. Ik realiseer me dat ik eigenlijk intens naar haar verlang. En dat het dus zo is dat ze er niet is. Dat ik een kindje heb gekregen, maar dat ik niets voor haar en niets met haar kan doen. Ze is hier echt niet meer. En dat besef is elke keer en nu opnieuw zo pijnlijk. En omdat het zo’n pijn doet en ik er gewoon helemaal niets mee kan, ga ik maar weer aan de slag.

Ik loop naar huis en kom opnieuw iemand tegen, met een peuter op zijn nek. Ik voel een steek van jaloezie en tranen branden achter mijn ogen. In mij schreeuwt: ik had je tegemoet moeten lopen met míjn peutertje, maar ik loop hier alleen. Zonder kind op de arm, zonder kind in de buggy en ook zonder kindje in mijn buik, want ik ben tot ons verdriet nog niet opnieuw zwanger geworden.

Dus hier zit ik dan weer. In ons lege huis. De tranen stromen eindelijk weer eens vrij over mijn wangen en ik besef opnieuw dat mensen ertoe doen. Hoe groot of hoe klein ze ook waren. Sommigen van ons moeten het verlies in zich opnemen van een geliefde die hier rond de negentig jaar mocht zijn. Anderen, zoals ik, hebben niet eens de kans gehad hun kind echt te leren kennen.

Maar al deze mensen, hoe oud of hoe jong ook, hebben betekenis omdat wij ze hebben liefgehad. Rouw is liefde die je niet kwijt kunt en al heb ik nieuwe dingen gevonden om mijn tijd en aandacht aan te schenken, al blijven er nog steeds vier kinderen die mijn aandacht nodig hebben, toch is daar nog steeds ook die diepe liefde voor dit ene specifieke kleine prachtige meisje dat enkel leefde in mijn buik. En ik mis haar. Mijn God, wat mis ik haar. Ik bid steeds vaker of God haar de groeten wil doen. En ben opnieuw verrast dat ik zulke dingen doe sinds haar overlijden. Het helpt een beetje.

Nu de kinderen weer naar school zijn, moet ik opnieuw wennen aan het lege huis, ook al is alles precies hetzelfde als voordat de zomervakantie begon. Ik moet opnieuw wennen aan een leven met enkel grote kinderen die naar school zijn en werk dat op me ligt te wachten. Ze zou nu zo ongeveer hebben kunnen lopen. We zouden samen de kinderen naar school hebben gebracht en weer rustig naar huis zijn gewandeld terwijl zij oog zou hebben gehad voor elk detail op de stoep, en ik haar stap voor stap zou leren functioneren op deze wereld.

Maar ik liep alleen naar huis en werd overvallen door een diep gemis, een intense pijn. Ik ga ermee naar God toe en het stelt me gerust dat het nu zo goed met haar gaat en op de beste plek is. Maar het gemis blijft wel bestaan, doet pijn, en ik moet er nog steeds mee leren leven. Ik weet eigenlijk nog steeds niet precies hoe dat moet. Dus ga maar weer aan het werk.

Herdenken

En daar stonden we dan. Opnieuw. Nu niet om te begraven, maar om te herdenken. Nadat de kinderen uit school kwamen en de thee met lekkers op was, reden we naar de begraafplaats toe en wandelden weer naar haar grafje. Met een stenen taartje, precies zoals één van onze kinderen had voorgesteld. En een kaarsje in de vorm van een 1, baby roze. Het taartje was eigenlijk een spaarpot, dus de gleuf kon mooi dienst doen als kaarsenstandaard. We staken hem aan. En ieder van ons liet een sterretje branden, terwijl ik dit gedichtje voorlas:

22 maart 2018 (2)

Een jaar geleden werd ze geboren
zonder haar stem te laten horen.
En vandaag staan we stil bij haar korte leven
dat voor ons verborgen is gebleven.

We zijn blij dat ze heeft bestaan
en dankbaar voor wat God in ons hart heeft gedaan.
Haar leven was niet voor niets
want voor ons en voor God betekent ze iets.

Amanda: gewenst, en geliefd,
die de aarde voor de hemel achter zich liet,
ze is ons voorgegaan, ze is waar ze zijn moet.
En als wij straks sterven, worden we ook door háár begroet

Een van de kinderen huilde. Een ander gooide met steentjes. Weer een ander kwam blij aanrennen met narcissen, trots roepend: ‘kijk mamma: de wortels zitten er nog aan’. Er werden een schepje en een harkje bij gehaald en twee van onze kinderen begonnen verwoed te graven en te planten. Mijn Zweedse vriendin had verteld dat in het Zweeds narcissen ‘paaslelies’ heten en dus horen narcissen nu ook bij Amanda. (Ze heet voluit Susan Amanda. Susan betekent: lelie).

Nadat iedereen gedaan had wat hij of zij vond dat er gedaan moest worden, liepen we weer naar de auto en reden naar een all you can eat restaurant. Om de geboortedag van onze derde dochter te vieren. Terwijl ze er zelf niet bij kon zijn. Heel vreemd. En ook heel goed om te doen. En ook heel vreemd.

Morgen is het een jaar geleden dat ze begraven werd: de afsluiting van een heel intense week van welkom heten en afscheid nemen en daarna het gat. Letterlijk en figuurlijk. ‘We zijn nog aan het jutten’, zei mijn man tijdens onze lange wandeling op haar geboortedag, een jaar na dato. En zo is het, al heb ik inmiddels ontdekt dat geloof, hoop en liefde blijvend zijn, ook al voelen we het niet altijd.

sterretje 22 maart 2018 (2)

Want die woorden: ‘als wij straks sterven, worden we ook door háár begroet’? Ik méén die. Ik keek er altijd al naar uit om Jezus te ontmoeten, mijn verlosser die opstond uit de dood, zoals we deze week met Pasen weer gaan vieren. Maar nu is daar een dimensie bij gekomen. We zullen elkaar weerzien. Het duurde even voordat ik daarvan overtuigd was, zo verward als ik was in de weken na haar dood. Maar nu weet ik het zeker. De dood heeft niet het laatste woord. Herdenken is meer geworden dan terugkijken naar hoe het was. Ik kijk ook vooruit, naar wat nog komt.