Alleen de kleur nog

Daar liepen we weer. Net als bijna een jaar geleden, toen we er voor het eerst en het laatst waren geweest. Keer op keer hadden we het uitgesteld al stond het maand in maand uit op ons bespreeklijstje. Er waren steeds dingen belangrijker, urgenter, maar vooral: gemakkelijker, dan: Grafsteen uitkiezen.

Maar nu waren we er dan toch. Bij de steenhouwer en in de showroom met verschillende natuurstenen graven. Ik voelde een constante misselijkheid. Een bizarre tweestrijd, weerstand, aversie. Daar zat ik dan met mijn liefste aan tafel bij iemand die we nauwelijks kennen, te bespreken hoe we willen dat het graf van onze dochter eruit moet komen te zien. Alsof het om een nieuwe keuken gaat, of een of andere verbouwing. Welke indeling, materiaalsoort, lettertype? En dat alles zat ik daar zakelijk te bespreken, met zoveel mogelijk gladgestreken gezicht. Nu even geen emoties alstublieft. Niet dat niet zou mogen, dat denk ik tenminste, maar ik wilde dat niet. Laten we rationeel, als wijze ouders, beslissen wat er nu gebeuren moet.

Als ik iets ontdek heb in deze weg van rouw, is het wel dat ik het erg goed kan: mijn gevoelens verdringen. Ik ben er niet trots op, want het is eigenlijk behoorlijk vervelend. Ik heb zelf niet eens door dat ik het doe namelijk. Ik kom er gewoon pas later op een vervelende manier achter dat iets mij eigenlijk toch wel heel veel doet. Te laat, want eerst ga ik domme dingen doen, word ik soms zelfs ziek, word ik steeds chagrijniger. ‘Hoe kan dat nou?’ Vraag ik me af en pas na een paar dagen, als ik eindelijk om het één of ander dan toch in tranen of woede uitbarst en me afvraag waar dat in vredesnaam vandaan komt, besef ik: ‘o joh. Ik heb gewoon verdriet!’ ‘Ik voelde me gewoon gekwetst!’ Of in dit geval: ‘Ik zag er eigenlijk gewoon heel erg tegen op!’ Ik denk zelfs dat ik mezelf deze griepweek zieker had gemaakt dan ik was door dit knagende gevoel niet te willen voelen. Dit knagende gevoel van weerzin om deze aankoop dan nu toch eindelijk te gaan doen.

Maar het moet gebeuren. Het plankje dat onze lieve oudste maakte, is bijna niet meer leesbaar. Bovendien willen we niet verplicht naar het grafje toe om het steeds netjes te maken, ook al komen we er nog steeds nu en dan. We willen het niet móeten doen. Ze is het zo waard, benadrukt mijn liefste steeds en zelf wil ik het kunnen zien als ik daar ben: Hier ligt ons dochtertje, rechtstreeks vanuit mama’s buik in de armen van haar Hemelse Vader. Susan Amanda Marsman. Misschien wel omdat ik het nog steeds haast niet kan geloven, laat staan bevatten.

Hoe vreemd het ook klinkt. Ik kan het soms nog steeds niet geloven dat ik werkelijk nog een vijfde kindje heb, maar er niet voor kan en mag zorgen. Ik vóel het soms, omdat ik nog steeds paniekgevoelens heb als we met z’n allen weggaan, omdat ik nog steeds in verwarring raak als iemand me vraagt hoeveel kinderen ik heb en omdat de pijn op onverwachte momenten opvlamt als ik op straat loop, als ik in huis zit, of als ik wakker word.

Dus ook dit hoort erbij. Rationeel een steen uitkiezen terwijl je hele ziel zich ertegen verzet. Omgaan met misselijke gevoelens terwijl je je zogenaamd ‘vermant’. Net als bevallen van een dode baby: je wilt het niet, maar je zult wel moeten. Net als het begraven van je eigen kind: je wilt het niet, maar je zult wel moeten. Zo ook nu, hoewel sommige mensen misschien vinden dat het niet hoeft, wij vinden dat we het zullen moeten doen: een waardige steen op haar grafje leggen. En dat moet dus nu nog steeds gebeuren, maar we zijn er uit wat de tekst wordt en de vorm. Alleen de kleur nog.

Welkom heten

‘Eerst moet je welkom heten. Want als je niet welkom heet, kun je geen afscheid nemen.’ Deze wijze en geruststellende woorden hoorden we vandaag anderhalf jaar geleden, toen we voor het eerst van ons leven een uitvaartverzorgster op bezoek kregen. Iemand die gespecialiseerd was in baby-uitvaarten nog wel.

Het was de Stille Tussendag. De dag na de Dag van Afschuw, toen we ontdekten dat onze dochter was overleden en we dat nieuws aan onze kinderen en ouders moesten gaan brengen terwijl we zelf niet eens konden bevatten wat dit betekende. En de dag voor de Dag van Verwondering, waarop we haar voor het eerst en bijna ook meteen voor het laatst ontmoetten en ontdekten dat je in zo verschrikkelijk veel verdriet ook zo dankbaar en blij kon zijn.

Op deze Stille Tussendag zaten we ons met een misselijk gevoel af te vragen hoe dat zou zijn, een dode baby baren. Gelukkig wist de uitvaartbegeleider waar ze het over had. Ze was zelf bevallen van een overleden kindje en, hoewel het ons allemaal nogal luguber voorkwam, wist ze ons in duidelijke taal voor te bereiden op wat er zou komen. Ze vertelde ons hoe het lichaampje eruit zou kunnen zien, waar we op moesten letten en hoe we voor haar lichaam konden zorgen.

Dat we voor haar lichaam konden zorgen. Wat een geruststelling was dat eigenlijk. Er viel toch nog iets te doen behalve bevallen. We konden haar welkom heten en we konden haar lichaam met zorg behandelen. Ik vond het nog steeds doodeng en ik voelde me zenuwachtig. Het idee dat ik een wandelend graf was, bleef maar in mijn gedachten komen. En dat ik geen leven ga schenken aan een kind, maar toch moet gaan bevallen. Maar ook daar kwam de uitvaartbegeleider over te spreken: ‘Je kunt haar niet meer het leven geven’, zei ze, ‘maar je kunt haar nog wel op de wereld zetten’.

Deze woorden gaven me perspectief. En moederkracht: Welkom heten. Lichaam verzorgen. Op de wereld zetten. Dat klinkt beter dan: Een dode baby baren. Voor niets pijn lijden. Een begrafenis voorbereiden. Wat zijn woorden toch krachtig. Wat zijn woorden belangrijk. Een goed gekozen woord kan zoveel goede dingen uitwerken, zoveel hoop geven en zelfs kracht als alles uitzichtloos lijkt. En slecht gekozen woorden (met goede bedoelingen, daar ben ik van overtuigd), die we helaas ook nogal eens hebben moeten incasseren, kunnen zoveel stuk maken, je op jezelf terugwerpen en laten verzinken in eenzaamheid.

De nachten tussen de Dag van Afschuw en de Dag van Verwondering heb ik nauwelijks geslapen. Hoe mooi en duidelijk de woorden ook waren, ik voelde me ondertussen wél een wandelend graf. Het kind in mij leefde niet meer. En ik moest nog steeds wél een dode baby baren. Het kindje moest geboren worden en ik zag er meer dan tegenop. Ik wilde er onderuit komen. En ik bad om kracht, om vrede, om alles om te kunnen doen wat ze zei: heet haar eerst maar welkom. Het afscheid nemen komt daarna al snel genoeg.

En we hebben het gedaan. Moeten doen. Morgen anderhalf jaar geleden werd ze geboren. Onze derde dochter, ons vijfde kind. Susan Amanda Marsman. Kleine gewenste lelie. Ze was al overleden. Maar toch heetten we haar welkom. Lieten we haar aan onze kinderen, ouders, zusjes en beste vriendinnen zien. Dit is ze. Onze dochter. We kregen kraambezoek, we waren vader en moeder geworden. Het was een week waarvan ik me bijna iedere minuut herinner. We beleefden, doorleefden, overdachten alles zo intens. En steeds zaten we weer bij haar wiegje, namen haar in onze handen, bekeken haar, verwelkomden haar en gaven haar in gebed terug aan God.

Het welkom heten helde al snel over naar afscheid nemen. Het was duidelijk dat we haar niet hier konden houden. En na vijf dagen kwam het definitieve moment, deden we de deksel van haar mandje dicht en gingen we het moeilijkste doen wat we ooit hebben gedaan.

Ik wou soms dat ik in een Oosters land was opgegroeid, waar je mag jammeren en jammeren tot het irritant wordt en dan nog steeds mag doorjammeren. Nu stonden we daar, (redelijk) nuchtere Hollanders met stille tranen over onze wangen en zachtjes snotterend, roerloos maar te staan. Bij het graf van ons kind. Toen welkom heten, definitief afscheid nemen geworden was. En wij voorgoed veranderd verder moesten leven nadat we haar, nu anderhalf jaar geleden, voor een kort moment welkom geheten hadden.

DSCF7750

Foto gemaakt door Ruth van den IJssel, van Ima Afscheidszorg

Herdenken

En daar stonden we dan. Opnieuw. Nu niet om te begraven, maar om te herdenken. Nadat de kinderen uit school kwamen en de thee met lekkers op was, reden we naar de begraafplaats toe en wandelden weer naar haar grafje. Met een stenen taartje, precies zoals één van onze kinderen had voorgesteld. En een kaarsje in de vorm van een 1, baby roze. Het taartje was eigenlijk een spaarpot, dus de gleuf kon mooi dienst doen als kaarsenstandaard. We staken hem aan. En ieder van ons liet een sterretje branden, terwijl ik dit gedichtje voorlas:

22 maart 2018 (2)

Een jaar geleden werd ze geboren
zonder haar stem te laten horen.
En vandaag staan we stil bij haar korte leven
dat voor ons verborgen is gebleven.

We zijn blij dat ze heeft bestaan
en dankbaar voor wat God in ons hart heeft gedaan.
Haar leven was niet voor niets
want voor ons en voor God betekent ze iets.

Amanda: gewenst, en geliefd,
die de aarde voor de hemel achter zich liet,
ze is ons voorgegaan, ze is waar ze zijn moet.
En als wij straks sterven, worden we ook door háár begroet

Een van de kinderen huilde. Een ander gooide met steentjes. Weer een ander kwam blij aanrennen met narcissen, trots roepend: ‘kijk mamma: de wortels zitten er nog aan’. Er werden een schepje en een harkje bij gehaald en twee van onze kinderen begonnen verwoed te graven en te planten. Mijn Zweedse vriendin had verteld dat in het Zweeds narcissen ‘paaslelies’ heten en dus horen narcissen nu ook bij Amanda. (Ze heet voluit Susan Amanda. Susan betekent: lelie).

Nadat iedereen gedaan had wat hij of zij vond dat er gedaan moest worden, liepen we weer naar de auto en reden naar een all you can eat restaurant. Om de geboortedag van onze derde dochter te vieren. Terwijl ze er zelf niet bij kon zijn. Heel vreemd. En ook heel goed om te doen. En ook heel vreemd.

Morgen is het een jaar geleden dat ze begraven werd: de afsluiting van een heel intense week van welkom heten en afscheid nemen en daarna het gat. Letterlijk en figuurlijk. ‘We zijn nog aan het jutten’, zei mijn man tijdens onze lange wandeling op haar geboortedag, een jaar na dato. En zo is het, al heb ik inmiddels ontdekt dat geloof, hoop en liefde blijvend zijn, ook al voelen we het niet altijd.

sterretje 22 maart 2018 (2)

Want die woorden: ‘als wij straks sterven, worden we ook door háár begroet’? Ik méén die. Ik keek er altijd al naar uit om Jezus te ontmoeten, mijn verlosser die opstond uit de dood, zoals we deze week met Pasen weer gaan vieren. Maar nu is daar een dimensie bij gekomen. We zullen elkaar weerzien. Het duurde even voordat ik daarvan overtuigd was, zo verward als ik was in de weken na haar dood. Maar nu weet ik het zeker. De dood heeft niet het laatste woord. Herdenken is meer geworden dan terugkijken naar hoe het was. Ik kijk ook vooruit, naar wat nog komt.